De _Gewone Dolfijn_ (_Delphinus delphis_) bereikt gemiddeld een

lengte van 2 M. Zijn huid is buitengewoon glad; zij is niet slechts

glanzig, maar prijkt ook met allerlei regenboogkleuren. De bovendeelen

zijn groenachtig bruin of groenachtig zwart, welke kleur scherp,

maar niet volgens een rechte lijn gescheiden is van de schitterend

witte kleur der onderdeelen, die aan de zijden op enkele plaatsen

grijsachtige of zwartachtige vlekken vertoont. Het aantal tanden is

zeer verschillend. Gewoonlijk vindt men er 42 à 50 in iedere kaak;

men heeft er echter ook wel Dolfijnen gedood, die in elke kaakhelft

53, dus in het geheel het opmerkelijke groote aantal van 212 tanden

hadden. Deze tanden zijn regelmatig over de kaak verdeeld; zij laten

kleine tusschenruimten over, zoodat die van de bovenkaak tusschen

die van de onderkaak vallen en omgekeerd; zij zijn lang, kegelvormig,

zeer puntig en van buiten naar binnen zwak gekromd.

Dit beroemde dier, dat aan de kusten der Middellandsche Zee

zeer algemeen is, wordt van tijd tot tijd aan de kusten van

Groot-Brittannië en van het noorden van Frankrijk gevangen; het

verdwaalt soms ook in de Noordzee. Voor zoover bekend, is slechts

éénmaal, vele jaren geleden een exemplaar van deze diersoort op de

Hollandsche kust gestrand. Naar het schijnt, is zij over een groot

deel van den aardbol verspreid; zij bewoont althans alle zeeën van het

noordelijk halfrond, en draagt hier veel bij tot de tijdkorting van

zeelieden en reizigers. De Dolfijn openbaart door zijne bewegingen zoo

mogelijk een nog speelscher aard dan dien zijner verwanten. Nu eens

zwerft hij op grooten afstand van de kust in de open zee rond, dan

weer zwemt hij ver de rivieren op. Troepen van deze dieren naderen

het schip en spelen langen tijd in de nabijheid, voordat zij een

anderen koers nemen. Onophoudelijk duiken zij onder en komen weer

boven, verheffen het hoogst gelegen deel van den kop gedurende eenige

oogenblikken boven den waterspiegel, blazen met snuivend gedruisch,

en verdwijnen weer in de diepte. Zij zwemmen zoo buitengemeen snel,

dat zij niet alleen het snelste stoomschip met gemak bijhouden,

maar intusschen ook nog allerlei spelende bewegingen maken, en,

als zij dit verkiezen, om het schip heen zwemmen zonder achter te

blijven. Van tijd tot tijd springt een van hen boven het water uit,

valt, zonder luid gedruisch te veroorzaken, met een buiteling weer in

de zee terug, en neemt ten spoedigste zijn vroegere houding weer aan.

Het gebit van den Dolfijn geeft duidelijk te kennen, dat hij een

der ergste zee-roofdieren is; naar men zegt, verschoont hij zelfs

zijne gewonde soortgenooten niet. Zijn voedsel bestaat uit Visschen,

Schaaldieren, Koppootige Weekdieren en andere zeebewoners. Het liefst

maakt hij jacht op Sardijnen, Haringen en Vliegende Visschen. Het

wijfje werpt 10 maanden na de paring een jong van 50 à 60 cM. lengte,

waaraan zij gedurende geruimen tijd groote genegenheid toont.

In den Zwaardvisch heeft de Dolfijn een gevaarlijker vijand dan in

den mensch; want deze maakt alleen dan jacht op hem, als gebrek aan

versch vleesch hem hiertoe noopt. Ook thans nog valt den Dolfijn van

den kant van den mensch een zekere vereering ten deel.

