"Dit geluk duurde verscheidene jaren; doch de Walvisschen, eindelijk

kundig geworden van de gevaren welke hen omringden, begonnen zich

allereerst van de kusten van Smeerenburg en van de Hollandsche baai

te verwijderen; en daar zij zich voorheen als weerlooze schepsels,

rondom de schepen spelende, lieten dooden, werden zij zoo schuw,

dat men genoodzaakt werd, hen gedurende de vlucht met grooten arbeid

na te roeien eer men hen kon bemachtigen, en dit zelfs werd weldra

ondoenlijk, wijl de Visschen zich verder zeewaarts begaven, en maar

al te vaak de hoop der zeelieden teleurstelden. Men besloot derhalve

naar de Noordbank te varen, gelegen aan den mond van de Noordbaai,

omstreeks twee mijlen van de schepen, die onder Smeerenburg voor

anker lagen, alwaar toen nog visch genoeg was, dewijl hij van daar

niet zoo sterk verjaagd was geworden." De hier gevangen visch werd

naar de schepen geboegseerd, waarmede veel tijd verloren ging. Nadat

men op deze wijze, aanvankelijk met voordeel gewerkt had, werd ook

dit bedrijf wegens het schaarsch worden van den buit opgeheven. Om op

andere, meer afgelegen gedeelten van de kust te visschen, moest men

afwijken van het oorspronkelijk plan om de schepen voor Smeerenburg

te laten liggen, totdat zij volgeladen waren. Weldra echter kwamen er

geen visschen meer aan de kust en schoot er niets anders over dan ze

op zee te vervolgen en ze ook daar te "flensen" en "af" te "maken";

