niet door een schelp omgeven zijn; ook wel met kleine Visschen,
o.a. Haringen. Vrolik schatte het aantal snavels van Inktvisschen
in de maag van den door hem onderzochten Deugling op ruim tien
duizend. Uit de aanwezigheid van Zeesterren in de maag blijkt, dat
dit dier ook wel op den zeebodem voedsel zoekt, waarvoor zijn snavel
zeer geschikt schijnt. Zijn vaardigheid in het duiken wordt bevestigd
door een mededeeling van Kükenthal, die een geharpoeneerden Deugling
300 vademen lijn medenemen en volle 45 minuten onder water blijven zag.
Evenals de traan van den Cachelot, bevat ook die van den Deugling
"spermaceti." Hoewel het spek een zekere hoeveelheid van deze
uitmuntende vetsoort bevat, komt zij echter, naar het schijnt, vooral
voor in het bindweefsel, waaruit een groot deel van den bult op den
kop bestaat. Bij jonge exemplaren kan men hieruit, nadat het "kalotje"
er afgesneden is, 2 of 3 liter van een heldere, zeer vloeibare traan
scheppen, deze is bij zeer oude exemplaren niet meer aanwezig. Door
het vinden van spermaceti in de Deugling-traan steeg de prijs van
dit artikel aanmerkelijk, hetgeen het sein gaf tot de meedoogenlooze
vervolging, waaraan het dier tegenwoordig is blootgesteld van de zijde
der Engelsche en Noorsche visschers. In 1891 hielden niet minder dan
70 vaartuigen zich met de jacht op Deuglings bezig; zij vingen er
niet minder dan 3000.
De zesde familie der Tandendragende Cetaceën is die der
_Potvisschen_ (_Catodontidae_), zoo genoemd naar zijn belangrijksten
vertegenwoordiger, den _Potvisch_ of _Cachelot,_ de _Sperm whale_
der Engelschen de _Kegoetilik_ der Groenlanders, de _Tweldhal_ der
IJslanders (_Catodon macrocephalus_), het plompste lid der geheele
orde. De Potvisschen worden gekenmerkt door den buitengewoon grooten
kop, die ongeveer 1/3 van de geheele lichaamlengte heeft. De snuit
is in bovenwaartsche richting zeer sterk gezwollen en van voren
als 't ware recht afgeknot. Er is slechts één ademgat aanwezig,
dat een weinig naar links van het middenvlak afwijkt. De zeer lange
en smalle onderkaak is korter dan de bovenkaak en wijkt van die der
overige Cetaceën af, doordat de beide onderkaaksbeenderen over het
grootste deel van hun lengte tegen elkander aan liggen en niet alleen
van voren met elkander vereenigd zijn. Zij bevatten ieder een reeks
van kegelvormige tanden zonder email en van nagenoeg gelijke lengte;
de bovenkaakstanden verdienen ternauwernood dezen naam, daar zij,
evenals bij de leden der vorige familie, zeer weinig ontwikkeld zijn.
