van alle Cetaceën is de _Noordsche_ of _Groenlandsche Walvisch_, de
_Bow-head_ van de Amerikaansche walvischvangers (_Balaena mysticetus_),
een wanstaltig schepsel, dat in al zijne lichaamsdeelen wanverhoudingen
vertoont. De neiging tot overdrijving van vreemdsoortige
verschijnselen, die alle menschen aangeboren is, blijkt duidelijk
uit de vroegste berichten over dezen van oudsher beroemden Walvisch,
waarin aan dit dier afmetingen worden toegekend, vele malen grooter
dan die, welke door latere onderzoekers opgegeven worden. Reeds in
de mededeelingen van de zeelieden, die zich voor drie of vier eeuwen
met de walvischvangst bezig hielden, wordt geen melding gemaakt van
Walvisschen, langer dan 20 M. Scoresby, die getuige was van de vangst
van ongeveer 320 Walvisschen, vond er geen enkele bij, die langer was
dan 18 M. Pechuel-Loesche geeft van een ten noorden van de Bering-zee
gevangen Noordschen Walvisch de volgende afmetingen op: lengte 16.4
M., breedte van de staartvin 6.7 M., lengte van den grootsten baard
3.25 M. Het lijdt echter geen twijfel, dat men grootere Walvisschen
gevonden heeft, en in afgelegen gedeelten van de zee ook thans nog
vindt. Karl Giesecke bericht van een in 't jaar 1813 gevangen Walvisch,
dat deze ongeveer 20.4 M. lang was. In 't begin van deze eeuw werd er
bij Spitsbergen één gedood, die ongeveer dezelfde lengte had, en wiens
grootste baarden 5 M. lang waren. Zulke baarden--de middelste en de
beste van de reeks van 300 à 360 stuks, die op iedere bovenkaakshelft
van den Walvisch voorkomt--wegen 3 à 3.5 K.G. en komen slechts bij
uitzondering voor; zelfs een lengte van 4 à 4.5 M. behoort reeds
tot de zeldzaamheden. Hun breedte bedraagt in de nabijheid van de
plaats van aanhechting 30 à 35 cM., de dikte 9 à 10 mM. Zoowel de
breedte als de dikte nemen naar achteren af. De baarden zijn zwart
van kleur en zeer veerkrachtig; met een flauwe bocht richten zij zich
naar buiten en naar beneden; van onderen, waar zij spits toeloopen,
en aan den binnenrand splitsen zij zich in lange, teere, zachte,
bijna zijdeachtige, maar zeer taaie, op franje gelijkende vezels.
Een Walvisch van 18 M. lengte is echter ook reeds een ontzaglijk,
verbazingwekkend wezen. De wanstaltige kop heeft gemiddeld een
lengte gelijk aan één derde van die van het geheele lichaam. De
mondholte, die grooter is dan de holte aan de buikzijde van den romp
(borstholte en buikholte te zamen genomen), bevat voldoende ruimte
voor een tamelijk groote boot met haar bemanning; daar zij bij 5 à
6 M. lengte een breedte van 2.5 à 3 M. heeft. Met alle tot dusver
beschreven Cetaceën vergeleken, is deze Walvisch buitengewoon
plomp gebouwd, zijn romp is kort, dik en rond, naar achteren tot
de staartvin in alle richtingen zeer sterk versmald; op het midden
van den kop komt een bultvormige verhevenheid voor, waar zich de
neusgaten bevinden. De oogen, welke slechts weinig grooter zijn dan
die van een Rund, liggen onmiddellijk boven het onderkaaksgewricht;
de gehooropeningen--moeielijk waarneembaar, daar de oorschelp geheel
ontbreekt en de uitwendige gehoorgang ongeveer de wijdte van een
penneschacht heeft--zijn iets verder naar achteren geplaatst. De
neusgaten--twee smalle, ongeveer 45 cM. lange, S-vormige spleten--zijn
gelegen op het hoogste gedeelte van het midden van den kop, op een
afstand van ongeveer 3 M. van het voorste einde van den snuit.