de op deze wijze verkregen stukken spek of "vinken" werden (evenals

het balein) in vaten gepakt en naar de traankokerijen in Nederland

vervoerd. Daar door zulk een wijze van vangst de op Spitsbergen

aanwezige inrichtingen overbodig werden, geraakten deze in verval en

werden eindelijk gesloopt; de voorheen zoo vischrijke eilanden, de

twistappel van zoovele volken, werden hoe langer hoe minder bezocht,

en vervielen weer tot hun vroegeren staat. Reeds vóór het midden van

de 17e eeuw begon de "zeevisscherij" de "kunstvisscherij" allengs

te vervangen, om zelf, toen de nog schuwer geworden visch naar de

minst toegankelijke gedeelten van de Poolzee de wijk nam, voor de

"ijsvisscherij" plaats te maken, waarbij de buit tusschen het ijs moest

worden opgezocht. Dit vereischte schepen van veel solieder maaksel

dan de vroeger gebezigde. De kosten werden dus steeds grooter en de

vangst wisselvalliger. Dat ook in deze minder gunstige omstandigheden

de zoogenaamde "kleine" visscherij met veel ijver werd beoefend,

kan blijken uit een mededeeling van Zorgdrager in zijn werk over de

Groenlandsche Visscherij. Daar de walvischvangers in 1697, wegens

den oorlog met Frankrijk, bescherming noodig hadden, verzamelden

zij zich in een baai van Spitsbergen, waar weldra 9 Nederlandsche

en 2 Hamburger oorlogschepen kwamen om gedurende de terugreis de

kapers te weren. De rijk geladen vloot, waarvan Zorgdrager's schip

"_de Vier Gebroeders_" met een lading van 7 visschen deel uitmaakte,

bestonden uit 121 Nederlandsche schepen, beladen met 1252 visschen, 54

Hamburger schepen met 515 visschen, 15 Bremer schepen met 119 visschen

en 2 Embder schepen met 2 visschen. Onder al deze schepen was er niet

één, dat niets gevangen had; onder de Nederlandsche schepen was er

geen met minder dan 3 visschen; vele waren geheel gevuld. Deze vloot,

te zamen 192 schepen, bracht 1888 visschen thuis. Gedurende een groot

deel van de 17e en van de 18e eeuw werd de walvischvangst in de zee

tusschen Spitsbergen en Groenland voornamelijk door de Nederlanders

uitgeoefend. In sommige jaren zonden zij met dit doel 200 à 250 schepen

uit; in andere jaren trouwens moest de walvischvangst wegens den oorlog

geheel of grootendeels achterwege blijven. Niet minder belangrijk dan

het aantal deelnemers aan deze jacht was de daarbij behaalde buit; in

sommige jaren bedroeg het gemiddeld slechts 1 à 2 visschen per schip,

in andere jaren echter 10 à 11. In de jaren 1676 tot 1722 werden

door de Nederlanders 5886 schepen ter walvischvangst uitgezonden

(gemiddeld 125 per jaar) en maakten deze 32.907 walvisschen buit

(gemiddeld per schip 5 à 6), welker waarde destijds 180 millioen gulden

bedroeg. Volgens een andere berekening zijn in de jaren 1669-1779

naar Groenland, d. i. naar de zee tusschen Groenland en Spitsbergen,

gezeild 14.226 schepen, die 57.722 visschen gevangen hebben en een

netto winst behaalden van f 44.327.761; gemiddeld per jaar dus ruim

128 schepen, die ieder gemiddeld 4 visschen thuis brachten en per jaar

gezamenlijk een netto winst opleverden van 400.000 gulden. Naar Straat

Davis zeilden bovendien in de jaren 1719-1779 3206 schepen, die 7022

visschen buit maakten en een netto winst behaalden van f 13.967.148

of gemiddeld per jaar 52 à 53 schepen, met bijna 2.2 visschen voor

ieders deel en met een gezamelijke winst van 229.000 gulden. Door de

oorlogen met de Engelschen in 1780 en in den Franschen tijd verloren

de Nederlanders hun suprematie in de Noordelijke Zeeën. Hoewel zij na

het herkrijgen van hun onafhankelijkheid ook aan de kleine visscherij

opnieuw hun aandacht schonken, geraakte deze niet meer tot haar vorigen

bloei; gedurende verscheidene jaren bestond hun Groenlandsche vloot uit

drie of vier schepen, waarvan er ten slotte slechts één overbleef. Ook

dit schip, de "_Dirkje Adama_" van Harlingen, werd in 1864 voor een

ander doel bestemd.

Aanvankelijk namen ook de Duitsche Noordzeehavens ijverig deel aan de

Groenlandsche vaart. Frederik _de Groote_ rustte in 1768 schepen voor

de walvischvangst uit. Ook zij werden uit dit bedrijf verdrongen door

de Engelschen, die omstreeks dezen tijd 222 schepen in de Noordelijke

zeeën hadden. In deze eeuw hebben zij hun jachtveld uitgebreid over

de Poolzee ten oosten van Groenland, die door de ontdekkingen van

Ross en Parry bekend geworden was, en zelfs over den Stillen Oceaan,

waar zij echter in de Amerikanen ernstige concurrenten vonden, die

hen op dit gebied weldra geheel overvleugelden. Het aandeel van de

Schotsche en Engelsche havensteden in de Cetaceën-jacht is verminderd,

naarmate dat van de Amerikanen toenam. Doch ook de Amerikaansche

walvischvangst bereikte in 1854 haar toppunt van bloei en is sedert

dien tijd voortdurend achteruitgegaan.