De Potvisch wordt, wat de grootte betreft, slechts door eenige
van de langste Baardendragende Cetaceën overtroffen. Hoewel sommige
berichtgevers melding maken van oude mannetjes, die 30 M. lang waren,
komt men, wegens het ontbreken van nauwkeurige metingen, die de
juistheid van de bedoelde berichten bevestigen, waarschijnlijk nader
bij de waarheid door
aan te nemen, dat een totale lengte van 20 à 23 M., een lichaamsomvang
van 9 à 12 M. en een staartbreedte van 5 M. de grootste afmetingen
zijn, die dit dier bereiken kan. Deze gelden trouwens alleen voor de
mannetjes, want de wijfjes zijn zonder uitzondering aanmerkelijk
kleiner; stellig worden zij niet half zoo lang. In verhouding
tot de lichaamslengte zijn de borstvinnen bijzonder klein; bij de
grootste exemplaren zijn zij hoogstens 2 M. lang en 1 M. breed. De
kolossale, op een blok gelijkende, van voren afgeknotte kop heeft
dezelfde hoogte en breedte als de romp en gaat onmerkbaar hierin
over. De beide voorste derde gedeelten van den romp zijn zeer dik en
breed; van hier tot aan het begin van de staartvin nemen de dikte
en breedte allengs af. Op het laatste derde gedeelte verheft zich
een lage, knobbelvormig uitgezette, onbewegelijke rugvin of vetvin,
die van achteren dikwijls als 't ware afgesneden is, van voren echter
onmerkbaar in den romp overgaat. De korte, breede, dikke borstvinnen
staan onmiddellijk achter de oogen en hebben aan haar bovenzijde vijf
overlangsche plooien: het eenige, uitwendig waarneembare spoor van
een verdeeling in vijf vingers; de onderzijde is glad. De staartvin
is niet diep ingesneden, hoewel men er twee lobben aan opmerkt; bij
jonge dieren is hij aan den rand ingekorven. Het ademgat, een bijna
S-vormig gekromde spleet van 20 à 30 cM. lengte, ligt, niet zooals
bij de andere Cetaceën aan het achterste, maar aan het voorste deel
van den snuit bovenaan; het oog is zeer klein en ver naar achteren
geplaatst; de gehooropening, een kleine, overlangsche spleet, ligt
even onder het oog. De muil is groot, de mondspleet strekt zich
tot dicht bij de oogen uit. De onderkaak is aanmerkelijk smaller en
korter dan de bovenkaak, die haar bij 't sluiten van den bek geheel
omvat. Beide kaken zijn bezet met kegelvormige, wortellooze tanden,
welker aantal aan veel afwisseling onderhevig is, daar er op lateren
leeftijd verscheidene uitvallen en andere door het tandvleesch bijna
geheel overdekt worden. Betrekkelijk groote tanden komen alleen in de
onderkaak voor, ten getale van 39 à 52; in de eene onderkaakshelft
zijn er meer dan in de andere. De schedelhelften zijn zeer ongelijk
ontwikkeld (evenals bij de leden van de vorige familie); bovendien
zijn de buitengewoon logge gedaante en het behouden van dezelfde dikte
van voren tot achteren zeer opmerkelijke eigenaardigheden van dezen
kop. Onder de verscheidene cM. dikke speklaag van den kop breiden zich
bindweefsellagen uit, die een groote ruimte bedekken, welke door een
loodrechten wand verdeeld is in twee door verscheidene openingen met
elkander in gemeenschap staande kamers. De geheele ruimte is gevuld
met een olieachtige, heldere massa, _spermaceti_ of _walschot_; dit
vet bevindt zich bovendien nog in een buis, welke zich van den kop
tot aan den staart uitstrekt, en in vele kleine in het vleesch en het
spek verstrooide zakjes. Het vleesch is hard en grofvezelig en met
vele dikke en stijve bindweefselstrengen doorvlochten. Het is bedekt
met een speklaag van verschillende dikte en hierover breidt zich de
kale, bijna volkomen gladde, glanzige huid uit; deze heeft een dof
zwarte of zeer donkerbruine kleur, die aan den staart en de onderkaak
op sommige plaatsen lichter is; bij zeer oude exemplaren is ook de
bovenzijde van den kop lichter van kleur. De tong is met haar geheele
onderzijde aan den bodem van de onderkaak vastgegroeid. De maag is
in vier afdeelingen verdeeld. Bovendien verdient nog de eigenaardige
urineblaas vermelding. Zij is gevuld met een donkere, oranjekleurige,
olieachtige vloeistof; soms bevinden zich hierin bolvormige kluiten
van 8 à 30 cM. middellijn en 6 à 10 KG. gewicht, waarschijnlijk
ziekelijke producten, te vergelijken met de blaassteenen van andere
dieren; dit is de bekende, buitengewoon hooggeschatte _grijze amber_
(het _ambergrijs_).
De Potvisch is bijna een wereldburger. Alle zeeën der aarde, met
uitzondering van de IJszeeën en de hieraan grenzende afdeelingen van
den Oceaan, dienen hem tot woonplaats. Als het eigenlijke gebied van
den Potvisch moet men, volgens Pechuel-Loesche, de zeeën tusschen 40°
N.B. en 60° Z.B. beschouwen; van hieruit trekt hij op onregelmatige
wijze noordwaarts en zuidwaarts tot aan den 50en breedtegraad en
soms verder; hij volgt hierbij de warme stroomingen. Alle exemplaren
evenwel, die op 55 à 60° N. of Z.B. en op nog grooteren afstand
van den evenaar waargenomen zijn, moeten als afgedwaald beschouwd
worden. Troepen of kudden, zoogenaamde "scholen", van deze dieren
heeft voorzeker geen ervaren en betrouwbare walvischvanger in deze
gedeelten van de zee ooit gezien.
