Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde,

ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme,

welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de

menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten,

en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna

uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er

eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen

werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk,

onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het

afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scenes

plaats en wel het ergst in de afspanning: het _Vliegende Paard_, waar

zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was

daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en

vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het

aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door

den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij

plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat

gegooid.

Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot

te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog

andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en

kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee.

Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het

_Vliegende Paard_ opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en

begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar

heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder

ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen.

--Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na

een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen.

--Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen!

Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van

dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te

redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen.

--Loat ons bij Veel-Hoar goan en de diee mag 't vijffrankstik houen,

stelde Deeske voor.

Ietwat onthutst keek Theofielke op.

--Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk.

--Ha! da es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de

knechtejongens bij VeelHoar?

Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn

slungelige tronie.

--Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse

trekken, en wie 't langst het iest?

Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op,

frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske

voor.

Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk

waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide

hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te

voorschijn.

--O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke

achterdochtig.

--Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske.

Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en

haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in

't omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het

mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk;

men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde

wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den

rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam)

Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd

men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door

Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om

het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet

's zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde een frank,

twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een

achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er

naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van

Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel

niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje

hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige

kans, die zij niet mochten laten ontsnappen.

Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te

vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het

stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon

schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het

donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame

straten.

Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een

boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den

straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der

overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de

schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend

gedoken.

Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef

doodstil. Het oogenblik was gunstig.

Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te

kijken door een spleet van het gordijntje.

--Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke.

En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden

binnen.

--Elk ne goen oavend...

Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek,

bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel,

dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had

kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en

rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel,

bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude

moeder, suffigduttend in elkaar gezakt.

--Kijk, kijk! Wie da we doar hen! riep Veel-Hoar, half spottend,

half uitdagend.--We zoen wel geld geen om ulder te zien!

Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel

kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen.

"Elk ne goen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam,

deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een

tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde

bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even

over 't tafelblad liet rinkelen.

Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd

door het verleidend geluid even wakker.

--G'he 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit

te roepen.

--Ha, w'hen toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar

het stuk weer in zijn zak verstoppend.

Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat

beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.--Vijf frank! dat kwam

zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden.

--Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske

royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde

nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar

den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op

te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken

versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore

zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig

pratend.

Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is

zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook

den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte

om op te stappen.

De glazen waren leeg.

--Nog vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde

Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren

daar nog een heele poos te blijven.

Langzaam stond de boerepummel op.

--Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem

beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende,

heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk,

kortaf, op boozen toon bijna, afhakte:

--Joa moar, Sies, vandoag 'n he 'k gienen tijd, zille; ge moet nen

andere kier komen.

Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske,

droop de pummel af.

--Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur

achter hem dichtsmakkend.

Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met

een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan.

--Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de

geijkte vraag.--Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield

intusschen de oude, suffe moeder aan de praat.

--Joa moar, hoe zit dat? He-je gij euk geld? vroeg zonder omwegen

Veel-Hoar.

--Theofielke zal ou vijf fran geen, beloofde Deeske.

--Joa moar, en gij?

--Hij he 't geld, lijk of ge gezien het. Hij zal betoalen veur ons

alle twiee.

--Hoe, veur alle twiee?

--Wel joa, w'hen lotse getrokken. Ik ha 't langste.

--O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend.

--Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske,

reeds in 't gangetje.

Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze

weg, Deeske achterna...

* * * * *

--Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in

't gangetje verschijnend.

Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe.

--Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten.

--Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het

Gangetje...

Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden

door het somber tuintje weg.

--He ze 't? He-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder

't vluchten.

--Joa z', zille! Moar hoast ou nou!

Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen

in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in

veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog

en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend,

schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen.

--Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld

Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend.

Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen

galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend.

--O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hen mij 'n slecht

stik van vijffran gegeen! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen.

'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar!

Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over

de keien in de straat gekeild.

Deeske, die voor Theofielke zat, zag het even in de duisternis

zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen

zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn

dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat

door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks

doorheen.

--Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel!

riep hij dof.