De weeke tong ligt met haar geheele onderzijde vastgegroeid,
onbeweeglijk in de onderkaak. De verbazend groote onderkaaksbeenderen
wijken van achteren ver uiteen en hebben nog een buitenwaartsche
bocht vóór het gewricht, dat hen met den schedel verbindt; de vloer
van de mondholte heeft hierdoor den vorm van een ontzaglijk grooten
lepel. De bovenkaak is zeer smal, maar sterk boogvormig van voren
naar achteren gekromd; hierdoor verkrijgt de mondholte een zeer groote
hoogte. Deze bedraagt echter weinig meer dan de helft van de lengte van
de baarden. Indien deze, evenals die van de Vinvisschen, kort en stijf
waren en even lang als de afstand tusschen de boven- en onderkaak bij
gesloten mondholte, zou er bij 't openen van den bek onder de baarden
een ruimte overblijven, waardoor het water en de kleine, als voedsel
dienende diertjes gezamenlijk zouden ontwijken. Nu echter buigen
de lange, dunne, op borstels gelijkende spitsen van de baarden bij
't sluiten van den mond achterwaarts, de verder naar voren gelegen
platen komen onder de meer naar achteren geplaatste te liggen in het
kanaal, dat aan weerszijden tusschen de tong en het onderkaaksbeen
overblijft. Als de mond geopend wordt, strekken de baarden zich wegens
hun veerkracht als een gespannen boog, die losgelaten wordt. Hoe
ver ook de kaken van elkander verwijderd worden, steeds blijven de
baarden als een zeef werken, die alleen het water doorlaat. Hierbij
komt nog, dat de lange, dunne, buigzame uiteinden van de baarden,
wegens de sterke ontwikkeling van de onderlip, die stijf omhoog
rijst boven het kaakbeen, niet naar buiten kunnen worden gedreven
door den waterstroom, die de mondholte verlaat, als haar inhoud bij
het sluiten van den bek en het omhoogrijzen van de tong vermindert.
Met uitzondering van eenige weinige borstelige haren aan het voorste
uiteinde van beide kaken en van zachtere haren aan weerszijden van
den kop, benevens eenige op 2 of 3 reeksen geplaatste, zeer korte,
dikwijls uitvallende haren tusschen de ademgaten, is de huid volkomen
naakt. De opperhuid is betrekkelijk dun en stevig; zij is zoo zacht
als fluweel en gelijkt eenigszins op vetleer; daaronder ligt de 20
à 45 cM. dikke speklaag. De kleur vertoont, naar het schijnt, nog
al eenig verschil. Aan de bovenzijde van den kop heeft melkkleurig
grijsachtig wit de overhand, aan de spits van den snuit overgaande
in een ongeveer 15 cM. breede, zwarte vlek; verder naar achteren
heeft het lichaam overal nagenoeg dezelfde kleur; het is n.l. meer
of minder donker blauw, bij de ouden naar zwart, bij de jongen naar
lichtblauw zweemend. Bij oude Walvisschen strekt de donkere kleur
zich ook over de kin uit, waar men bij jonge dieren gewoonlijk
onregelmatige witte vlekken opmerkt. Gewoonlijk komen bovendien
achter het oog en de bovenkaak twee witte vlekken voor; ook een
deel van de oogleden en eenige onregelmatige teekeningen aan den
staartwortel zijn wit. Sommige exemplaren zijn nagenoeg ivoorwit,
andere sterk gevlekt. De wijfjes zijn grooter dan de mannetjes; hare
lichtgekleurde tepels, die ongeveer zoo groot zijn als de uier van
een koe, zijn door een witten kring omgeven.
