De dieren, die tot de soorten-arme onderorde van de _Baardendragende

Cetaceën_ of _Walvischachtigen_ in engeren zin (_Mysticete_) behooren,

zijn voornamelijk gekenmerkt doordat zij, althans na hunne geboorte,

in beide kaken de tanden missen. Opmerkelijk is het, dat zij in den

kiemtoestand talrijke verkalkte tandjes hebben in een groeve van het

slijmvlies van beide kaken, die, evenals bij alle jonge Zoogdieren,

in dit tijdperk ook bij hen aanwezig is. Ongeveer in 't midden van

het kiemleven bereiken deze tandjes hun hoogste ontwikkeling, daarna

worden zij zoo volledig weder opgelost en in het bloed opgenomen,

dat er bij de geboorte van het dier geen spoor meer van over is. Door

hunne samenstelling en wijze van ontwikkeling, stemmen zij volkomen met

gewone Zoogdierentanden overeen; zelfs heeft men opgemerkt, dat die,

welke aan het achterste uiteinde van de reeks geplaatst zijn, zich door

hun breedte en door de in twee lobben verdeelde kroon onderscheiden

van de voorste, welke een enkelvoudige, kegelvormige kroon hebben,

welk feit (zie boven) van groot belang is voor de geschiedenis van

deze diergroep. Eerst na het verdwijnen der tanden komen de baarden of

baleinen te voorschijn. Deze merkwaardige organen kan men vergelijken

met de dwars gerichte plooien van de gehemelte-huid, die bij de Giraffe

en andere Herkauwers zeer duidelijk zijn, in mindere mate echter bij

alle Zoogdieren, zelfs bij den mensch aangetroffen worden. Zoo volledig

ontwikkeld als wij ze bij de Baardendragende Cetaceën waarnemen, komen

zij echter bij geen andere diergroep voor. Geheel in overeenstemming

met hetgeen men had kunnen verwachten, vertoonen zij zich eerst

betrekkelijk laat. Eigenschappen die aan een groot aantal soorten

gemeen zijn, treden vroegtijdig op; die, welke slechts bij weinige

vormen aangetroffen worden, verschijnen in een later tijdperk; in

dit opzicht stemt de ontwikkelingsgeschiedenis van den stam met die

van het individu overeen.

De baarden zijn niet bevestigd aan de kaakbeenderen of aan andere

beenderen van den kop, maar aan de nagenoeg 2 cM. dikke huid,

die het gehemelte bekleedt. Zij bestaan niet uit een beenachtige

zelfstandigheid, maar uit hoorn, en komen dus volstrekt niet met

tanden overeen. Het zijn dunne, langwerpige, loodrecht naar beneden

gerichte platen, die ten getale van verscheidene honderden op iedere

helft van het gehemelte overlangsche reeksen vormen. Tusschen deze

beide helften, in 't midden van 't gehemelte, puilt het slechts met

slijmvlies bedekte ploegschaarbeen, bij wijze van een kiel, in de

mondholte uit. Elke baard heeft ten naastenbij de gedaante van een

driehoek, welks basis dwars gericht is ten opzichte van de lengteas

van het gehemelte, en welks top naar onderen is gekeerd. De buitenrand

van de hoornplaat is hard en glad; aan haar binnenrand en haar top is

zij als 't ware uitgerafeld, in lange, borstelige vezels verdeeld. De

zolder van de mondholte van den Walvisch gelijkt dus op een met haar

bekleed gewelf, zooals reeds Aristoteles heeft opgemerkt. Van ter zijde

gezien herinnert de reeks van baarden aan een kam met geringe ruimten

tusschen de tanden; deze zijn in het midden het langst; naar voren

en naar achteren nemen zij allengs in lengte af. Het wortelgedeelte

van iedere baard bevat een dwars gericht, plaatvormig uitsteeksel van

de dichte, vezelige en zeer vaatrijke huid, die het gehemelte en de

baarden voedt. De benedenrand van elk dezer uitsteeksels is bezet met

onderling evenwijdige, zeer lange, vaatrijke, draadvormige papillen;