Tegenwoordig wordt de walvischvangst op groote schaal alleen nog maar

in den Stillen Oceaan en ten noorden van de Beringstraat uitgeoefend

en wel vooral door de Amerikanen. De met dit doel uitgeruste schepen

blijven 3 à 4 jaren uit, n.l. zoo lang tot zij een volle lading traan

en balein hebben. De Noord-Amerikanen hebben ongeveer sedert 1850 de

grootste vloot voor de walvischvangst; deze vloot vermindert trouwens

sterk wegens het afnemen van het aantal Walvisschen in alle zeeën. In

den laatsten tijd is San Francisco de verzamelplaats geworden van de

schepen, die op de walvischvangst in de noordelijke zeeën uitgaan. De

hiervoor dienende stoombooten dringen door de Beringstraat zoo ver in

de Poolzee door, als het ijs toelaat; zij overwinteren ook dikwijls

in het poolgebied. De stoomboot _Mary Hume_ bracht van daar binnen 2

1/2 jaar 52.300 KG. baarden ter waarde van 630.000 dollars thuis.--In

de IJslandsche Zeeën komt alleen nog maar de Vinvisch voor, die in

vergelijking met den Walvisch en den Cachelot een veel geringere waarde

heeft. Op grootere schaal nog dan de IJslanders oefenen de Noren de

IJslandsche walvischvangst uit. Hunne traankokerijen bevinden zich

aan land of aan boord van oude schepen, die in de fjorden voor anker

liggen; iedere traankokerij beschikt over een aantal stoombootjes,

die als schoeners opgetuigd zijn en slechts 14 ton kolenvoorraad

hebben. Aan bakboord hebben zij een kanon om hiermede den harpoen te

schieten; deze is aan een lange lijn bevestigd en blijft in de wonde

steken. Hij is aan zijn uiteinde voorzien met een soort van bom,

die den Vinvisch doodt door in zijn lichaam te ontploffen. De booten

dezer walvischvangers zijn voorzien met een mortiergeweer, waaruit de

harpoen geschoten wordt. De bruto-opbrengst van een Vinvisch bedraagt

ongeveer 2400 gulden; enkele exemplaren leveren echter aanmerkelijk

meer op. De traankokerijen vereischen een geoefend personeel; bij elke

ziederij behoort een "helling" met verscheidene hijschtoestellen om de

speklaag onder de hakmachine te brengen. Het spek wordt vervolgens

in de met stoom verhitte ketels gebracht en de traan in ijzeren

vergaarbakken afgetapt. De afval wordt tot mestspecie (vischguano)

verwerkt, van de beenderen maakt men beenderenkool.

In het tijdperk van 1835-1872 hebben 19.943 schepen zich met de

walvischvangst bezig gehouden; zij verkregen 3.671.772 tonnen

of vaten spermaceti en 6.553.014 tonnen traan, ter gezamenlijke

waarde van 272.274.916 dollars. Volgens Scammon's schatting moesten

voor het bereiken van dit doel ieder jaar 3865 Potvisschen en 2875

Baardendragende Cetaceën gedood worden. Men moet deze getallen stellig

ieder met een vijfde vermeerderen om ook de dieren, die gewond werden

en daarna verloren gingen, in rekening te brengen. Zoo komt men tot

de slotsom, dat het geheele getal groote Cetaceën, die in het genoemde

tijdperk gedood werden, niet minder dan 292.714 moet hebben bedragen.

De vangst geeft ook wel eens aanleiding tot ongelukken, maar is toch

over 't geheel genomen minder gevaarlijk dan de reis op zichzelf

beschouwd, als zij plaats heeft in ijsrijke zeeën. In menig jaar

lijdt de walvischvangersvloot groote verliezen. Gelukkig gaan bij

deze schipbreuken slechts zelden menschenlevens verloren, daar de

zee bijna altijd stil is en de bemanning tijd genoeg heeft om zich

op andere schepen te redden. De walvischvangst is niet alleen een

gevaarlijk bedrijf, dat veel inspanning vereischt, maar uit een

financieel oogpunt beschouwd, ook zeer wisselvallig.