--'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog

dienen, fluiserde Theofielke.

--Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoen ons deudsloan! Ala

toe, wig, wig!

Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor

een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open

veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van

Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat

opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en

bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden

zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit.

--Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte

Deeske.

--Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hen!

jammerde Theofielke.--We zoen d'r nog ne kier kennen mee uitgoan.

--Bah! 't gien dat we g'had hen, hen we toch g'had, troostte

Deeske.--Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft

ouen boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik.

Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend

aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes,

zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij

voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het

lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast

elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een

hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de

gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij,

roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort.

Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en

ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den

dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de

lange, saaie arbeidsweek.

--Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag he? zei Theofielke.

--Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske.

En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge

pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld.

IV.

"DEN BINDER".

Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich

verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den

jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen.

Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje

van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht,

en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit

gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna

aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte

met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde

kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem

dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je,

als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze

ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder

licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en

fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een

onuitsprekelijken weemoed, die zoo aangrepen, zoo onweerstaanbaar

aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer

zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond

van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen.

Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken,

menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de

menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon

tooveren.

Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste

dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder".

Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager,

houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel

veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska

heette zij.

--Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de

jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,:

--Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd:

treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis!

Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt!

Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het

voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den

Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen

leven. Want,--en dat was wel het aller-ergste,--ook zij geloofde

dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens,

na zoo een of andere plaagscene met de straatjongens of de buren,

overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de

razendste verwijten.

--O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend

krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar

nou in hen as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de

stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen

doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven

lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n

zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou

en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden

hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past

ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert!

Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed

van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet

dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar

maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn

angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met

korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu

en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen

den vloer stampte:

--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij

zot!

Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille

stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en

huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk

moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met

open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel

staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en

dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat

de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van

verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het

winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half

verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en

toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep,

hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde,

zwakke, onbenullige weerlegging herhalend:

--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij

zot!

Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen

in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met

hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren,

of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en

hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de

boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst

niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit

weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij

voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de

deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje

tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet,

dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een

kort gebed.

In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen

merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen

mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch

gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde

leed. De slag,--zijn zelfmoord--viel als een donderslag, onverwacht.

Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit

't water zien halen....

Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn

paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn

vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen

uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen,

met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die

afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo

had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een

modderige sloot was gehaald.

Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden.

't Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het

lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide

van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een

twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen.

Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes

rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld.

"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd het!" gilt de

menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den

Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende

armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn

doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij

lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zoo

scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den

rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend.

't Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een

bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den

Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel

heel ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en,

onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat

warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen.

Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van

mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van

vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen

op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder

verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met

gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar

binnen starend.

--Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die

vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven.

't Is er een warboel, in en om het huisje.

De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet

houdt voor het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen

zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder"

binnendragen.

En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den

kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke,

rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal:

"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik

van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder"

komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"...

"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt

voader.--"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"--zeg ik.--"Dag,"

antwoordt hij.--Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier

blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater

toe.--"Wa betiekent da verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij

doen?"--"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee

zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens

uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg

ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies

gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in

't woater!...

--En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge

man niet verder vertelt.

--Hawel, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon.

--Joa moar; wa het-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de

toehoorders aan.

--Wat da 'k gedoan he?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.--"'K

ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere

boven gekomen; hij he gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten

geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en

onder gebleven...

--En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader

euk niet?

--Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde

versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de

schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier

gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen...

Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken

sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds

als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid

opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul

van een gefolterd beest.

--Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!"

zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...

V. RESTITUTIE.

Teum Grondnagel lag stervensziek...

't Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een

zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang

geweest. Ik zie hem nog in verbeelding voor mij staan: groot, zwaar,

vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en

zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende

oogen.

Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en

benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar

gesloten blijven, zonder een klank door te laten.

Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren

vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp

hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van

hun tijd verbeuzelden.

Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een

minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar

enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat

noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden,

"aan 't woaien" was.

Lente(#18069) · 第 5 / 9 段