Op gelijke wijze als de Dolfijnen in zeer verschillend aantal tot nauw
aaneengesloten scholen vereenigd, doorkruisen deze reusachtige dieren
de zee, welker diepste gedeelten zij uitzoeken. Gaarne houden zij
zich op in de nabijheid van steile kusten; angstvallig vermijden zij
echter de voor hen zoo gevaarlijke ondiepten, hoewel zij ook hier af
en toe zich vertoonen. Meestal bestaat een school uit 20 à 30 leden;
in sommige tijden echter vereenigen zich verscheidene van deze troepen
en trekken dan bij honderden gemeenschappelijk verder.
De Potvisch staat door de snelheid van zijne bewegingen niet ver
achter bij de snelste leden zijner orde. Reeds wanneer hij bedaard
voortzwemt, legt hij 3 à 6 zeemijlen in het uur af; in opgewonden
toestand doorklieft hij echter de golven met de snelheid van een
stoomschip. Reeds van verre herkent men hem aan zijne bewegingen. In
kalme gemoedsstemming glijdt hij onder den waterspiegel voort, zonder
deze in hevige beroering te brengen; zijn snellere verplaatsing
gaat gepaard met zulke hevige, boven- en benedenwaartsche slagen
met den staart, dat zijn kop op 't eene oogenblik diep onderzinkt,
op 't andere zich ver boven 't water verheft. Niet zelden neemt
hij een loodrechten stand in 't water aan, zoodat nu eens de kop,
dan weer de staartvin zich ver boven de oppervlakte verheft, een
verschijnsel dat bij de meeste andere Cetaceën niet voorkomt. Bij 't
spelen steekt hij soms de eene, soms de andere borstvin in de lucht,
en slaat vervolgens met groote kracht op het water of beukt dit met
den staart, zoodat men het geluid op een grooten afstand hoort; er
worden dan kolossale, witte watermassa's opgeworpen, die op heldere
dagen wel 10 zeemijlen ver zichtbaar zijn, en als een goed voorteeken
worden beschouwd door ervaren walvischvangers. Bij windstilte liggen
de Potvisschen niet zelden volkomen onbeweeglijk in het water, en
laten zich door de deining schommelen. Soms steken zij, terwijl zij
in 't water overeind gaan staan, den kop op komische wijze er boven
uit. Men zou ze dan kunnen aanzien voor den uiteinden van verbazend
groote boomstammen of voor de halzen van ontzaglijk wijde flesschen,
die met de golven zachtjes op en neder wiegelen.
Verschillende soorten van Koppootige Weekdieren maken hoofdzakelijk het
voedsel van den Potvisch uit. Kleine Visschen, die toevallig in zijn
grooten muil verdwaald raken, worden natuurlijk meteen doorgeslikt; de
Cachelot maakt echter geen jacht op hen. De zeelieden uit vroegeren
tijd verhaalden, dat hij ook Haaien, Robben, Dolfijnen en zelfs
Walvisschen aanvalt; nauwgezette onderzoekers uit lateren tijd hebben
echter nooit iets van dien aard opgemerkt. Wel zegt men, dat hij soms
plantaardig voedsel gebruikt, althans velerlei boomvruchten verslindt,
die door de rivieren naar zee gevoerd zijn.
In alle tijden van het jaar heeft men moeders met zuigende jongen
aangetroffen. De pasgeboren Potvisschen hebben ongeveer het vierde
deel van de grootte van het oude wijfje en zwemmen vroolijk naast
haar. Bij 't zoogen gaat de moeder, naar men zegt, op zijde liggen
en laat het jong den tepel met den mondhoek, maar niet met den top
van de kaak aanvatten.