Tot voor eenige tientallen van jaren had de vangst hoofdzakelijk

plaats met schepen, die voor lange kruistochten uitgerust waren; men

maakte vooral jacht op drie van de grootste soorten van Cetaceën:

den Noordelijken of Groenlandschen Walvisch, den Zuidelijken

Walvisch en den Potvisch; ieder dergelijk dier had, al naar zijn

omvang en den stand van den marktprijs, een waarde van 9000 à 24000

gulden. De vangst geschiedde op de volgende wijze: Als het schip op de

Walvischgronden aangekomen is, kruist het heen en weer, terwijl in den

mast (in het zoogenaamde kraaiennest) gewoonlijk twee mannen op den

uitkijk staan. Hun waarschuwing: "Daar blazen zij!" brengt de geheele

bemanning in beweging. "Uit de wijze, waarop deze dieren zich bewegen

en blazen, uit den vorm van hun rug en van hun staartvin," schrijft

Pechuel-Loesche, "kunnen de ervaren lieden tamelijk zeker opmaken, of

zij de gezochte soort voor zich hebben en of de vangst van het dier de

moeite loont. Als dit beslist is, geeft de kapitein bevel om de booten

uit te zetten (iedere kruiser heeft er gewoonlijk vier). Deze booten

zijn 7 à 9 M. lang en omstreeks 2 M. breed; zij zijn licht, maar zeer

zorgvuldig gebouwd; zij hebben geen kiel en loopen aan beide einden

scherp toe, zoodat zij even gemakkelijk vooruit- als achteruit bewogen

kunnen worden en snelle wendingen kunnen maken. De wapens--ongeveer

vier harpoenen, verscheidene lansen, een geweer van zeer zwaar kaliber,

waarmede pijlvormige granaten worden geschoten, een korte spekspade,

een bijl en een stevig mes--bevinden zich aan den voorsteven, zoodat

de harpoenier ze onmiddellijk bij de hand heeft. Het kompas, een

hoosbak en een vaatje, waarin eenige scheepsbeschuit, een lantaarn,

kaarsen en lucifers tegen vochtigheid beschut zijn, bevinden zich in

't achterste gedeelte van de boot, waarvan een klein stuk overdekt is;

een ander vaatje met drinkwater ligt gewoonlijk in 't midden van het

vaartuig. Het belangrijkste deel van het vanggereedschap is de meer

dan één duim dikke, ongeveer 350 vadem lange en van de beste hennep

vervaardigde lijn. Zij ligt opgerold in twee ondiepe tobben, die

tusschen de roeibanken staan; met de meest nauwgezette zorgvuldigheid

zijn de spiralen hierin bij lagen gevleid, daar elke verwarring bij

't afloopen aanleiding zou kunnen geven tot een ongeluk. Van links

buiten neemt men een stuk van 5 à 8 vadem lengte, den zoogenaamden

voorlooper, en bevestigt hieraan de beide harpoenen, die een geoefende

harpoenier den Walvisch bij de eerste nadering in snelle opeenvolging

in 't lichaam werpt. Deze wapens liggen, opdat de harpoenier ze zonder

fout zal kunnen grijpen, vóór rechts op een laag vorkengestel.

