ook op de reuzen der zee; zij zijn niet alleen de grootste, maar ook
de roofgierigste en vraatzuchtigste van alle Dolfijnen. Reeds Plinius
noemt den Zwaardvisch een gevaarlijk roofdier. Vele schrijvers uit
lateren tijd maken vooral gewag van zijn strijd met den Walvisch,
"wien hij," zegt o. a. Steller, "dag en nacht lagen legt. Als de
Walvisch zich in een baai verbergt, loeren de Zwaardvisschen op
hem; zij wachten de komst van een voldoend aantal makkers af, om
hem als een gevangene in hun midden te nemen en onder ontzettend
geschreeuw en gesteun naar de zee te brengen, waar zij onderduiken
en hem met hun vreeselijk gebit te lijf gaan." Drie of vier van deze
vraatzuchtige roovers vallen zonder aarzeling zelfs den grootsten
Walvisch aan, die door 't zien van zijne vreeselijkste vijanden als
't ware verlamd schijnt en zich soms ternauwernood inspant om hun te
ontkomen. "De kamp van deze Wolven van den Oceaan," zegt Scammon,
"met zulk een reusachtigen buit herinnert aan den strijd tusschen
een troep jachthonden en een door de vervolging afgemat Hert. Eenige
hechten zich aan den kop van den Walvisch, andere vallen hem van
onderen aan, terwijl verscheidene hem bij de lippen aanpakken en
onder water houden, of hem, als hij den ontzaglijken bek opent, de
tong verscheuren. In de lente van het jaar 1858 was ik ooggetuige
van een strijd van drie Zwaardvisschen met een vrouwelijken Grijzen
Walvisch en haar jong. Het jong was reeds driemaal zoo groot als de
grootste van zijne vijanden en werd minstens een uur lang door hen
bestookt. De kwaadaardige roovers vielen beurtelings de moeder en
haar jong aan; zij doodden eindelijk het kind, dat op den bodem zonk,
die hier ongeveer 5 vademen diep was. Ook de kracht van de moeder
was nagenoeg uitgeput door het gevecht, waarin haar verscheidene
diepe wonden aan de borst en aan de lippen waren toegebracht. Toen
echter het jong bezweken was, doken de Zwaardvisschen naar den bodem
om hun slachtoffer te verscheuren; zij keerden naar den waterspiegel
terug met groote stukken vleesch om deze hier te verslinden. Terwijl
zij dit deden, ontkwam de beangste moeder, die op den door haar
gevolgden weg een bloedig spoor achterliet."--Terecht duidt Linnaeus
den Zwaardvisch aan met den naam: "Tiran en pijniger van de Walvisschen
en Robben." De Haaien en alle andere Zee-roofdieren staan in roofzucht
bij hem achter. Hij is de schrik van alle waterbewoners, die elk oord,
waar hij verschijnt, ten spoedigste verlaten, voor zoover dit nog
mogelijk is. Zijn vraatzucht noodzaakt hem dikwijls zich dicht bij
de kust op te houden; vooral de monden der rivieren, waar het water
zeer vischrijk is, lokken hem aan. Bij het vervolgen van een grootere
prooi zwemt hij echter ook wel mijlen ver zeewaarts; het duurt dan
dagen en misschien zelfs weken, voordat hij weer in de nabijheid van
het land komt. Waar Groenlandsche Walvisschen, Beloega's en Zeehonden
zijn, zal men stellig ook den Zwaardvisch, hun rusteloozen vijand,
aantreffen. De Beloega zoowel als de zeehond spoeden zich vol angst
naar de kust, zoodra zij hem ontwaren: de eerste gaat op deze wijze
in den regel zijn verderf te gemoet; ook de laatste vindt bij de kust
niet altijd de gezochte uitkomst. Alle walvischvangers zien met leede
oogen den Zwaardvisch naderen, daar zijn jachtgebied door iederen
Walvisch gemeden wordt, al zou deze zich tusschen het ijs moeten
verbergen om de hem dreigende vervolging te ontgaan. Eschricht vond
in de maag van een Zwaardvisch van 5 M. lengte 13 Bruinvisschen en
14 Robben, en in zijn bek een vijftienden Rob, die de oorzaak was
geweest van zijn dood, daar hij hem niet had kunnen verzwelgen. Ook
Scammon vond de maag van een door hem gedooden Zwaardvisch met jonge
Zeehonden gevuld. Hij kon opmerken, dat zelfs de grootste Zeeleeuwen
een ontmoeting met dit roofdier vermijden, en, zoolang het in 't
gezicht is, hunne veilige schuilplaatsen op de rotsen niet verlaten.