ieder van deze is geleden in de as van een der op haren gelijkende

hoornvezels, waaruit de baard hoofdzakelijk bestaat. Op een dwarse

doorsnede van een verschen baard ziet men een groot aantal van deze,

nu als cirkels zich vertoonende papillen, ieder omgeven door kringswijs

gerangschikte opperhuidscellen; al deze draadvormige lichamen zijn

aaneenverbonden door andere opperhuidscellen, die ook de gladde schors

(het zoogenaamde email) van den baard vormen; door het uiteenwijken

dezer cellen aan den binnenrand en aan de spits van den baard,

geraken de vezels hier los en scheiden zich vaneen. Hoewel men ze met

haren vergelijkt, ontstaan zij niet, gelijk deze, in instulpingen,

maar op uitgroeisels van de opperhuid, evenals de vezels, waaruit

de hoorn van den Rhinoceros is samengesteld. De baarden zijn tot op

zekeren afstand van hun voet aaneenverbonden door een minder harde

opperhuidsvorming, die in de tusschenruimten van de uitsteeksels van

het gehemelte wordt uitgescheiden.

Bij het sluiten van den bek wordt de geheele bovenkaak in de onderkaak

opgenomen; de vezels van de baarden rusten op den rand van de tong,

en sluiten dus de mondspleet aan alle zijden volkomen af; intusschen

stroomt het water, dat de mondholte bevat, door de tusschenruimten

van het baardenstelsel weg, terwijl dit bij wijze van een zeef zelfs

de kleinste en glibberigste buit tegenhoudt.

De Baardendragende Cetaceën zijn ontzaglijk groote dieren met zeer

grooten kop, een ver gespleten muil, twee neusgaten (blaasgaten),

een verborgen gehooropening en zeer kleine oogen. Hun wervelkolom

bestaat uit 7 hals-, 14 of 15 borst-, 11 à 15 lende- en 21 of meer

staartwervels. Slechts één rib is onmiddellijk met het borstbeen

verbonden; alle overige ribben zijn valsch. Aan den schedel zijn de

kaakbeenderen boogvormig gekromd en snavelvormig verlengd; zij zijn

verbazend groot in vergelijking met de uiterst kleine bergplaats voor

de hersenen. Het schouderblad is zeer breed, de hand verschillend van

vorm; bij de meeste soorten ontbreekt de duim. De tong is aan alle

zijden in den bek vastgegroeid en in haar geheel onbeweeglijk, het

spijskanaal nauw, de maag in drie afdeelingen verdeeld. In volwassen

toestand kunnen de Baardendragende Walvischachtigen een lengte

van 20 à 30 M. en een gewicht van 20.000 à 150.000 KG. bereiken:

zij zijn derhalve de grootste schepselen, die nog in dezen tijd

onze aarde bewonen. De lichaamsmassa van een flinken Walvisch komt

ongeveer overeen met die van 30 à 35 Olifanten of 150 à 170 Runderen;

uit het spek van zulk een reus zijn dikwijls meer dan 300 hectoliter

traan verkregen.

De Baardendragende Cetaceën leiden een tamelijk eenzaam leven; slechts

toevallig, misschien door het overvloedige voedsel aangelokt, ziet

men ze in scharen bijeen. De meeste wonen in de IJszee en verlaten

slechts nu en dan de inhammen tusschen de ijsvelden; andere geven

de voorkeur aan zuidelijker gelegen deelen van de zee. Ondanks hun

kolossalen omvang bewegen zij zich in 't water snel en behendig;

de meeste kunnen zelfs met de snelheid van een stoomschip de golven

klieven. Zij zwemmen rechtuit en volgen toch bij hun beweging steeds

booglijnen, daar zij zich nu eens tot aan (of gedeeltelijk zelfs boven)

den waterspiegel begeven, dan weder onder water voortzwemmen.

