verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en
verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling,
zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen
ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren
aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te
waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".
De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding,
nog voor hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis
tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:
--Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan
't woaien!"
Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen
en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en
krachten!...
Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem
heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot,
overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer
aan het trakteeren en betalen, een woeste dierlijke, liederlijke
orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het
zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn
hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en
in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn
walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan
den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan
ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor
het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken
had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te
koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige
slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke
bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de
melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort
geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij
zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde,
wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren
en weer een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was
hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij
voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn
diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij
was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende,
verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en
van nietelingen onder de knie had.
Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam
slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was
eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!
Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den
donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol
gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd
uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en
afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van
hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en
nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zoo sterk gevreesden
meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog
raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht
meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!
Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid,
die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend
einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de
toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening
hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende
zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die
lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten
't niet, maar Hij, de Groote Rechter, voor wiens troon hij weldra zou
verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem
tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen
doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof
hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende
oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen
slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch was er
voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en
zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost
geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet
opgebeurd. Een enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog,
voor hem open: restitutie doen!...
Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den
donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al
bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te
veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk
geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed
herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te
rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe
namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn
oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij
begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou.
Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na
eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje
uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken
eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt
had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op
de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime,
sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg
hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen.
Hij zou er hem mild voor beloonen.
Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde
Jantje, na een korte aarzeling, toe.
En Teum begon een voor een zijn zonden op te sommen, eerst tegenover
Jantje zelf.
--Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud
verkocht het? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n
woart er nie bij. Hawel, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou
betoald he, worden d'r negen honderd vijftig. 'K he ou dus dien dag
veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven
centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van
mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn?
Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim,
doar es vijf en twintig fran!...
Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde
Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur
kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde
handen beefden op zijn knieen, alsof ze sidderden van kou.
--Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met
droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te
nemen.
--Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de
handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn
potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:
--Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op
tien joar leverijnge van eirdappels.
Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos.
--Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar
mijngelijnge van rogge in de tarwe.
Jantje knikte.
--Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet
in de boter...
Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en
bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die
Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens
opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.
--Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was
bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg,
terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen
't boerenhuis verliet.
* * * * *
Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.--Daar waar
hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin
alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich
heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs
losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.
Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen
wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als
stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen
twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter
waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in
alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar
heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van
lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig,
vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere
levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe
langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes
bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die
hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende
schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen
de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon
vinden.
Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten.
Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar
buiten; en, nog voor Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij
dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:
--Hawel? Wa hen ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"
--O! bezonder! bezonder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met
zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie
geleuven!"
Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum
hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij
merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde,
met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te
slaan.
--Wa hen ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend,
kortaf, aamechtig hijgend.
--Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte
Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard
toestruikelend.
Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op
een afstand te houden.
--Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' het gewoaid!"
raasde hij, knarsetandend.
--Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje
beleedigd en verontwaardigd.
--Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.
Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen.
Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef
haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de
menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd,
wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.
* * * * *
...--In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht
geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog
slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op
de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge
met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte
melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna
opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu
onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te
luisteren.
Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en
oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn
zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend
en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude
ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het
uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde
enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de
doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag
over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen.
Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd,
hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en
radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een
bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche
stilte galmde:
--Hawel, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en
donker. Mag ik nou wiggoan?"
Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel
weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.
--Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde
stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar
den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende
vingers aan.
Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog
nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de
beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen
staarde.
--Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.
--Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.
--Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en
kijkt-e kier!" hijgde Jantje.
De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den
haard.
--Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.
De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op
den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den
mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding
naast het uitgebrande haardvuur... dood.
VI.
DE STIER.
Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene
uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje,
waar de straatweg, zich in tweeen splitsend, een soort rechthoek
vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee
wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het
herbergje binnen.
't Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar
nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes
beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net,
klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam _Het
Koffijhuis_, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel,
gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde
van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de
bont-gekleurde uithangborden.
Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster:
menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er
't "stameneetje" bijhielden om rond te komen.
Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en
kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen.
Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook
kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat
voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met
sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat
zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige,
vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, meer dan een donkere
haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest
dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in
't dorp "de Stier" genoemd.
"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of
wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het
zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden:
"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden
gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De
spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende
beteekenis verloren.
En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet
uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende
nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit
't omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen
die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun
aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een
praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken
van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens
een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs,
o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de
Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken
aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar
snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog
en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor
geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten.
dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat al te bont, dan
zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en
was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar
uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een
flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het
baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter
haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen
en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen
en naar raden.
* * * * *
Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!...
de "Stier" zou trouwen...!
Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder
beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield
aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje,
de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp
en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd,
men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn
zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open
deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen
moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos
midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er
alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer
en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat
zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen
scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige
relatie wilde hebben.
Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken,
zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half
verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de
beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een
middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel
van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de
straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje
verdween...
* * * * *
Het was zoo: de "Stier" ging trouwen...!
De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur
van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den
preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had
de scheiding van hun klein vermogentje geeischt, en het zoolange
jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in haar
deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste
dorpsherbergen: _Het huis van Commercie_, op kamers te gaan leven.
Daar, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige
stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk
af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het
echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage,
algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich
beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.
--Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de
oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken
hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:
--Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde,
alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te
zeggen.
* * * * *
Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje
op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van
"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En
er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions
en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de
trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou
hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.
Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de
kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke
scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden
naar het gemeentehuis toe.
Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen
gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel
eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten
hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was
deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid
doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange
haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar
gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen
lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de
snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna
uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte
haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet
op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname
buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode
koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend
gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door
overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het
einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als
schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen
gebeurde.--Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier",
't gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende
schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een
vrachtwagen loopen had overgehouden.
De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen.
Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze
ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd
onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat
joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten
weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den
burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de
geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige
verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij
een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te
kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een
wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de
Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.--De Stier hield
zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als
vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep,
zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.
De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem
"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook
Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En
hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:
--Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n
nieuw boeksken komen hoalen."
De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van
den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken
schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid
hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren
in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:
--De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"
De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer
hoe vreemdere oogen op.