In de Noordzee komen nog eenige andere vertegenwoordigers van hetzelfde

geslacht voor, o.a. de _Witsnuitdolfijn_ [_Delphinus (Lagenorhynchus)

albirostris_], zeer kennelijk aan de witte kleur van den snuit en

van de achterhelft van het lichaam. Hij is minder rank dan de Gewone

Dolfijn, met wien hij overeenstemt door zijn betrekkelijk zwak gebit;

in elke kaakhelft heeft hij 25 tanden. Hij kan een lengte van 4

à 5 M. bereiken. In Juni 1851 werd een dier van deze soort in de

Noordzee, dicht bij Texel waargenomen; kort daarna werd er een bij

Oostende gevangen.

Even zeldzaam is op onze kust de _Tuimelaar_, de _Nesarnak_ der

Groenlanders (_Delphinus tursio_). Deze heeft in elke kaakhelft 20

à 24 tanden, welke sterker zijn dan die van den Gewonen Dolfijn;

ook de skelet-bouw is steviger. Hij wordt 3 1/2 à 4 1/2 M. lang;

van boven en aan de zijden is hij licht blauw-zwart, van onderen

wit. Een voorwerp van deze soort strandde ongeveer 70 jaar geleden

op de Groningsche kust, twee exemplaren spoelden op 20 April 1828 in

Friesland nabij de Zwarte Haan aan wal.

Minder veelvuldig nog is de _Snaveldolfijn_ (_Delphinus rostratus_),

die door zijn gebit op den Tuimelaar gelijkt, maar door slankeren

lichaamsbouw en door de minder duidelijke scheiding tusschen het minder

gewelfde voorhoofd en den smalleren snuit van dezen verschilt. Zijn

algemeene kleur is roetachtig zwart; deze gaat op den buik, de borst

en den rand der onderkaak in rosachtig wit over. Lengte 2.5 M. Een

exemplaar werd in 1829 gevangen bij den mond van de Schelde.

De eerste mededeelingen over een in de Zuid-Amerikaansche

rivieren levenden Dolfijn kwamen voor in het groote werk over "de

keerkringsgewesten van de Nieuwe Wereld" door A. von Humboldt en

Bonpland, die echter geen volledige beschrijving van deze diersoort

gaven (1819). Nauwkeuriger berichten danken wij aan de verdienstelijke

Duitsche onderzoekers Spix en Martinz (1831). Kort daarna zag een

uitmuntende studie over dit onderwerp van den Franschen geleerde

d'Orbigny het licht.

De _Inia_ of _Bonto_ (_Inia amazonica_), vertegenwoordiger van het

geslacht der _Langsnuitdolfijnen_ (_Inia_), is een Dolfijn, wiens

snuit zich verlengd heeft tot een smallen, rondachtigen, met stijve

haren begroeiden snavel, die in elke kaakhelft 33 of 34 spitse tanden

met gekromde, sterke kroon heeft. Het slanke lichaam draagt lange

borstvinnen, die aan hun bovenste gedeelte uitgesneden, en naar

de spits sikkelvormig versmald zijn, een niet gelobde staartvin en

een zeer lange vetvin op den rug. De lichaamslengte wisselt af van

2 tot 3 M. Het wijfje bereikt, naar men zegt, slechts de helft van

deze grootte. Op de geheele bovenzijde is de Inia bleek blauwachtig;

de kleur van de onderzijde zweemt naar rozenrood. Er zijn echter vele

kleurverscheidenheden opgemerkt: soms ontmoet men geheel roodachtige,

soms ook geheel zwartachtige exemplaren. In den laatsten tijd heeft

men verscheidene, nauw met elkander verwante soorten onderscheiden.