Op den Potvisch werd reeds in den ouden tijd jacht gemaakt;
in navolging van de Amerikanen leggen de walvischvangers zich
sedert het einde van de 17e eeuw met bijzonderen ijver op de
cachelottenvangst toe. Sedert het begin van onze eeuw is de Zuidzee hun
voornaamste jachtgrond; de jagers zijn bijna uitsluitend Engelschen
en Noord-Amerikanen. In de jaren 1820-1830 zijn door Engelsche
walvischvangers 45.933, gemiddeld per jaar dus bijna 4600 ton walschot
buitgemaakt; in de jaren 1831 en 1832 steeg de opbrengst tot 7605
en 7165 ton. Sedert ongeveer een menschenleeftijd is het voordeel,
dat de potvischvangst oplevert, aanmerkelijk verminderd. Van een
volwassen mannelijken Potvisch verkrijgt men 30 à 120 vaten traan;
de waarde van zulk een exemplaar wisselt wegens de buitengewoon
groote variatie van den prijs der traan en der andere producten,
ongeveer tusschen 5400 en 12000 gulden af; de veel kleinere wijfjes
zijn niet half zoo veel waard.
De jacht op den Cachelot is met grootere gevaren verbonden dan de
vangst van andere Cetaceën. Slechts bij uitzondering tracht een
Walvisch of een Vinvisch zijn vermetelen vijand kwaad te doen; de
Potvisch echter zal, als hij aangevallen wordt, zich verdedigen,
moedig op zijn vijand afgaan en als wapen niet alleen zijn staart,
maar ook zijn vreeselijk gebit gebruiken. Uit een aantal feiten
blijkt, dat hij werkelijk zich ook met de tanden verdedigt. Er zijn
alleenlevende oude mannetjes gedood, welker onderkaak geheel verminkt
was; blijkbaar hadden deze vroeger een strijd met hunne soortgenooten
of met een nog onbekenden Leviathan der diepte gevoerd. Bovendien weten
de walvischvangers door noodlottige ervaringen, dat de vertoornde
Potvisch niet slechts met de kop tegen de booten aanrent of ze
met den staart stuk slaat, maar ze ook wel in den bek neemt en met
gemak vergruist. Dat hij in dit geval zijn met groote tanden bezette
onderkaak van de bovenkaak kan doen afwijken, totdat beide een rechten
hoek met elkander vormen, is overtuigend gebleken; ook zijwaarts kan
hij haar opmerkelijk ver bewegen. Als hij getroffen wordt, blijft hij
soms eenige oogenblikken als verlamd in het water liggen; dit geeft
den opmerkzamen walvischvanger de gelegenheid, om hem schielijk af
te maken; in den regel echter verdedigt hij zijn leven met wanhopigen
moed, beantwoordt den tegen hem gerichten aanval met woede en boosheid
en zoekt volstrekt niet altijd zijn heil in de vlucht. Alle ervaren
zeelieden weten te verhalen van ongelukken, die door den Cachelot
veroorzaakt zijn; het is wel mogelijk, dat sommige van deze verhalen
opgesierd of zelfs geheel verzonnen zijn, van andere echter is de
waarheid ontwijfelbaar en wordt door authentieke bescheiden gestaafd.
Het schip "Nantucket" werd in het jaar 1807 niet ver van de kust van
Massachusetts door een Potvisch geheel wrak gestooten.--In het jaar
1820 maakten de booten van het schip "Essex" in de Zuidzee jacht
op een school Potvischen, terwijl het schip met gereefde zeilen hen
volgde. Opeens kwam niet ver van het schip een reusachtige mannelijke
Potvisch boven; deze zwom op zijn gemak voort in een richting loodrecht
aan die van het schip, ging er onder door en stiet intusschen, bloot
toevallig naar men meende, tegen den romp. De bemanning gevoelde
een hevigen schok en bemerkte spoedig, dat er een lek was ontstaan;
ook de Potvisch scheen zwaar gekwetst te zijn, want hij wentelde
zich, alsof hij razend was, in 't water om; weldra echter kwam hij
weer bij en verwijderde zich--zoo dachten althans de manschappen,
die aan de pompen werkten. Op een afstand van 100 vademen zag men
echter den Potvisch plotseling tot stilstand komen, rechtsomkeert
maken en woedend op het schip losschieten; hij trof het aan den
voorsteven en vernielde het zoo zeer, dat het onmiddellijk begon
te zinken.--Verscheidene oude dieren van deze soort zijn wegens
hun strijdlust aan de walvischvangers goed bekend en hebben als
"vechtende" of "bijtende Walvisschen" een zekeren roem verworven,
zooals b.v. "Nieuw-Zeelandsche Tom", een reusachtige Cachelot, die zijn
naam ontleent aan het deel van den Oceaan, waar hij zich bij voorkeur
ophoudt. Men zegt, dat hij door de ervaring zoo schrander geworden is,
dat hij iederen aanval voorkomt en de booten stukslaat of stukbijt,
als zij niet tijdig zijn vaarwater verlaten. De schepen zelf laat hij
echter met vrede. In liederen en verhalen wordt zijn roem verkondigd;
naar men beweert, steekt zijn rug zóó vol harpoenen, dat hij op dien
van een Stekelvarken gelijkt.--Uit het zooeven gezegde blijkt, dat
men den Potvisch als den flinksten en edelsten van alle Cetaceën mag
aanmerken; hij is het type van een echt zeemonster.