Het voedsel van de grootste dieren der aarde bestaat uit Visschen of

uit kleine onbeduidende Weekdieren en Schaaldieren, Koppootigen,

Kwallen en Wormen; er zijn hierbij vele soorten, die met het

ongewapende oog ternauwernood waargenomen kunnen worden. Maar van deze

wezens verzwelgen zij millioenen in één slok. Den verbazend grooten,

ver gespleten bek opengesperd, doorklieft de Walvisch de golven en

vult de geheele mondholte met water. Zoodra het gewemel van de hierin

zwemmende en levende diertjes op zijn niet ongevoelige tong indruk

maakt, sluit hij de val. Alle vezels van de baarden zijn loodrecht

naar beneden gericht en vormen zoo een zeef, die bij het sluiten

van den bek wel het water doorlaat, maar het ontsnappen van al deze

kleine wezens verhindert. Een enkele golving aan de oppervlakte

van den plompen, ternauwernood beweegbaren tong drijft vervolgens

de geleiachtige massa door den slokdarm in de maag. De val wordt op

nieuw geopend en verder zwemt de kolossus. Vischjes, die toevallig in

dit eigenaardige net geraken, worden waarschijnlijk ook verzwolgen;

even onopzettelijk zullen soms zeewieren opgenomen worden.

Wat hunne hoogere begaafdheden betreft, staan de leden van deze groep

vrij wel op één hoogte met de vroeger beschouwde Zee-zoogdieren. Het

gezicht, het gehoor en het gevoel zijn hunne meest ontwikkelde

zinnen. Zij hebben, naar het schijnt, zwakkere geestvermogens dan

hunne Tandendragende verwanten. Alle Baardendragende Cetaceën zijn

vreesachtig, schuw en tot vluchten geneigd; zij leven daarom onderling

en waarschijnlijk ook met de meeste andere zeedieren in vrede. Hoewel

zij soms, na aangevallen te zijn, blijken geven van moed, die zelfs

in wildheid ontaarden kan,--hoewel zij zich in dit geval krachtdadig

en niet zelden met goed gevolg verdedigen--, doen zij echter over

't algemeen slechts weinig schade aan hun vreeselijksten vijand,

den mensch. Hun belangrijkste wapen is de staart, van wiens verbazend

groote kracht men eenige voorstelling verkrijgt door te bedenken, dat

dit werktuig het kolossale lichaam van den Walvisch met de snelheid van

een stoomschip door de golven voert. Een enkele slag met den staart

van den Walvisch is voldoende om de sterkste boot te verbrijzelen of

omhoog te werpen; een zeer krachtig dier, en bijgevolg ook de mensch

kan er door gedood worden.

Van de voortplanting der Baardendragende Cetaceën is weinig bekend. Het

wijfje, de "koe," brengt in den regel slechts één jong ter wereld,

zelden twee. Bij de geboorte is het jong reeds zeer ver ontwikkeld;

het is groot, heeft een derde of een vierde van de lengte der moeder;

deze zoogt haar kroost gedurende langen tijd, betoont het veel liefde,

verdedigt het met moed en volharding, verbergt het bij gevaar onder een

harer vinnen en houdt het bij zich, totdat het zelfstandig is geworden.

De onderorde der Baardendragende Cetaceën wordt verdeeld in twee

familiën: de _Vinvisschen_ of _Gevoorde Walvisschen_ en de Gladde of

_Eigenlijke Walvisschen_.

De _Gevoorde Walvisschen_ (_Balaenopteridae_) dragen dezen naam

wegens de diepe, onderling evenwijdige, overlangsche groeven of

voren, die zich over de geheele oppervlakte van de keel, den hals,

de borst en over een deel van de buik uitstrekken; deze dieren, die

ook wel _Vinvisschen_ heeten, omdat zij een goed ontwikkelde rugvin

hebben, zijn betrekkelijk slank gebouwd en met meer of minder lange,

lancetvormige borstvinnen voorzien; de baarden zijn kort, maar breed.