Voor zoover thans bekend, bewoont deze Dolfijn bijna alle stroomen

van Zuid-Amerika, tusschen 10 en 17° Z.B. In den Amazonenstroom en

zijne bijrivieren, alsmede in den Orinoko is hij overal een bekende

verschijning. Naar men zegt, zijn de bewegingen van dit dier langzamer

en minder levendig dan die van de in zee levende Dolfijnen; het zwemt

rustiger, komt dikwijls aan de oppervlakte om adem te halen en vormt

met zijne soortgenooten gewoonlijk slechts kleine gezelschappen. Deze

mededeelingen worden echter door Von Humboldt niet bevestigd. "De

lucht," zegt hij, "werd weder stil; weldra begonnen groote Cetaceën

uit de familie der Spuitvisschen, zeer veel gelijkende op de Dolfijnen

van onze zeeën, in lange reeksen aan de oppervlakte te dartelen. De

langzame en trage Krokodillen vermeden, naar het scheen, de nabuurschap

van deze geraasmakende en onstuimige dieren; wij zagen ze onderduiken,

als de Spuitvisschen dicht bij hen kwamen. Dat de Cetaceën op zoo

grooten afstand van de kust voorkomen, is zeer opmerkelijk; men treft

ze hier in alle jaargetijden aan; voor zoover men weet, is er niets,

waaruit zou blijken, dat zij op bepaalde tijden als de Zalmen trekken."

Volgens Bates wordt de Amazonenstroom door minstens drie verschillende

soorten van Dolfijnen bewoond; overal zijn deze dieren talrijk, hier

en daar vertoonen zij zich zelfs in verrassend grooten getale. "In de

breedste gedeelten van den stroom," zegt deze uitmuntende onderzoeker,

"van de monding tot op een afstand van 1500 mijlen bovenwaarts,

hoort men voortdurend, hoofdzakelijk echter 's nachts, de een of

andere soort buitelen, blazen en snorken; deze geluiden dragen er niet

weinig toe bij om op den reiziger een indruk te maken, overeenkomende

met dien, welke de uitgestrektheid en de verlatenheid van de zee

teweegbrengt." Hun voedsel bestaat grootendeels uit kleine Visschen;

bovendien echter worden allerlei boomvruchten, die van de takken

in de rivier vallen, niet door hen versmaad. Bij voorkeur houden de

Inia's zich op in de heldere en diepe bochten van de door hen bewoonde

stroomen of op plaatsen, waar bijrivieren in deze stroomen uitmonden,

blijkbaar omdat hier de meeste Visschen voorkomen.

De inboorlingen maken geen jacht op den Inia. Zijn vleesch wordt

taai genoemd, zijn spek slecht, zijn huid is hoogstens geschikt voor

het vervaardigen van schilden; de vangst van dit dier loont dus de

moeite niet.

Plinius maakt melding van een Dolfijn, genaamd _Platanista_, die in den

Ganges leeft en volgens zijn beschrijving 7 M. lang zou worden. Dit

dier bestaat werkelijk, maar is veel kleiner dan de oude, beroemde

onderzoeker aangeeft; zijn lengte bedraagt namelijk omstreeks 2

M. De _Soesoek_ of _Snaveldolfijn van den Ganges_ (_Platanista

gangetica_) onderscheidt zich van zijne verwanten door den zeer

slanken lichaamsbouw, de halvemaanvormige, in twee lobben verdeelde

staartvin en den bovenwaarts gekromden, langen, snavelvormigen

snuit. De bovenkaak is zijdelings samengedrukt en vormt zoo een kam,

die aan de voorzijde uitpuilt en van achteren breeder wordt, daar

waar hij zich met het hooge, bolle voorhoofd vereenigt en de lange,

smalle, nevens elkander geplaatste neusgaten omgeeft. Elke kaakhelft

bevat 30 à 32 stevige, kegelvormige, spitse tanden. De vetvin op

den rug bestaat slechts uit een kleine uitbreiding van de huid. De

kleur van de bovendeelen is grijsachtig zwart, die van de onderdeelen

grijsachtig wit.

Deze merkwaardige Dolfijn--die volgens de nieuwste onderzoekingen

niet de eenige vertegenwoordiger van de orde der Cetaceën in de

rivieren van Zuidoost-Azië is--komt niet alleen in den Ganges en zijne

bijrivieren voor, maar werd ook reeds in de Brahmapoetra en in den

Indus aangetroffen. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Visschen

en Schaaldieren. Nu en dan heeft men in zijn maag ook rijstkorrels en

overblijfselen van Insecten gevonden; naar men meent, zijn deze echter

uit de ingewanden van de als voedsel gebruikte Visschen afkomstig.

Het vleesch van dit dier wordt in sommige streken van Indië met

smaak gegeten. Het levert een zeer vloeibare traan op, die als een

uitmuntend smeermiddel voor leder beschouwd wordt.