Deze Walvisch bewoont de noordelijkste gedeelten van den Atlantischen
en den Stillen Oceaan en de Noordelijke IJszee, zonder evenwel ergens
een vaste verblijfplaats te hebben. Zijn aanwezigheid, zijn komst en
zijn vertrek staan ongetwijfeld in nauw verband met den toestand van
het ijs in de verschillende jaargetijden. Alle nauwgezette onderzoekers
zijn van oordeel, dat hij meer dan zijne verwanten aan het ijs gebonden
is, zich bij voorkeur uitsluitend in de onmiddellijke nabijheid van
het ijs ophoudt en naar het zuiden of het noorden trekt, naarmate het
ijs zich in deze richting uitbreidt of in gene terugtrekt. Onmiddellijk
verlaat hij een zeegewest, waar het ijs gesmolten is. Zijn voorliefde
voor het ijs gaat zoover, dat men hem zelfs te midden van verbazend
groote ijsvelden aangetroffen heeft, waar hij ongetwijfeld alleen
kon komen door een langen weg onder de ijsschotsen door af te leggen
en waar hij, om te kunnen ademen, zich naar de weinige, door ebbe en
vloed gevormde barsten moet begeven.
Evenals de Vinvisch is ook de Groenlandsche Walvisch een gezellig
dier. Wel vindt men hem in den regel slechts in kleine troepen
van ongeveer 3 of 4 stuks; bij de groote reizen, die deze dieren
ondernemen, vereenigen zij zich soms tot talrijke scholen. Deze
bestaan, naar door ervaren walvischvangers verzekerd wordt, gewoonlijk
uit Walvisschen van gelijken ouderdom; de jonge en de oudere dieren
vormen dus afzonderlijke troepen.
De bewegingen van den Walvisch zijn onregelmatig, maar volstrekt niet
langzaam of log. "Het lichaam van den Walvisch, hoe plomp het ook is,"
zegt Scoresby, "wordt zoo snel en behendig bewogen, dat hij in 5 of 6
seconden buiten het bereik van zijne vervolgers kan komen. Zulk een
snelheid behoudt hij echter slechts gedurende weinige minuten. Soms
geschiedt het opstijgen naar den waterspiegel met zooveel kracht,
dat hij er geheel boven uit springt. Soms gaat hij op den kop staan
en beukt met den boven water geheven staart met vreeselijk geweld
de golven. Het hierdoor veroorzaakte gedruisch wordt bij stil weder
op grooten afstand gehoord en de kringen, die in het water ontstaan,
verbreiden zich over een aanzienlijke oppervlakte. De door een harpoen
getroffen Walvisch schiet, hoewel slechts gedurende eenige minuten, als
een pijl in de diepte; hij bereikt hierbij zulk een groote snelheid,
dat hij soms door den schok tegen den bodem de kaken breekt."
Van de hoogere begaafdheden van den Groenlandschen Walvisch valt niet
veel te berichten. Naar het schijnt, zijn het gezicht en het gevoel
de eenige zinnen, die tamelijk goed ontwikkeld zijn; men onderstelt
echter, dat de zintuigen een voldoenden scherptegraad hebben voor het
verblijf onder water en alleen in de lucht in gebreke blijven. Andere
dieren van zijn soort worden door den Walvisch, naar men meent, op
verbazend grooten afstand waargenomen; boven het water moet zijn
gezicht echter niet ver reiken. Het gehoor is zoo zwak, dat hij
een luid geschreeuw, zelfs op een afstand van een scheepslengte,
niet opmerkt; bij stil weder echter wordt hij reeds door een gering
geplas in 't water, door een gerommel op het schip of door het een of
ander gedruisch in de hem naderende booten verontrust en tot vluchten
aangespoord. Van de eigenschappen van zijn geest verdienen vooral
vermelding de gehechtheid aan zijne soortgenooten en de ook bij hem in
hooge mate aanwezige genegenheid voor de jongen. Andere bewijzen van
verstand heeft men niet veel kunnen opmerken; toch is het duidelijk
gebleken, dat de ervaring zelfs den geest van den gewoonlijk als dom
beschouwden Walvisch scherpt. Voor zoover mij bekend is, heeft men den
Groenlandschen Walvisch nooit hooren "brullen"; waarschijnlijk gaat men
evenwel te ver, door Scoresby's meening te onderschrijven, dat hij in
't geheel niet in staat is tot het voortbrengen van eenig geluid.