Zeer lange borstvinnen, die minstens een vijfde, dikwijls een vierde

van de totale lengte van het dier bereiken, kenmerken de _Langarmige

Vinvisschen_ (_Megaptera_), vertegenwoordigd door den _Bultrug_, den

_Humpback_ der Engelschen, den _Rorqhval_ der Noren, den _Keporkak_

der Groenlanders, (_Megaptera longimana_). Deze algemeene verbreide,

in iedere wereldzee voorkomende soort bereikt ongeveer 15 M. lengte,

hare borstvinnen, die ongeveer 1 M. breed zijn, hebben een lengte

van 3 à 4 M., de staartvin is ongeveer 4 M. breed. (Er zijn echter

exemplaren gevangen van 16.5 M. lichaamslengte met borstvinnen van

4.5 M.) De Bultrug is een van de plompste leden der familie. Met

andere Vinvisschen vergeleken is hij bepaald leelijk wegens zijn

korten en dikken romp en onevenredig lange borstvin; zijn staartvin is

buitengewoon ontwikkeld. Op den rug verheft zich in het laatste vierde

gedeelte een vetvin van zeer verschillenden vorm en ontwikkeling, de

"bult". De kleur van de huid is zeer verschillend: aan de bovenzijde

heeft zwart, dat meer of minder gelijkmatig en donker kan zijn, de

overhand; de onderzijde van den romp en van de borstvinnen vertoonen

een witachtige gemarmerde teekening; enkele exemplaren zijn aan

de bovenzijde eenvoudig zwart, aan de onderzijde wit, andere van

boven en van onderen zwart; nog andere, hoewel van boven zwart en

van onderen wit, zijn aan de onderzijde van de borstvinnen en de

staartvin donker aschkleurig.

Weinige Baardendragende Cetaceën komen den schipper of walvischvanger

vaker en in grooter aantal onder de oogen dan de Bultrug; hij bewoont

den Oceaan op alle breedten tusschen den Evenaar en de poolgewesten

van het noorden en van het Zuiden; men ontmoet hem in volle zee

zoowel als in de nabijheid der kusten, in alle groote bochten

en wijde sonden. Het schijnt, dat hij ieder jaar geregeld van de

polen naar den Evenaar trekt. Op de Groenlandsche kust bemerkt men

hem alleen gedurende de zomermaanden, op de westkust van Afrika en

Amerika daarentegen gedurende het geheele jaar, hoewel niet in alle

maanden op dezelfde plaatsen. Karakteristiek voor deze diersoort zijn

de golvende bewegingen, het sterke krommen van den romp, het boven 't

water uitsteken van een der beide borstvinnen en de onregelmatigheid

van den weg dien hij volgt. Zelfs als hij onder water voortzwemt, keert

hij dikwijls nu eens de eene, dan weer de andere zijde naar boven en

wiegt zich als 't ware in zijn element. Als hij zijne kolossale longen

op zijn gemak vult en ledigt, werpt hij 6- à 10-maal en zelfs 15-

à 20-maal achtereenvolgens een dubbele straal in de lucht, die tot

een hoogte van 6 M. kan stijgen. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk

uit kleine Visschen en lagere Schaaldieren.

Hoewel het voordeel van de vangst van den Bultrug niet onbelangrijk

is, staat hij toch in dit opzicht ver achter bij den Potvisch en den

Groenlandschen Walvisch, omdat zijn spek of vet een veel geringere

hoeveelheid traan oplevert dan men met het oog op de grootte van dit

dier zou kunnen verwachten. Om deze reden bemoeit men zich, althans

in de zee om Groenland, met den Bultrug alleen dan, als men niets

beters te doen heeft. Langs de Amerikaansche kust vervolgt men ook

dezen Cetacee vrij geregeld, zoo ook aan de kust van Afrika.