De _Narwal_, de _Eénhoornvisch_ (_Monodon monoceros_), verschilt

door belangrijke eigenaardigheden zoozeer van de overige

Tandendragende Cetaceën, dat men hem in een afzonderlijke familie

heeft geplaatst. Zijn gebit wijkt belangrijk af van dat zijner

ordegenooten. Het mannetje heeft n.l. in de bovenkaak aan de

linkerzijde één kolossalen stoottand met open wortel; deze steekt

recht naar voren 2 à 3 M. buiten den bek uit, maar is naar verhouding

van zijn lengte zwak; hij is van rechts naar links gedraaid; de

hiermede overeenkomende tand aan de rechterzijde blijft in den

regel onontwikkeld. Bij het wijfje blijven beide tanden meestal

klein en in de kaak verborgen; slechts zelden groeien zij uit. Bij

uitzondering heeft men Narwals met twee stoottanden gevonden; deze

waren alle wijfjes; de tanden hadden dan steeds een veel geringere

lengte dan die der mannetjes. De bovenkaak van het jonge dier bevat

bovendien aan weerszijden twee kleine voortanden en een kies; bij

volwassenen treft men deze bestanddeelen van het gebit in den regel

niet meer aan. De onderkaak is altijd tandeloos. De rolronde, van voren

afgeronde kop maakt ongeveer een zevende gedeelte van het langwerpige,

bijna spoelvormige lichaam uit. Het platte voorhoofd gaat onmerkbaar

over in den zeer korten, breeden en dikken, aan de rechterzijde

een weinig verkorten snuit; deze daalt aan 't voorste deel van 't

lichaam bijna loodrecht naar beneden. Een rugvin is niet aanwezig,

hoewel door een huidplooi aangeduid. De borstvinnen zijn ongeveer op

de grens van het eerste vijfde deel van 't lichaam aangehecht, kort,

eivormig, van voren dikker dan van achteren. De zeer groote staartvin

is duidelijk in twee lobben verdeeld. De kleur van de glanzige en

zachte, fluweelachtige huid vertoont, naar het schijnt, in verband

met geslacht en leeftijd, een niet onbelangrijk verschil. Bij het

mannetje is de witte of geelachtig witte grondkleur geteekend met

talrijke donkerbruine vlekken van onregelmatigen vorm, die op den rug

het dichtst opeengehoopt zijn, aan den buik het verst uiteenstaan

en aan den kop bijna ineenvloeien. Jonge dieren zijn donkerder van

kleur dan oude. Er worden echter ook wel nagenoeg zuiver witte en

eveneens grijsachtige, effenkleurige exemplaren gevonden. De totale

lengte van den Narwal kan, naar men zegt, tot 6 M. klimmen, bedraagt

echter in den regel niet meer dan 4 à 5 M.

Dat onze voorouders van den Narwal fabelachtige dingen verhaalden,

behoeft ons niet te verwonderen. Een dier, dat zulke in 't oogloopende

eigenaardigheden vertoont, moest wel de belangstelling van den

mensch wekken; zoolang de wetenschap geen uitspraak deed, had de

phantasie vrij spel. Vooral de stoottand heeft aanleiding gegeven

tot allerlei onderstellingen. Albertus Magnus noemt dit dier een

Visch, wiens hoorn op het voorhoofd dienen moet om andere Visschen en

sommige schepen te doorboren; deze Visch is echter zoo lui, dat zij,

die door hem aangevallen worden, gemakkelijk kunnen ontkomen. Wij

daarentegen beschouwen deze tanden als wapens soortgelijk aan die,

waardoor het mannetje zich zoo dikwijls van het wijfje onderscheidt.