Op dit dier wordt nergens geregeld jacht gemaakt. Voordeel levert
deze jacht niet op.
De Bruinvisch, de kleinste van alle Dolfijnen van ons werelddeel,
de eenige die geregeld de Noordzee en de Oostzee bewoont, is een
vertegenwoordiger van het niet zeer soortenrijke geslacht van dien naam
(_Phocaena_); het is gekenmerkt door een kort, spoelvormig lichaam,
een zacht afhellend voorhoofd, een driehoekige, op het midden van het
lichaam gezeten rugvin van geringe hoogte en breede basis en een uit
talrijke, scherpkantige tanden samengesteld gebit.
De _Bruinvisch_, door de Duitschers _Meerschwein_ (Zeevarken), door
de Franschen _Marsouin_, door de Engelschen _Porpoise_ of _Seapig_
genoemd, (_Phocaena communis_), bereikt een lengte van 1.5 à 2, in
zeldzame gevallen van 3 M. De kale huid is zacht, glanzig; de kleur
van de bovendeelen is zwartbruin, ook wel zwart met een groenachtige
of paarsche tint; de zuiver witte kleur van de onderdeelen begint
bij de spits van de onderkaak als een smalle strook, die zich
verder achterwaarts verbreedt; de borstvinnen zijn meer of minder
donkerbruin. Elke kaakhelft bevat 20 à 25 tanden met zijdelings
samengedrukte en nagelvormig verbreede kroon.
Bruinvisschen ontmoet men op iedere reis in de Noordzee of
Zuiderzee. Bij troepen treft men ze aan voor de monden der rivieren;
niet zelden zwemmen zij deze op en komen zoo op grooten afstand van
de zee. "Zoo werd er," zegt Schlegel, "één in de Seine bij Parijs
gevangen, twee anderen in 1825 in de Elbe in het hertogdom Dessau;
een voorwerp, hetwelk een vijftigtal jaren geleden, waarschijnlijk
door de sluis van Katwijk, in den boezem van Rijnland doorgedrongen
was, werd gedurende een maand, dan eens in het Haarlemmermeer en
de rondomliggende wateren, dan eens in de grachten der stad Leiden
gezien en eindelijk gevangen."
Het eigenlijke verbreidingsgebied van den Bruinvisch omvat het geheele
noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan, van Groenland tot
Noord-Afrika. Ook hij begeeft zich, naar het schijnt, in het begin
van den zomer noordwaarts, om, als de winter nadert, weder zuidwaarts
te trekken. In de lente gaat hij de Haringen achterna; hij vervolgt
ze met zulk een ijver, dat de visschers hem in hooge mate lastig
vinden. Zijn vraatzucht is spreekwoordelijk; zijn buitengewoon snelle
spijsvertering maakt het gebruik van een groote hoeveelheid voedsel
noodig. De visschers houden niet van hem, omdat hij hun concurrentie
aandoet en dikwijls ook hunne bezittingen beschadigd: zonder moeite
verscheurt hij de met visch gevulde, dunne netten en vreet op zijn
gemak de gevangenen op. Sterkere netten worden trouwens noodlottig
voor hem, daar hij er in blijft steken en hierdoor stikt.