Volgens de zienswijze van Gray moet de sinds lang bekende _Vinvisch_

die dikwijls met andere Gevoorde Walvisschen verward werd en

daarom eerst in den laatsten tijd tamelijk nauwkeurig omschreven is,

beschouwd worden als de vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht

(_Physalus_), dat verscheiden soorten omvat. Het onderscheidt zich door

de volgende kenmerken: De kop, die, evenals bij de overige Gevoorde

Walvisschen, korter is dan een vierde gedeelte van de lichaamslengte,

heeft een betrekkelijk kleinen schedel en een langwerpig, toegespitst

aangezichtsgedeelte; de rugvin bevindt zich op het laatste vierde

gedeelte van 't lichaam. De lengte is bij de verschillende soorten

zeer ongelijk. (De "_Blauwe_" _Vinvisch_ kan 30 M. lang worden en is

dus het grootste der thans bestaande dieren.) De borstvinnen zijn vlak

achter den kop aangehecht, de staartvin is in het midden uitgesneden

en meer of minder duidelijk in twee lobben verdeeld. De halswervels,

die bij het vorige geslacht op lateren leeftijd dikwijls met elkander

vergroeien, blijven hier beweegbaar.

De _Gewone Vinvisch_, de _Razorback_ der Engelschen, de _Sildrör_

der Noren, de _Tunnolik_ der Groenlanders, ook wel _Jupitersvisch_ en

_Gibbar_ genoemd (_Physalus antiquorum_), een van de slankste Cetaceën,

kan een lengte van 25 M. bereiken. De lengte van de borstvinnen

bedraagt 1/10, hun breedte 1/50 van de geheele lichaamslengte. Aan

het voorste gedeelte van den kop, zoowel aan de onderkaak als aan

de bovenkaak, bevinden zich eenige korte, borstelvormige, wijd

uiteenstaande haren; overigens is de huid geheel onbehaard, aan de

bovenzijde donkerzwart, aan de onderzijde zuiver porseleinachtig wit,

in de diepste groeven blauwachtig zwart. De tandelooze kaken dragen

aan iedere zijde ongeveer 350 à 375 dwarse reeksen van baarden, die

van voren het dichtst bij elkander geplaatst zijn, van achteren het

verst uiteenstaan. De onderkaak sluit de mondholte geheel af en neemt

de baarden in zich op.

Gewoonlijk houdt de Vinvisch zich op in het noordelijkste deel van

den Atlantischen Oceaan en in de IJszee. In het begin van den herfst

trekt hij naar zuidelijker zeeën; zóó komt het, dat men hem ook in

de zeeën van den gematigden en van den heeten aardgordel ontmoet;

naar men zegt, werd hij zelfs in de Zuidelijke IJszee aangetroffen.

Door zijn onstuimigheid wordt dit dier dikwijls in 't verderf gestort,

in vaarwaters gevoerd, waar het niet meer uit kan komen, zoodat

het op het strand het leven verliest. Herhaaldelijk is dit ook op

de Nederlandsche kust geschied. Van Bemmelen vermeldt de volgende

gevallen uit deze eeuw: "Eén op 31 Augustus 1811, in de zoogenaamde

Goudzee, de Zuiderzee nabij Monnikendam, 36 voet. Een wijfje op 5

April 1826, nabij Wijk-aan-Zee, 40 voet. Een wijfje (de Vinvisch van

Kessel) op 5 November 1827, tusschen Ostende en de Zeeuwsche kust,

90 à 100 voet. Een wijfje op 17 September 1835 nabij Wijk-aan-Zee, 51

voet. Een wijfje in September 1840 aan den mond der Maas 65 voet. Een

mannetje op 9 December 1841 nabij Katwijk aan Zee, 40 voet. Tusschen

2 en 7 November een langs de Groningsche kust waargenomen, en op

8 November gestrand op het eiland Borkum. Een op 22 November 1851

nabij het eiland Vlieland, 70 voet. Een op (17?) December 1856 op

Texel." Het is echter niet uitgemaakt, dat deze Vinvisschen alle tot

de bovengenoemde soort behoorden.