"Een goede harpoenier moet op een afstand van 4 à 5 vademen zeker

zijn van zijn worp. Meestal echter begeeft men zich veel nader

bij den Walvisch; ook laat men de boot wel onmiddellijk tegen

hem aanloopen, zoodat de harpoen niet meer geworpen, maar in het

lichaam gestooten wordt. Deze vermetele wijze van aanvallen laat

wel is waar aan zekerheid niets te wenschen over, maar is ook de

gevaarlijkste. Zoodra de harpoenen vastzitten, wordt de boot zoo vlug

mogelijk achteruitgeroeid. Dit is een hachelijk oogenblik: altijd

staat men bloot aan de kans, dat het gewonde dier zich opzettelijk of

toevallig wreekt met den ontzaglijken staart; deze kan de boot van

onderen af het onderste boven keeren en zelfs in de lucht werpen,

of als een reusachtige vliegenklap van boven af op haar neerdalen,

zoodat zij verbrijzeld wordt. Als de verschrikte Walvisch vlucht

(in de diepe zee duikt hij meestal loodrecht naar beneden, in ondiep

water spoedt hij zich op geringere diepte voort), zal in 't volgende

oogenblik de lijn beginnen af te loopen; zij schiet met slangsgewijze

kronkelingen uit haar bergplaats naar achteren om den geleidenden

knop, strak gespannen naar voren en naar buiten in de diepte; dikwijls

loopen 100 à 150 vademen in één minuut af. Nu komt het er op aan, goed

op te passen, want ieder die door de lijn gevat wordt is gewoonlijk

verloren. De boot zit "vast". De stuurman en de harpoenier wisselen

van plaats; deze had tot taak den Walvisch met de boot te verbinden,

gene heeft het voorrecht hem te dooden. Nu eerst begint de eigenlijke

strijd en met hem het grootste gevaar. Aan het tegenhouden van den

onderduikenden Walvisch valt natuurlijk niet te denken: iedere groote

Cetacee zou de boot medesleuren naar de diepte, zooals de visch, die in

het aas van den hengelaar bijt, den lichten dobber medeneemt. Als het

dier zeer diep duikt, roept men de naastbijgelegen boot aan, om haar

lijn vast te splitsen aan die, welke bezig is af te loopen. Indien

men echter niet schielijk genoeg geholpen wordt, laat men de geheele

lijn over boord gaan en de Walvisch is vrij. Slechts zelden gelukt

het dan hem weder vast te leggen door voort te roeien in de richting,

die hij heeft ingeslagen, en, zoodra hij weder voor den dag komt,

de achter hem aanslepende lijn op te visschen.

"In de meeste gevallen is de lijn van één boot echter voldoende;