Zooals reeds uit het zooeven gezegde afgeleid kan worden, behoort de
Bruinvisch tot de weinige Cetaceën, die duidelijk de voorkeur geven
aan het water langs de kust boven de open zee. Hoewel deze dieren
gezellig zijn, evenals alle Dolfijnen, vereenigen zij zich echter
zelden tot groote scholen; liever zwemmen zij ieder afzonderlijk
of bij paren, ook wel in kleine gezelschappen van 2 à 8 stuks. De
Hollandsche zeeman noemt een troep dezer dieren: "de boer met zijne
varkens." De Bruinvisch is een uitstekend zwemmer; met groote kracht en
bewonderenswaardige snelheid klieft hij de golven; ook kan hij boven
het water uitspringen. In al deze opzichten moet hij echter voor de
overige Dolfijnen onderdoen; hij houdt zich althans niet zoo dikwijls
bezig met de lichaamsoefeningen, waarmede de andere Dolfijnen zich
vermaken, als zij met elkander spelen. Buitengewoon druk zijn zijne
bewegingen vóór of gedurende een storm: hij duikelt of hobbelt dan,
schijnbaar opgewonden van blijdschap in en over de rollende golven,
buitelt over den kop en wordt dan in den letterlijken zin van het
woord een "tuimelaar." [Deze naam, die wij tot aanduiding van een
andere diersoort zullen bezigen wordt dikwijls aan den Bruinvisch
of hem verwante vormen gegeven.] Zelfs de hevigste branding levert
voor hem geen bezwaar op; veeleer zoekt hij deze met duidelijk in
't oogvallende voorkeur op; behendig weet hij te ontkomen aan alle
gevaren, die de andere Cetaceën op de kust loopen en die dikwijls voor
hen zoo noodlottig worden. Hij volgt ook de stoombooten na, in welker
nabijheid hij zich echter niet zoo indringerig en volkomen onbevreesd
beweegt als bij de stiller voortglijdende zeilschepen. Steeds ziet
men hem de gewone koopvaardijschepen bijgeleiden, zoolang deze zich
in de nabijheid van de kust bevinden.
Martens, die als barbier op een walvischvaarder in het jaar 1671
Spitsbergen bezocht en mededeelingen heeft gedaan over dieren, welke
de noordelijke zeeën bewonen, is de eerste schrijver, die melding
maakt van een der meest in 't oog vallende Dolfijnen: de _Witvisch_
of _Beloega_, een vertegenwoordiger van het geslacht der _Witvisschen_
(_Beluga_). Als het belangrijkste kenteeken van de dieren dezer groep,
kan men het ontbreken van een rugvin beschouwen. Het sterk gewelfde
voorhoofd is loodrecht geplaatst ten opzichte van den breeden,
afgeknotten snuit, welks kaken gewapend zijn met een gering aantal
kegelvormige, op lateren leeftijd meestal uitvallende tanden. De
korte en stompe borstvinnen, die aan het eerste vierde gedeelte van
het dier aangehecht zijn, hebben een eivormige gedaante.
De _Beloega_ of _Witvisch_ (_Beluga leucas_) wordt 4 à 6 M. lang. De
kleur van de oude dieren is geelachtig wit, die van de jongen
bruinachtig of blauwachtig grijs, later met lichter gekleurde vlekken
geteekend, welke zich uitbreiden, totdat de kleur gelijk geworden is
aan die der oude dieren.
Het verbreidingsgebied van den Beloega omvat alle zeeën, die de
Noordpool omgeven, maar strekt zich niet ver zuidwaarts uit. Soms,
doch zelden, dwaalt hij naar zuidelijker breedten af; ook aan de kusten
van Middel-Europa is hij reeds eenige malen waargenomen. Zijn voedsel
bestaat uit kleine Visschen, Schaaldieren en Koppootige Weekdieren;
bovendien vindt men geregeld ook zand in zijn maag; hierom zeggen
de Groenlanders schertsenderwijs: "dat hij zonder ballast niet
zwemmen kan."
De Beloega verschilt door zijne bewegingen en zijn voorkomen
in allerlei opzichten van de onstuimige Zwaardvisschen en van de
Bruinvisschen. Bijna nooit ziet men de dieren van deze soort alleen;
in den regel zijn zij tot gezelschappen vereenigd, die tot ontzaglijke
scholen kunnen aangroeien. Zulk een kudde moet een prachtig schouwspel
opleveren, daar de schitterend witte dieren bij 't ademhalen soms de
helft van het lichaam boven de donkere golven opheffen.