Alle bewegingen van dit dier zijn vlug en behendig, zooals men reeds

op grond van zijn slanke gestalte zou kunnen verwachten. Het wordt als

een der snelst zwemmende Baardendragende Cetaceën beschouwd. Als de

Vinvisch bedaard voortzwemt, volgt hij een rechte lijn, en komt zeer

dikwijls (volgens mijne waarnemingen gemiddeld alle 90 seconden) aan

de oppervlakte om te ademen. Het bruisende gedruisch bij het uitademen

hoorde ik reeds op een afstand van één zeemijl. Niet zelden verschijnt

de Vinvisch in de onmiddellijke nabijheid van zeilende schepen,

zwemt er omheen, of volgt ze langen tijd, soms wel uren achtereen,

trouw na. Soms gaat hij aan den waterspiegel op zijde liggen, en

slaat met de borstvinnen op de golven, wendt zich om, gaat op den rug

liggen, duikt onder, speelt op allerlei wijzen vroolijk in 't water

en verheft ook wel eens, door een krachtigen slag met de staartvin,

zijn kolossaal lichaam boven den waterspiegel.

Het voedsel van den Vinvisch bestaat grootendeels uit Visschen,

die hij dikwijls bij scholen voor zich uitdrijft, en bij groote

hoeveelheden te gelijk in zijn ruimen muil vangt. Als de Vinvisch

een rijken buit vindt, blijft hij dagen en zelfs weken lang op

een en dezelfde plaats; dit doet hij b.v. in de nabijheid van

Groenland, waar hij een ongeloofelijk groot aantal Dorschen en

andere Kabeljauwachtige Visschen verslindt. Met zijn beide naaste

verwanten--de _Blauwe Vinvisch_ of _Reuzen-vinvisch_ (_Sibbaldius

borealis_) en de _Snavelvinvis_--trekt de Gewone Vinvisch bij het

vervolgen van de Dorschen en Haringen ver naar 't zuiden en komt dan

ook in de Europeesche zeeën, hier vereenigen de Vinvisschen zich soms

tot scholen, die gedurende geruimen tijd gemeenschappelijk jagen.

De jacht op den Vinvisch is wegens zijne groote vlugheid en woestheid

moeielijker, en wegens de geringere hoeveelheid traan en baarden,

die hij oplevert, veel minder voordeelig dan de vangst van den

Noordschen of Groenlandschen Walvisch. In vergelijking met dezen

wordt de Vinvisch daarom als bijna waardeloos beschouwd door de op

zee kruisende walvischvangers. Een ander oordeel wordt trouwens over

den Vinvisch geveld daar, waar de jacht van de kust af kan plaats

hebben. De vangst kan dan door het te nutte maken van alle deelen

van het lichaam van het dier een grootere winst opleveren, dan de

jagers ter zee zouden kunnen behalen. Op het eiland Vardö b.v., op

70° N.B. bij de noordwestkust van Noorwegen, wordt tegenwoordig de

waarde van een groot dier van deze soort op f 1500.- geschat, waarbij

slechts f 180.- als opbrengst van de korte en niet zeer veerkrachtige

baarden. Bij deze vangst maakt men gebruik van vuurwapens, die

op 40 M. afstand in het lichaam van het dier een harpoen werpen,

welke met een bom verbonden en aan een armdik touw bevestigd is. De

bom doodt den Vinvisch, terwijl de harpoen met het touw het zinken

verhinderen. Een Vinvisch van 25 M. lengte levert hoogstens 80 ton

traan. Zelfs van een deel van het vleesch van dit dier wordt partij

getrokken; men kookt het in blikken bussen, die dichtgesoldeerd worden,

nadat daaruit de lucht verdreven is; het vindt in sommige landen als

vastenspijs een goeden aftrek. Het overige vleesch en de beenderen van

de door kustvisscherij verkregen Cetaceën worden tot guano verwerkt.

Tot het laatste geslacht van de familie der Vinvisschen brengen wij de

_Snavelvinvisschen_ (_Balaenoptera_), die de kleinste en sierlijkste

van alle thans bekende Baardendragende Cetaceën zijn.