Bij goed weder heeft men den Walvisch ook gedurende zijn slaap kunnen
waarnemen. Hij ligt dan als een lijk aan den waterspiegel, zonder
zich te bewegen, heft het hoogst gelegen deel van den kop boven de
oppervlakte, ademt rustig zonder een straal uit te werpen en houdt zich
met zijne borstvinnen in evenwicht. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
uit kleine Schaaldieren (vooral verschillende soorten van Riempootige
of Copepoden) en Weekdieren (vooral Vinpootige Slakken of Pteropoden),
die in groote massas in de bovenste waterlaag aangetroffen worden daar,
waar de zee een olijfgroene kleur vertoont. De bedoelde kleur wordt
veroorzaakt door tallooze, microscopisch kleine plantjes--Kristalwieren
of Diatomeeën--, die aan de genoemde kleine dieren tot voedsel
dienen. Met uitzondering van de kleine soorten, die toevallig in den
wijden muil van den Walvisch verdwalen en mede doorgeslokt worden, zal
dit dier waarschijnlijk geen Visschen in noemenswaardige hoeveelheid
(en in geen geval groote exemplaren) verzwelgen, daar zijn slokdarm
hoogstens 10 cM. wijd is. Onberekenbaar groot is daarentegen het aantal
kleine zeedieren, die door den Walvisch als voedsel worden gebruikt:
millioenen of zelfs milliarden iederen dag.
In den regel brengt het wijfje één enkel jong ter wereld (zelden
twee); de werptijd valt in Maart of April. Het jong zuigt langen tijd,
misschien een vol jaar; de moeder gaat een weinig op zijde liggen
om het den uier aan te bieden. De ontwikkeling heeft buitengewoon
snel plaats, zoodat het jong reeds als zuigeling een lengte van
minstens 6 M. bij een omvang van 4 M. en een gewicht van 6000 KG. kan
bereiken. Alle waarnemers zijn het eens over de zelfopofferende liefde
van de moeder.
Het voordeel dat de gedoode Walvisch oplevert, is zeer groot. Gemiddeld
verkrijgt men van een Groenlandschen Walvisch 12- à 15000 Liter traan
en 700 à 1000 KG. baarden. Deze worden, nadat zij van de bovenkaak
losgemaakt zijn, van het aanhangende spek bevrijd, gesorteerd en bij
pakken van 10 à 12 stuks gebonden. Ongeveer 5/6 van de ruwe grondstof
is voor de fabricatie van baleinen artikelen geschikt. Hoewel de zeer
variëerende prijzen van de traan en van het balein de berekening van
de waarde van den Walvisch moeielijk maken, mag men haar gemiddeld
op f 12.000 stellen; een buitengewoon groot exemplaar kan echter
ook wel het dubbele van deze som opleveren. De grootste helft van
de geheele opbrengst komt van het balein, dat door geen andere
Cetacee in zoo groote hoeveelheid en van zoo goede kwaliteit wordt
voortgebracht. Het vleesch mag volstrekt niet oneetbaar genoemd
worden: Fransche scheepskoks hebben het zeer goed weten te gebruiken;
de inboorlingen van het hooge noorden eten het zonder eenig bezwaar,
evenals ook het spek.