De walvischvangers zien den Beloega gaarne, omdat zij hem beschouwen
als een voorlooper van den grooten Walvisch; daarom zeilen zij
dikwijls in zijn gezelschap verder, zonder hem lastig te vallen. In
dit geval komt hij vaak bij het schip en speelt hier in de golven,
afwisselend er onder en er boven; altijd echter blijft hij schuw,
en vlucht bij het geringste gedruisch. De voornaamste reden, die de
Walvischvangers doet afzien van de jacht, op dit dier, welks vangst
een niet te versmaden voordeel zou opleveren, is eigenlijk, dat het
door zijn vlugheid en behendigheid aan een vervolging in de open zee
dikwijls weet te ontkomen, en dat bovendien deze jacht te veel tijd
vereischt, om voor de Europeanen de moeite waard te zijn. Anders is
het gesteld met de inboorlingen van het hooge noorden; voor hen is de
Beloega, wegens zijn traan en zijn vleesch een van de belangrijkste
Cetaceën. De meeste worden gevangen met behulp van netten, die aan den
ingang van de fjorden of zeeboezems of in de zeeëngten tusschen de
eilanden worden geplaatst. De borstvinnen en de staartvin worden na
goede toebereiding als een buitengewone lekkernij beschouwd. De huid
wordt gedroogd en gelooid en voor velerlei doeleinden gebruikt. Zoo
maken de Kamtschadalen er riemen van, die wegens hunne zachtheid en
stevigheid zeer geroemd zijn.
Van alle geschenken der zee is er geen van meer belang voor de
bewoners der noordelijke gewesten dan dat, hetwelk zij hun aanbiedt,
in den vorm van den Dolfijn, die op de Fär-öer bekend is onder den
naam van _Grind_ of _Grindewal_ (_Globiocephalus melas_). Dit dier
is een vertegenwoordiger van het geslacht der _Rondkopdolfijnen_
(_Globiocephalus_), dat gekenmerkt is door den werkelijk nagenoeg
bolvormigen, als 't ware opgezwollen kop, door de ver naar achteren
aangehechte, sikkelvormige borstvinnen, door de op 't midden van 't
lichaam zich verheffende rugvin, door de beide tusschenkaaksbeenderen
die de bovenkaak bedekken. De romp is niet spoelvormig, maar zijdelings
samengedrukt. In elke helft van iedere kaak bevinden zich 12 à 14
dikke en tamelijk lange, over 't geheel genomen kegelvormige tanden,
die tamelijk groote tusschenruimten overlaten; de kroon eindigt in een
scherpe spits en is een weinig naar binnen en naar achteren gebogen;
bij gesloten bek passen de tanden van de eene kaak in de ruimten
tusschen die van de andere. Daar vele tanden op lateren leeftijd
uitvallen, vindt men er meestal in iedere kaakhelft niet meer dan 9,
die tot de voorzijde van den bek beperkt zijn. De kale en glanzige
huid is aan de bovendeelen donkerzwart, aan de onderdeelen grijsachtig
zwart; aan de onderzijde van den hals bevindt zich een breede, witte,
hartvormige vlek. Zeer oude mannetjes bereiken een lengte van 6 à 7 M.
De Grind is eigenlijk een bewoner van de Noordelijke IJszee en van het
noordelijke deel van den Stillen Oceaan. Van de IJszee uit begeeft
hij zich vaak naar het noordelijke gedeelte van den Atlantischen
Oceaan en komt soms zelfs op de breedte van de straat van Gibraltar;
hierbij volgt hij echter niet, evenals de andere Cetaceën, bepaalde
wegen. Gezelliger dan de andere leden van hun familie en van hun orde,
zijn deze dieren steeds tot troepen vereenigd, die van 10 à 20 tot meer
dan duizend exemplaren kunnen aangroeien; deze scholen worden steeds
door oude, ervaren mannetjes aangevoerd, die door hunne metgezellen
met dezelfde onverschilligheid, of liever onnadenkendheid gevolgd
worden, als de belhamel door zijne Schapen, al zouden zij hierdoor
ook hun verderf tegemoet gaan.
Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit verschillende soorten van
Koppootige Weekdieren (Inktvisschen); in de maag van het gedoode dier
heeft men echter ook wel Dorschen, Haringen en andere kleine Visschen,
Weekdieren van allerlei klassen en dergelijken buit gevonden.
Geen enkele andere Cetacee wordt zoo dikwijls, en bij zoovele
exemplaren tegelijk, op het strand geworpen als de Grind, wiens lust
tot gezelligheid hem op gevaarlijke plaatsen in den regel noodlottig
wordt; misschien is het geen overdrijving te zeggen, dat deze diersoort
niet in de zee, maar op het land zijn leven besluit. Er gaat bijna geen
jaar voorbij, waarin niet een meer of minder groot aantal Grinden hier
of daar stranden. In het jaar 1779 verongelukte een kudde van 200, in
1805 een van 300 stuks op de Shetlandsche eilanden; in de jaren 1809
en 1810 werden 1100 exemplaren in een zeeboezem van IJsland, die men
naar de Grinden Walfjord genoemd heeft, op den oever geworpen. Ook op
onze kusten gebeurt dit soms. "Het laatste voorbeeld van dezen aard,"
zegt Schlegel, "had den 9den April 1825 in de Zeeuwsche stroomen
bij St. Annaland plaats, waar er tegelijk 35 stuks gedood werden,
van welke het grootste een lengte van 20 voet had. Verscheidene van
deze voorwerpen werden toen voor het Rijks-Museum van Natuurlijke
Historie aangekocht, waar zij zich nog bevinden."
Op alle noordelijke eilanden tracht men reeds sinds overouden tijd
het stranden van de Grinden, die zich in de nabijheid van de kust
ophouden, te bevorderen. Graba beschrijft de vangst van den Grindewal
op de Fär-öer op een even duidelijke als aangename wijze.
"Den 2en Juli," zoo verhaalt hij, "weerklonk plotseling van alle zijden
het luid geroep "Grindaboed". Dit geschreeuw geeft te kennen, dat een
der op zee aanwezige booten een troep Grindewalen ontdekt heeft. In
een oogwenk was geheel Thorshaven in beweging; alle kelen herhaalden
"Grindaboed"; de hoop dat men weldra weer aan een stuk grindevleesch
zal smullen, veroorzaakte een algemeen gejubel. De menschen renden
met zooveel haast door de straten, alsof er een landing van de Turken
te vreezen was. Hier liepen er eenige naar de booten, daar kwamen
andere met walvischmessen aandragen; ginds draafde een vrouw haar man
achterna met een stuk gedroogd vleesch, dat zij hem als leeftocht wilde
medegeven; kinderen werden omvergeloopen en uit puren ijver viel een
van de visschers uit zijn boot in zee. In den tijd van tien minuten
waren elf achtmansbooten gereed en stieten van wal; de pijjakkers
werden uitgetrokken en de roeiriemen met zooveel ijver gehanteerd,
dat de vaartuigen als pijlen vooruitschoten. Wij begaven ons naar den
ambtman, wiens booten en manschappen gereed waren om te vertrekken;
vooraf gingen wij met hem op de schans om van hier te zien waar de
Grindewalen zich bevonden. Door onzen verrekijker ontdekten wij
de beide booten, die "Grinaboed" aangekondigd hadden. Nu verhief
zich bij het naastbijgelegen dorp een hooge rookkolom; onmiddellijk
daarna verscheen er ook een op een naburigen berg; overal zag men
vuursignalen; naar alle plaatsen in de buurt werden boden gezonden;
het fjord wemelde van vaartuigen. Wij gingen aan boord van het jacht
van den ambtman en hadden weldra de overige ingehaald. Nu zagen wij den
troep Grinden, die door de in een halven kring geschaarde booten van
de open zee afgesloten werd. De op deze wijze omsingelde zeedieren,
werden door 20 à 30 booten, waarbij wij ons hadden aangesloten,
en waarvan de eene ongeveer 100 schreden van de eerstvolgende
verwijderd was, langzaam in de richting van de baai van Thorshaven