De Narwal, een bewoner van de noordelijke zeeën, wordt het

veelvuldigst aangetroffen tusschen 70 en 80° N. B. In de Davis-straat

en de Baffins-baai, in de Poolzee tusschen Groenland en IJsland,

rondom Nowaja Semlja en in de zee ten noorden van Siberië komt hij

veelvuldig voor. Ten zuiden van den poolcirkel is hij zeldzaam: op

de kusten van Groot-Britannië strandden, voorzoover mij bekend is,

in de laatste eeuwen slechts vier Narwals; aan de Duitsche kusten

heeft men nooit anders dan in 1736, maar toen tweemaal, zulke dieren

waargenomen en gedood. In zijn eigenlijk woongebied ontmoet men

hem bijna altijd in talrijke kudden: hij doet in gezelligheid voor

geen zijner verwanten onder. "Gedurende den trektijd," zegt Brown,

"heb ik troepen Narwals gezien, die uit vele duizenden individuën

bestonden. Tand naast tand, staartvin naast staartvin trokken zij

noordwaarts; als een cavalerieregiment doken en rezen zij, naar

allen schijn, met de grootst mogelijke regelmatigheid en vervolgden

in golflijnen hun weg. Zulke troepen bestaan niet altijd uitsluitend

uit dieren van hetzelfde geslacht; dikwijls zijn mannetjes en wijfjes

hierin bont dooreengemengd."

De zeereizigers uit lateren tijd roemen de vlugheid en de behendigheid

van dit dier, dat door zijn herhaaldelijk oprijzen en onderduiken

de zee weet te verlevendigen en de aandacht van den onderzoeker

in hooge mate boeit. Het is zoo goed als zeker, dat hij aan andere

Cetaceën nooit de gevechten levert, waarvan de oude schrijvers melding

maken. Ook jegens zijne soortgenooten toont hij zich verdraagzaam,

zoolang de liefde niet in 't spel komt en de gemoederen der mannetjes

verhit. Dat dit somtijds geschiedt en tot ernstige gevechten aanleiding

geeft, mag men met zekerheid aannemen, daar men zelden een ouden

Narwal doodt, wiens tand onbeschadigd is. In vele gevallen waren in de

tandholte van zulke dieren andere tanden doorgedrongen en afgebroken.

Het voedsel van dit merkwaardig dier bestaat uit Zeekomkommers

(Holothuriën), naakte Weekdieren en Visschen.

Velerlei gevaren en tal van vijanden bedreigen het leven van den

Narwal. Van geen anderen Cetacee vindt men zoo dikwijls overblijfselen

als van hem. Door den winter, die dikwijls onverwacht plotseling

intreedt en de zee in het hooge noorden over een groote uitgestrektheid

in boeien van ijs slaat, wordt op deze wijze het bestaan van alle door

longen ademende zeebewoners in zeer hooge mate bemoeilijkt en in gevaar

gebracht, zoodat honderden en duizenden sneven; de zee spoelt hunne

lijken of wat hiervan overblijft, naar het strand. Zoo worden hier ook

dikwijls narwaltanden gevonden.--Kleine parasieten kwellen, groote,

weerbare vijanden bedreigen den Narwal. De mensch maakt ijverig jacht

op hem. Dit doen echter alleen de inboorlingen, niet de uit zuidelijker

gewesten komende jagers, die slechts enkele malen zich verledigen om

Narwals te harpoeneeren, daar deze jacht voor het goedmaken van de

kosten hunner reis te weinig voordeel oplevert. Zoowel het vleesch

als de traan van deze dieren wordt hoog geschat. Alle in Groenland

levende Deensche vrouwen brengen het Narwal-vleesch gekookt zoowel

als gebraden en in een uit de spekachtige huid bereide gelei gelegd

op den disch, vol vertrouwen dat zelfs de meest verwende vreemdeling

dit gerecht eer zal aandoen. De inboorlingen van Groenland eten dit

vleesch gekookt of gedroogd, de huid en het spek rauw; zij branden

het vet in hunne lampen, vervaardigen uit de pezen naaigaren en uit

de maag blazen, die zij bij de vischvangst gebruiken; zelfs van de

darmen weten zij partij te trekken.