De groote gevaren, die de potvischjagers bedreigen, worden
ternauwernood opgewogen door de winst, die zij hopen te behalen, hoe
groot deze ook is. Behalve het spek, dat een zeer goede traansoort
oplevert, worden van den Potvisch ook nog _spermaceti (walschot)_
en ambergrijs verkregen. De doorzichtige en bijna kleurlooze
spermaceti-olie, die uit de holten van den kop geschept wordt,
is aanvankelijk vloeibaar, n.l. zoolang zij nog de temperatuur van
het levende dier heeft. Bij bekoeling scheiden zich uit deze olie
plaatvormige, paarlmoer-glanzige kristallen van een vast vet af,
waardoor zij weldra tot een witte massa stolt; hieruit wordt door
persen en omsmelten het nog overige vloeibare vet verwijderd. Het
zuivere walschot bestaat uit een eigenaardige vetsoort (cetine)
en bevat ook een kleine hoeveelheid cetyl-alcohol; het smelt bij
45° C. Het wordt gebruikt voor de bereiding van pleisters, zalven,
blanketsel, lippenpommade enz., verder voor het vervaardigen van zuiver
witte kaarsen, die als luxe-artikel vooral in Engeland aftrek vinden
en ook bij photometrische onderzoekingen te pas komen, eindelijk ook
voor het appreteeren van linnen garen. De prijs in den groothandel
was in 1895 per K.G. f 2.10. Een gewone Cachelot levert 12 ton ruwe
spermaceti. Kostbaarder nog is de _ambra_ (het _ambergrijs_); de
prijs van dit artikel stijgt voortdurend en bedroeg in 1891 f 4200
per K.G. Over den oorsprong van deze stof zijn sedert overouden
tijd vele vermoedens geuit, totdat men haar als een product van den
Potvisch leerde kennen: zij is een lichte, wasachtige, ondoorzichtige,
brokkelige massa, meestal grijsbruin of lichtgrijs met lichte en
donkere aders en vlekken; bij 't kneden tusschen de vingers wordt zij
week; zij smelt bij 60° C. Bij verwarming verbreidt zij een aangenamen,
eenigszins aan benzoë en in de verte aan muskus herinnerenden geur,
daar zij nevens het bij hooge temperatuur vluchtige ambra-vet de
gemakkelijker verdampende ambra-olie (hoogstens 13 percent) bevat. In
het Oosten wordt zij voor berookingen, in Frankrijk, opgelost in
alcohol en gemengd met andere welriekende oliën, voor het bereiden van
reukwaters en het parfumeeren van zeep gebruikt. Veelvuldiger dan uit
het lichaam van den Potvisch vischt men het ambergrijs uit zee op (bij
Java, Madagaskar, Suriname enz.). Het is aan geen twijfel onderhevig,
dat men werkelijk stukken van 90 KG. gewicht, 1.5 M. lengte en meer
dan 0.5 M. dikte in de zee drijvend heeft gevonden; meestal vindt
men echter kleinere stukken.--Bovendien worden ook nog de _tanden_
van den Cachelot gebruikt, n.l. in plaats van ivoor. Zij zijn van
binnen eenigszins geelachtig, maar bestaan uit een zeer dichte,
vaste en duurzame stof; men maakt er dikwijls knoopen en fiches
van. De prijs per KG. bedraagt f 3 à f 4.80.