Een typische vertegenwoordiger van dit geslacht is de _Dwerg_-,

_Zomer_- of _Snavelvinvisch_, de _Vaagevhal_ der Noren, de _Tikagoelik_

der Groenlanders (_Balaenoptera rostrata_), het kleinste, bekende

lid van zijn familie, wiens lengte waarschijnlijk nooit boven de

10 M. stijgt. De geheele bovenzijde is donker leikleurig zwart, zoo

ook de onderzijde, van de spits van de bovenkaak tot aan de plaats

van aanhechting der borstvinnen, voorts de spits van den staart met

inbegrip van de staartvin; overigens zijn de onderdeelen wit met een

meer of minder roodachtige tint. De borstvinnen, die van onderen de

kleur van den buik, van boven die van den rug hebben, zijn in het

midden van de bovenzijde geteekend met een witten dwarsband. Het

verbreidingsgebied van dit dier strekt zich uit over alle om de Pool

gelegen zeeën. Vanhier trekt het in 't begin van den winter naar

't zuiden, en verschijnt dan ook aan de Europeesche kust, aan de

oost- en westkust van Amerika, en aan de oostkust van Azië. Aan de

Skandinavische kust komt het hoofdzakelijk in 't westen voor, maar

niet in 't hooge noorden. In de Davis-straat en in de Baffins-baai

ziet men den Dwergvinvisch, volgens Brown, slechts in de zomermaanden,

niet in den winter; in dit jaargetijde wordt hij zelfs ten zuiden van

Groenland uiterst zelden gevonden. Door zijn aard en gewoonten gelijkt

hij in vele opzichten op den Gewonen Vinvisch. Gewoonlijk ziet men

deze dieren afzonderlijk, zelden bij paren, en nog minder dikwijls

tot grootere gezelschappen vereenigd; nu eens zwemmen zij dicht onder

den waterspiegel en duiken af en toe, dan weer vermaken zij zich met

de reeds genoemde spelen. Evenals hunne verwanten voeden zij zich

hoofdzakelijk met kleine Visschen, misschien ook wel met Koppootige

Weekdieren (Inktvisschen); zij vervolgen hun prooi met zooveel ijver,

dat zij gedurende het jagen niet zelden op het strand geraken en dan

in vele gevallen het leven verliezen.

Aan de Amerikaansche kust wordt op den Dwergvinvisch niet geregeld

jacht gemaakt; in Noord- en Middel-Europa geschiedt dit alleen dan,

als hij zich in de nabijheid van de kust vertoont. Naar men zegt,

is het vleesch van dit dier zeer smakelijk. Vroeger werd het wel met

ijzeren pijlen gedood, die men met een kolossalen kruisboog afschoot.

Van deze diersoort teekent Van Bemmelen aan: "Komt zeldzaam

in de Noordzee voor. Een wijfje in de Zuiderzee waargenomen en

daarna aan het IJ (in de zoogenaamde Voorzaan) op 20 December 1862

gestrand. Een wijfje in 1837 tusschen de Zeeuwsche kust en Ostende

gestrand. Prof. Eschricht vermeldt tien voorbeelden van het stranden

dezer soort; van deze waren 9 wijfjes, en slechts één mannetje. Bij

de Vinvisschen aan onze kusten gestrand, zijn ook meer wijfjes,

doch de sekse is niet van alle opgegeven; bij de Dolfijnen evenzeer

verscheidene wijfjes; bij de Cachelotten is slechts van enkele de

sekse bekend, en deze waren mannetjes."

De _Gladde Walvisschen_ of _Walvisschen_ in engeren zin (_Balaenidae_),

die de laatste familie van de onderorde der Baardendragende

Cetaceën vormen, zijn logger en onbehouwener van lichaamsbouw dan

de Vinvisschen; zij hebben geen rugvin en geen huidplooien aan de

buikzijde van het lichaam; hunne borstvinnen zijn breed en afgeknot,

de baarden smal en lang.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 12: Sirenen; Hoofdstuk 13: Walvischachtigen · 第 3 / 7 段