voortgedreven. Ongeveer het vierde gedeelte van alle Grinden was
zichtbaar; nu eens kwam een kop boven water en spoot zijn waterstraal
(?) uit, dan weer kreeg men den hoogen rugvin te zien, later weer
het geheele bovenlijf. Als de dieren aanstalten maakten om onder de
vaartuigen door te zwemmen, werden steenen en stukken lood, aan touwen
bevestigd, in 't water geworpen; als zij snel vooruitstoven, werd er
uit alle macht geroeid, zoodat zelfs sommige roeiriemen braken. Toen
de Grinden dicht bij den mond van de haven waren en niet gemakkelijk
meer ontsnappen konden, begaven wij ons naar de stad. Het strand
wemelde van menschen, die de vermakelijke eindscène van de jacht,
het dooden van den buit, aanschouwen wilden. Wij kozen een goede
standplaats uit, van waar wij alles van nabij konden zien.
"Hoe nader de Grinden bij de haven en het land kwamen, des te
onrustiger werden zij; tot een hoop dicht opeengedrongen, gaven
zij weinig acht meer op het werpen met steenen en het slaan met de
roeiriemen. Steeds dichter werd de kring der booten om de ongelukkige
slachtoffers, steeds langzamer trokken zij, het gevaar bevroedend, de
haven binnen; thans, in de Westervaag gekomen, die slechts ongeveer 250
schreden breed en dubbel zoo lang is, wilden zij zich niet meer als een
kudde Schapen laten drijven en maakten aanstalten om om te keeren. Nu
naakte het beslissend oogenblik. Bezorgdheid, hoop, moordlust stonden
te lezen op de gelaatstrekken van alle Färingers. Zij lieten een
woest geschreeuw hooren; alle booten snelden op den troep toe; de
manschappen staken met hunne breede harpoenen naar de dieren, die niet
dicht genoeg bij de booten waren om deze door een slag met den staart
te kunnen beschadigen. De gewonde dieren spoedden zich met vreeselijke
snelheid voort; de geheele troep volgde hen na en liep op het strand.
"Nu begon een angstwekkend tooneel. Alle booten schoten achter de
Grinden aan en voeren in 't wilde weg tusschen hen in, terwijl de
manschappen dapper in 't rond staken. De menschen, die aan land
stonden, gingen tot aan de oksels in 't water op de gewonde dieren
af en sloegen hen ijzeren haken, waaraan een touw gebonden was, in
't lijf of in de blaasgaten; 3 of 4 mannen trokken daarna den Grind
geheel op het land en sneden hem de keel tot aan de rugwervels door. In
zijn doodstrijd beukte het stervende dier de zee met zijn staart,
zoodat het water ver in 't rond spatte; het vroeger kristalheldere
water van de haven had een bloedroode kleur aangenomen; bloedstralen
werden uit de blaasgaten opgespoten. De bloedige arbeid wond de
Färingers tot woede en vermetelheid op. Ten naastenbij 30 booten,
300 menschen, 80 doode of nog levende Grinden bevonden zich op een
ruimte van weinige vierkante roeden bijeen. Geschreeuw en geraas
overal. De met bloed bevlekte kleederen, aangezichten en handen,
deden de in werkelijkheid zoo goedaardige Färingers op de kannibalen
van een Zuidzee-eiland gelijken; geen spoor van medelijden toonden
zij bij deze afschuwelijke slachting. Toen een man door een slag
met den staart van een stervenden Grind neergeveld en een boot aan
stukken geslagen was, werd het laatste gedeelte van dit treurspel
met meer voorzichtigheid afgespeeld. 80 gedoode Grinden bedekten het
strand; geen enkele was ontkomen. Zoodra het water door het bloed der
gekwetste dieren gekleurd en door de stuiptrekkende staartbewegingen
der stervenden troebel geworden is, kunnen de nog levende dieren zich
niet meer redden en draaien als 't ware in een kring rond. Wanneer
er al toevallig een naar het heldere water ontsnapt, keert hij toch
dadelijk naar zijne kameraads in den bloederigen poel terug.