Behalve door den mensch, wordt de levende Walvisch waarschijnlijk
alleen nog door den vreeselijken Zwaardvisch aangevallen. Verscheidene
tot de Schaaldieren behoorende woekerdieren of parasieten, die zich
aan het lichaam van den Walvisch hechten, zullen hem waarschijnlijk
veel last veroorzaken. Een soort van Vlookreeft, de zoogenaamde
Walvischluis, nestelt zich soms bij honderdduizenden in de huid van
zijn rug en vernielt deze zoozeer, dat het dier er uitziet, alsof
het aan een kwaadaardige huidziekte lijdt. Ook is hij niet zelden
met een groot aantal Zeepokken (Rankpootige Schaaldieren) bezet, en
deze leveren weer een geschikte aanhechtingsplaats op voor velerlei
zeeplanten, zoodat men Walvisschen vindt, die een geheele wereld van
levende wezens met zich rondvoeren.
Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Walvisschen voortdurend
schaarscher worden, is het niet waarschijnlijk, dat de Groenlandsche
Walvisch spoedig uitgeroeid zal zijn. Zijn ongastvrij woongebied biedt
hem nog altijd een groot aantal toevluchtsoorden aan, die voor alle
schepen onbereikbaar zijn; dit behoedt hem voor het lot van uit de
rij der levende wezens weggevaagd te worden, dat hem anders zeker
zou treffen.
De Walvisch, die in vroegere tijden vrij veelvuldig op de Europeesche
kusten voorkwam en het eerst de begeerigheid van de kustbewoners
opwekte, wordt ook nu nog soms (1844, 1850, 1854, 1877, 1873) op
de Baskische kust gevangen. Naar men vermoedt, moet dit dier--onze
_Noordkaper_, de _Sarde_ der Fransch sprekende Basken, de _Sletbag_
der IJslanders--als een afzonderlijke soort (_Balaena biscayensis_)
beschouwd worden. Deze, hoewel kleiner en vlugger dan de Groenlandsche
Walvisch, is wegens zijn meer zuidelijk gelegen woongebied nagenoeg
uitgeroeid.--De vangst van andere Cetaceën in de noordelijke
gedeelten van den Atlantischen Oceaan en de verder noordwaarts gelegen
afdeelingen van de Noordelijke IJszee geeft evenwel ook thans nog aan
vele handen werk. Dit blijkt uit de resultaten van de visscherij op
de kusten van IJsland en van Noorwegen en uit het sterk vermeerderde
verkeer met Spitsbergen, waar Engelschen, Russen en Noren elkander den
vetten buit betwisten. In 1886 en 1887 werden hier meer "Walvisschen"
gevangen, dan in eenig ander jaar van de laatste dertig, in 1887 niet
minder dan 1311. Dat aan het bezit van Spitsbergen eenige waarde
wordt gehecht, blijkt uit de annexatie van deze eilandengroep door
Noorwegen in Sept. 1896.
Ook op den _Zuidelijken Walvisch_ (_Balaena australis_), die de
koude zeeën van het Zuidelijk Halfrond bewoont, en zich van zijn in
't noorden levenden stamgenoot door geringere grootte en breederen
snuit onderscheidt, wordt ijverig jacht gemaakt.
De eerste familie van de onderorde der _Tandendragende Cetaceën_
(_Denticete_) omvat de _Dolfijnen_ (_Delphinidae_), middelmatig groote
of kleine Vischachtige Zoogdieren, welker beide kaken over haar
geheele lengte (of over een deel daarvan) met bijna gelijkvormige,
meer of minder kegelvormige tanden bezet zijn, en welker neuskokers in
den regel slechts door één enkel, dwars gelegen ademgat naar buiten
monden. De romp is regelmatig gestrekt, de kop betrekkelijk klein,
zijn snuitgedeelte dikwijls verlengd en toegespitst, een rugvin
gewoonlijk aanwezig.
De Dolfijnen bewonen alle zeeën der aarde en ondernemen groote reizen;
zij zijn de eenige Cetaceën, die ver de rivieren opzwemmen; sommige
brengen zelfs hun geheele leven in de rivieren en in de hiermede
samenhangende meren door. Alle zijn in hooge mate gezellig; sommige
vereenigen zich tot zeer talrijke scholen, om dagen en weken achtereen
gezamenlijk de zee te doorkruisen. Wegens hunne vlugge bewegingen,
hun geringe schuwheid tegenover den mensch en hunne spelen, hebben
de Dolfijnen zich sinds overouden tijd de vriendschap der zeelieden
en der dichters verworven.