In vroegere tijden werden voor de stoottanden van den Narwal

ongeloofelijke hooge sommen betaald. Men schreef hun allerlei

wonderkrachten toe en hechtte er daarom veel meer waarde aan dan wij,

die deze voorwerpen alleen begeeren, omdat zij op soortgelijke wijze

als het ivoor gebruikt kunnen worden. Nog geen 250 jaar geleden waren

er nog slechts weinig narwaltanden in Europa te vinden; die, welke

de zeelieden tot aan dien tijd hadden meegebracht, vonden gretig

koopers. Men hield ze voor afkomstig van den Bijbelschen Eenhoorn,

welk dier, op fabelachtige wijze voorgesteld, deel uitmaakt van

het Engelsche wapen. Keizers en koningen lieten zich dikwijls van

deze tanden staven vervaardigen, die, met zeer sierlijk snijwerk

versierd, hun nagedragen werden; de kostbare kromstaven van de

bisschoppen waren van zulke tanden gemaakt. Nog in de 16e eeuw

bewaarde men in het Bayreuther archief op den Plassenburg vier

narwaltanden als buitengewone zeldzaamheden. Eén daarvan hadden

twee markgraven van Karel V aangenomen tegen kwijtschelding van een

grooten schuldpost. Voor den grootsten der beide tanden werd door

de Venetianen nog in het jaar 1559 de ontzaglijke som van 30.000

zechinen geboden, zonder dat het hun gelukte den eigenaar tot den

verkoop over te halen. Een Narwaltand, die in de keurvorstelijke

verzameling te Dresden aan den gouden keten hing, werd op een waarde

van 100.000 thaler geschat. De "Groenlandsche Compagnie" en andere

kooplieden hebben gedurende eenigen tijd met deze tanden goede zaken

gedaan bij de Moscovieten en bij de bewoners van Oost-Azië. Nog in

de vorige eeuw kwamen zij trouwens in de apotheken voor en werd het

poeder van de gebrande en ongebrande tanden soms als geneesmiddel

voorgeschreven. Tegenwoordig kosten zij per K.G. hoogstens zes,

of per stuk twaalf à achttien gulden.

De vijfde familie van de onderorde der Tandendragende Cetaceën

omvat de _Snavelwalvisschen_ (_Hyperoodontidae_) en is vooral in

de zuidelijke zeeën door verscheidene soorten vertegenwoordigd. De

hiertoe behoorende vormen onderscheiden zich van de Dolfijnen zoowel

door den meer of minder snavelvormig verlengden snuit als door het

gebit, daar in de onderkaak aan iedere zijde slechts één of twee

(en overigens in beide kaken geen andere dan onontwikkelde, niet

boven het tandvleesch uitstekende) tanden voorhanden zijn.

Een der meest bekende leden van deze familie is die, welke wij,

in navolging van de bewoners der Fär-öer, _Deugling_ (_Hyperoodon

bidens_) zullen noemen. Na den Cachelot is de Deugling de grootste van

alle Tandendragende Cetaceën. Hij kan een lengte van 8 M. bereiken,

de omvang van den kop in de nabijheid van de oogen bedraagt dan

4 M. Het wijfje is slanker en kleiner dan het volwassen mannetje;

de jonge mannetjes gelijken op de wijfjes. Vooral de vorm van den

kop is merkwaardig: hier is als 't ware een ganze- of eendesnavel

aan den kop van een Zoogdier vastgehecht. Het lichaamsdeel achter den

snavel wordt ten onrechte "voorhoofd" genoemd door de Walvischvangers;