"Na een rusttijd van een uur werden de gedoode Grinden naast elkander
gelegd, gewaardeerd en voorzien met een in de huid ingesneden merk in
Romeinsche cijfers, dat hun grootte aangeeft. De verdeeling van den
buit heeft plaats naar evenredigheid van het grondbezit en geschiedt
reeds sedert onheugelijke tijden op deze wijze.
"Nadat het aandeel van iedere boot in de vangst bepaald was, werden de
dieren afgehouwen. Eerst snijdt men hun de vinnen af en het lichaam
midden door. Nu wordt het spek in breede strooken en vervolgens
het vleesch in stukken losgemaakt. De lever, het hart en de nieren,
die volgens de Färingers de smakelijkste stukken zijn, worden uit de
lichaamsholte genomen; ten slotte keert men den romp om en behandelt
de andere zijde evenzoo. Het voordeel, dat door deze jacht verkregen
wordt, is zeer groot. Gemiddeld rekent men, dat ieder dier een ton
traan oplevert. Het vleesch en het spek worden versch gegeten of door
inzouten en drogen voor bederf bewaard. Van de huid der vinnen worden
de strooken leer vervaardigd, die aan de roeiriemen bevestigd zijn; de
beenderen dienen voor het maken van de omrastering der landerijen; de
maag wordt opgeblazen en als bergplaats voor traan gebruikt. Eigenlijk
blijven dus alleen de darmen en eenige andere ingewanden over; om
van de verrotting dezer overblijfselen geen last te hebben, worden
zij door booten naar de zee gebracht."
Geen der Vischachtige Zoogdieren en zelfs geen der zeedieren in 't
algemeen, hebben zoozeer de belangstelling gewekt van de dichters
en de natuuronderzoekers der oudheid en aanleiding gegeven tot zulke
gloeiende beschrijvingen en zonderlinge vertelsels als de Dolfijn. Hij
is het, die Arion redde, toen deze beroemde lierdichter en citherspeler
over boord sprong, om het gevaar te ontgaan van vermoord te worden
door roofzuchtige matrozen; hij nam hem op den rug en droeg hem naar
kaap Taenarus. Hij is het, van wien Plinius een aardig sprookje
vertelt: een knaap had, door herhaaldelijk een Dolfijn met brood
te voederen, diens genegenheid in zoo hooge mate gewonnen, dat dit
dier hem verscheidene jaren achtereen, iederen dag over het meer
Lucrinus naar de school in Puteolie droeg en op dezelfde wijze weer
thuis bracht. Toen de knaap stierf, verscheen de Dolfijn nog steeds
iederen dag op de gewone plaats en treurde zich weldra dood over het
verlies van zijn lieveling." Van de Dolfijnen wordt voorts verhaald,
dat zij in den ouden tijd den mensch behulpzaam waren bij het vangen
van de Zeebarbeelen, door geheele scholen van deze Visschen in de
netten te drijven, voor welke dienst zij beloond werden met een deel
van den buit en met brood, dat in wijn gedoopt was.
De _Dolfijn_ vertegenwoordigt met eenige andere, zeer na
verwante soorten een afzonderlijk geslacht van dezen naam
(_Delphinus_). De betrekkelijk kleine kop eindigt van voren in
een snavelvormig verlengden snuit, welks kaken met buitengewoon
talrijke, kegelvormige, blijvende tanden bezet zijn; de borstvinnen
staan geheel zijdelings, ongeveer op de grens van het eerste vijfde
gedeelte van de lichaamslengte: de rugvin zit ongeveer op het midden
van de rugzijde; de staartvin is naar verhouding zeer groot en bijna
zuiver halve-maanvormig.