Bijna alle Dolfijnen zwemmen met buitengewone behendigheid en snelheid
en zijn hierdoor bijzonder geschikt voor de vischvangst. Zij behooren
tot de roofzuchtigste zeebewoners; sommige soorten durven zelfs
den grootsten Walvisch aan te vallen en weten hem, dank zij hun
volharding in den strijd, werkelijk te overmeesteren. Grootendeels
bestaat hun voedsel uit Koppootige en andere Weekdieren, uit
Schaaldieren en Straaldieren. Men beweert, dat sommige ook gebruik
maken van zeewieren en van boomvruchten, en deze zelfs van de boven
't water hangende boomtakken afplukken. Alle zonder uitzondering zijn
vraatzuchtig, roofgierig en wreed. Al wat eetbaar is, beschouwen zij
als een goeden buit; zelfs de jonge dieren van hun eigen soort of
van hunne naaste verwanten worden niet door hen gespaard. De wijfjes
werpen na een draagtijd van ongeveer 10 maanden één of twee jongen,
die zij lang zoogen, met den meesten zorg verplegen en in tijden van
gevaar verdedigen. Naar men onderstelt, groeien de jongen niet snel.
Alle Dolfijnen zijn veel minder dan de overige Cetaceën aan de
vervolgingen van den mensch blootgesteld. Hunne ergste vijanden
zijn de leden van hun eigen familie. Meer nadeel dan eenig roofdier,
berokkent hen echter hun eigen onstuimigheid. Zij vervolgen hun prooi
met zooveel begeerigheid, dat zij hierdoor dikwijls geheel buiten
het vaarwater geraken, naar het verraderlijke strand worden gelokt en
op het droge het leven moeten verliezen. Soms vinden de visschers ze
bij dozijnen op het strand liggen. Gedurende hun doodstrijd hoort men
van sommige gesteun en gejammer, en ziet men eenige zelfs een vloed
van tranen vergieten.
Van vele soorten trekt de mensch een niet onbelangrijk voordeel,
van enkele kan hij bijna alle lichaamsdeelen gebruiken: hij eet
het vleesch, het vet en sommige ingewanden, vervaardigt allerlei
benoodigdheden voor zijn bedrijf van de huid en van de darmen en
kookt uit het spek een zeer gezochte, fijne soort van traan.
Van de onderling veel verschillende soorten, waaruit deze familie
bestaat, verdient de _Zwaardvisch_, vertegenwoordiger van een
gelijknamig geslacht (_Orca_), in de eerste plaats genoemd te
worden. Reeds sinds overouden tijd zijn deze dieren bekend en wegens
hun vraatzucht berucht. Hun meest in 't oogloopende kenmerk is de zeer
lange, naar boven gerichte rugvin. De romp is krachtig, de kop kort,
het voorhoofd rijst schuin omhoog, de snuit is tamelijk breed; het
vreeselijke gebit bestaat uit een betrekkelijk gering aantal tanden,
die dikker zijn dan bij alle andere Cetaceën, met uitzondering van
den Cachelot.
De _Zwaardvisch_, _Moordenaarsvisch_, _Sabeldolfijn_ of _Butskop_
(_Orca gladiator_), kan een lengte van 9 M. bereiken, maar is in den
regel kleiner; gemiddeld wordt hij 5 à 6 M. lang. De kleur biedt,
naar het schijnt, veel verscheidenheid aan. Een meer of minder donker
zwart strekt zich over het grootste deel van de bovenzijde uit; de
onderzijde, met uitzondering van de spits van den snuit en van den
staart, is tamelijk zuiver wit. Achter het oog staat in den regel
een langwerpige, witte vlek; een halvemaanvormige, vuil-blauwachtige
of purperkleurige vlek bevindt zich achter den rugvin, en zet zich
vandaar in den vorm van een streep aan weerszijden van de rugvin en
nog verder voorwaarts uit; zij kan ook geheel ontbreken. Men ontmoet
ook zeer licht gekleurde exemplaren: helderbruine en ivoorwitte. Elke
bovenkaakshelft bevat 13, elke onderkaakshelft 12 tanden.