het bestaat uit de bovenkaak, die loodrecht omhoog rijst en zich tot

een halfkogelvormigen bult verheft. Deze bult, welke zich uitstrekt

tot den voorrand van het boven de oogen gelegen spuitgat wordt door

een groote knobbelvormige uitbreiding van de bovenkaaksbeenderen

gesteund en bestaat overigens uit een wijdmazig, met vloeibaar vet

gevuld bindweefsel. In het skelet komt achter dezen knobbel een

(uitwendig niet waarneembare) diepe, zadelvormige inzinking voor,

van achteren door het eigenlijke voorhoofd begrensd. Bij het door

Vrolik ontlede, ruim 7.6 M. lange dier was het spuitgat 1.3 M., het

loodrecht opstijgende "voorhoofd" ongeveer 45 cM. achter het voorste

deel van den snavel gelegen. Soms echter is de snavel wel 60 cM. lang

en het loodrechte deel van den kop 80 cM. hoog. De jongen en de wijfjes

hebben een lager, minder vlak, meer achteruitwijkend voorhoofd. Deze

werden daarom tot voor korten tijd als leden van een afzonderlijke

soort beschouwd. Thans echter is men, o. a. door de onderzoekingen

van Axel Ohlin, tot de overtuiging gekomen, dat de _Hyperoodon's_

van de noordelijke zeeën één soort vormen. Van haar aanwezigheid in

het noordelijke deel van den Stillen Oceaan is niets bekend; terwijl

men den _Hyperoodon_ van 't zuidelijk halfrond terecht of ten onrechte

als een afzonderlijke soort beschouwt. [In de noordelijke zeeën leeft

behalve de Deugling nog een andere soort van Snavelwalvisch, n.l. de

_Spitsdolfijn_ (_Mesoplodon Sowerbyi, Hyperoodon micropterus_),

die ook nu en dan in de Noordzee verdwaalt en er herhaaldelijk op

't strand gekomen is, o.a. 1835 bij Ostende.] Verscheidene namen

heeft de Deugling gekregen op grond van den eigenaardigen vorm van

den kop. Zeer algemeen is de naam _Butskop_ ("stompkop"), die echter

ook aan verscheidene Dolfijnen met stomp eindigenden kop gegeven

wordt. Hieraan is de Engelsche naam _Bottlenose_ ontleend. De

IJslanders noemen dit dier _Andarnefia_ ("eendensnavel"), de

Groenlanders _Anarnak_, de Duitschers _Entenwal_. Aan 't voorste

uiteinde van de onderkaak komen bij het volwassen mannetje geregeld

twee kegelvormige tanden voor van ongeveer 4 cM. lengte en 2 cM. dikte;

deze zijn dikwijls geheel afgesleten: door stevig bindweefsel zijn zij

met hun breede basis aan het kaakbeen vastgehecht (niet in tandkassen

geplaatst). Het deel van de onderkaak waarin de bedoelde tanden zich

bevinden steekt voorbij de bovenkaak uit; deze tanden zijn dus als

't ware slagtanden in miniatuur. Ohlin zag ze bijna altijd bedekt met

kleine, vastzittende zeedieren (Rankpootige Schaaldieren) waaruit

blijkt, dat zij zoo goed als niet gebruikt worden. Bovendien komen

iets verder naar achteren in iedere helft van elke kaak een reeks van

zeer kleine tandjes voor, die ook wel in één kaak of in beide kaken

geheel kunnen ontbreken; hun aantal schijnt afwisselend te zijn;

zij blijven steeds in het tandvleesch verborgen. Bij de jonge dieren

zijn zij duidelijker zichtbaar. Aan de benedenzijde van den kop,

ongeveer in 't midden van de onderkaak, beginnen twee korte, maar

diepe, naar achteren uiteenwijkende groeven; een dergelijke groeve is

verder achterwaarts aan de keel gelegen; overigens is de huid glad

en glanzig, meer of minder gelijkmatig zwart; de bovendeelen zijn

echter in den regel donkerder dan de onderdeelen. De hooge spits,

aan de achterzijde uitgesneden rugvin komt voor aan het begin van

het laatste derde gedeelte van het lichaam.

Naar het schijnt, is het verbreidingsgebied van den Deugling tot de

Noordelijke IJszee en de noordelijke gedeelten van den Atlantischen

Oceaan beperkt; van hier uit onderneemt hij echter geregeld reizen

in zuidelijke richting; ieder jaar komt hij in de nabijheid van

de Fär-öer, niet zelden ook aan de kusten van Groot-Britannië,

waar hij zelfs nu en dan eenige, voor hem gunstig gelegen rivieren

opzwemt. Op de Atlantische kusten van Europa en Noord-Amerika zijn

dikwijls gestrande Deuglings gevonden, ook eenige malen op de kusten

van de Noordzee. Het exemplaar, dat den 24en Juli 1846 bij Zandvoort

op de Hollandsche kust strandde, gaf aanleiding tot de uitvoerige

beschrijving van het dier door Prof. Vrolik.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 12: Sirenen; Hoofdstuk 13: Walvischachtigen · 第 6 / 7 段