Naar het schijnt, waren de Zwaardvisschen in vroegere eeuwen meer
algemeen verbreid dan thans. De Romeinsche natuuronderzoekers noemen
ook de Middellandsche Zee als een deel van het door hen bewoonde
gebied; in den laatsten tijd heeft men ze hier echter niet meer
waargenomen. Zij bewonen de noordelijke gedeelten van den Atlantischen
Oceaan, de IJszee en het noorden van den Stillen Oceaan. Geregeld
bezoeken zij de kusten van Engeland, Nederland, Duitschland en
Frankrijk. Volgens Van Bemmelen is de Zwaardvisch "meermalen aan
onze kusten waargenomen. Een voorwerp is in 1811 bij Ameland op de
Engelsche plaat gestrand, één op 15 April 1832 aan de Friesche kust
nabij de Zwarte Haan, een wijfje op 30 November 1841 levend aan den
Voet der Velzer zeeduinen op eenigen afstand van Wijk-aan-Zee." Het
laatstgenoemde exemplaar stelde den bekwamen natuuronderzoeker
Schlegel in staat, voor 't eerst een nauwkeurige beschrijving van
den Zwaardvisch te geven. Aanvankelijk prijkte het dier "met een
fraai, in alle kleuren van den regenboog irizeerend zwart", terwijl
het wit door zuiverheid en glans aan porselein herinnerde. Reeds
weinige dagen daarna was van dit kleurenspel niets meer te zien;
de opperhuid geraakte langzamerhand los; na verloop van een week was
het dier door beginnende verrotting geheel misvormd en verminkt. Nu
werd het verkocht; een van de vele kooplustigen kocht het voor f 140;
de kooper had zich echter verrekend, want hij kreeg slechts voor f
40 traan uit dit dier en ongeveer evenzooveel voor het geraamte,
dat een sieraad uitmaakt van het rijke Leidsche Museum. Soms worden
Zwaardvisschen in rivieren gevangen. Zoo kent men drie gevallen van
het harpoeneeren van een dergelijk dier in de Theems.
Opmerkelijk is het, dat de Zwaardvisch zich meestal in de zomermaanden
in de zuidelijke zeeën ophoudt, waar hij in den regel in Mei aankomt om
in het laatste gedeelte van den herfst weder te vertrekken. Volgens
Tilesius ziet men hem in de Noordzee gewoonlijk in troepjes van
vijf exemplaren, die als een troep soldaten, met den kop en den
staart naar onderen gekromd, de rugvin als een sabel boven het water
opgeheven, uiterst snel voortzwemmen en met een waakzaam oog de zee
afzoeken. Zij zijn nergens veelvuldig, maar komen zoowel te midden van
den Oceaan als in de nabijheid van de kusten voor; bovendien dringen
zij hier niet zelden in de baaien door en zwemmen zelfs de rivieren
op. "Wanneer men dezen Moordenaarsvisch," zegt Pechuel-Loesche, "op
de voor hem eigenaardige wijze door het water ziet strijken of bij
hooggaande zee volgens een fraai afgeronde golflijn bij de baren op
en af ziet glijden, komt men onwillekeurig tot het vergelijken van
hun zwembeweging met de kunstige vlucht van de Zwaluwen, waarvoor
ook wegens de eigenaardige verdeeling van de kleur over de huid van
dit dier reden bestaat. In allen gevalle moet men van de Cetaceën
aan hem den prijs der schoonheid toekennen."