de Walvisch duikt misschien 100 à 200 vademen diep en houdt zich

daar nagenoeg onbeweeglijk. Zoodra de spanning van de lijn een weinig

vermindert, wordt er met vereende krachten aan getrokken om het dier

tot omhooggaan te bewegen. Indien deze wijze van behandeling den

onbehouwen klant niet aanstaat, zal hij met onweerstaanbare kracht

iedere poging om hem aan de oppervlakte te brengen verijdelen en al

dieper en dieper zakken. Zoo wordt, al naar de soort en de grootte

van het dier, de strijd 10, 20, 30 minuten lang, in zeldzame gevallen

gedurende het dubbele van dezen tijd voortgezet: eindelijk echter

begint de Walvisch behoefte aan lucht te gevoelen en komt naar

boven. De richting van de lijn toont aan, waar hij ten naasten bij

verschijnen zal; daar tracht nu een tweede boot hem te verrassen en

eveneens "vast" te maken; eerst wanneer men hierin geslaagd is, acht

men den goeden uitslag zeker. Het herhaaldelijk gewonde dier valt

nu soms zijne pijnigers aan, of schiet, daar het wegens ademnood

niet onmiddellijk weder diep duiken kan, langs de oppervlakte van

de zee voort. Nu begint een wilde wedstrijd, waarbij men de lijn

gewoonlijk slechts eenige bootslengten ver laat vieren. Blazend en

snuivend doorklieft het donkere, reusachtige lichaam de golven, die in

schuim uiteenspatten en in melkwitte massas omhooggeslingerd worden,

als de kolossus zich door woedende slagen met den staart tracht te

bevrijden. Achter hem aan ijlen 2 of 3 booten met koene menschen

gevuld, die dikwijls verborgen zijn tusschen schuim en waterkolommen,

waarin zij schijnen weg te zinken, terwijl zij met razenden spoed

zich voortreppen over en door de kokende golven; toch gaan zij steeds

verder in den eindeloozen Oceaan, onverschillig of het dag is dan wel

nacht. Een onvoorbereide toeschouwer zou kunnen meenen, dat al wat hij

ziet, slechts een droombeeld is. Eindelijk komt de Walvisch tot rust,

daar zijne krachten hem allengs begeven; vermoeid en log, of razend

en in blinde woede met den staart om zich heen slaand, drijft hij

op de golven. Nu kunnen de booten hem naderen. Voorzichtig blijven

zij buiten het bereik van den staart. Men tracht het dier te dooden

met ontplofbare projectielen of met een lans, welks dun ijzer soms 2

M. diep achter de borstvin in het lichaam wordt gestoken. Deze lans,

"lens" genaamd, heeft een 2 M. lang, dun ijzer, dat aan een langen

stok bevestigd is. Als de Walvisch nogmaals duikt of vlucht, worden

dezelfde werkzaamheden herhaald, totdat men hem eindelijk gedood heeft,

of zich door den nood gedrongen ziet de lijn af te snijden en het

dier in vrijheid te stellen. Wanneer echter een granaat of een lans

in de longen van den Walvisch doordringt, die dan bloed uitblaast,

"de roode vlag toont", sterft hij betrekkelijk snel, hoewel dikwijls

eerst na een geweldigen doodstrijd, welks einde alle booten op een

veiligen afstand afwachten."

Als het schip den gedooden Walvisch niet goed zeilend bereiken kan,

moet deze door de booten gesleept worden. Bij het schip aangekomen,

wordt hij met een stevigen ketting om den wortel van den staart

geboeid, en aan stuurboordzijde op zulk een wijze bevestigd, dat

hij met den kop naar achteren gericht langs het schip drijft. Aan den

grooten mast zijn twee kolossale takels aangebracht, welker loopers met

hunne uiteinden om den kaapstander, die voor 't lichten van 't anker

dient, gelegd zijn. Langs de zijde van het schip heeft men een op een

raam gelijkende stellage laten zakken, die in horizontale richting

boven den Walvisch zweeft en voor de speksnijders, die met scherpe,

aan lange stelen bevestigde spaden het "flensen" of "afspekken"

mogelijk maken, als loopplank dient. Het losse blok van een der

takels wordt nu aan een vin van den Walvisch bevestigd, en deze op

zulk een wijze losgemaakt, dat een 1.3 à 1.9 M. breede spekstrook haar

volgt. Als deze strook tot op de hoogte van de onderste afdeeling van

de mast is opgeheschen, wordt ter hoogte van het dek het losse blok

van den tweeden takel er aan vastgemaakt, de spekstrook op korten

afstand daarboven doorgesneden, en het zoo vrijgeworden stuk in de

ruimte tusschendeks afgelaten; intusschen hijscht de tweede takel

den spekstrook weder tot de vorige hoogte op. Het ophijschen van het

spek is een zwaar stuk werk, en vordert slechts duim voor duim; door

het langzame, maar zeer krachtige trekken wordt de spekstrook, die

op de gewenschte breedte met de spade is afgestoken, van het vleesch

van den Walvisch losgerukt, en deze ongeveer op dezelfde wijze van

spek en huid beroofd, als men een appel schilt of het dekblad van

een sigaar kan afwikkelen. Daarbij moet het lichaam van het dier

langzaam om zijn lengteas wentelen; spoedig reeds is het gunstig

gelegen voor een volgende bewerking; een aan touwen bevestigde man

wordt op de Cetacee neergelaten, die bij het Baardendragende dier de

bovenkaak, bij den Potvisch echter de onderkaak met bijlslagen van

den kop afscheidt. Deze worden onmiddellijk op het dek geheschen,

om van 't eerstgenoemde lichaamsdeel de baarden of baleinen, van

't laatstgenoemde de fraaie tanden los te maken. Van den Potvisch

brengt men ook de verbazend groote, bovenste helft van den kop in twee

stukken op het dek, om spermaceti te verkrijgen. De tijd, die voor het

afspekken vereischt wordt, hangt af van de soort en grootte van den

"visch" en van de gesteldheid van het weder; meestal duurt het 4 à 8

uren. Zoodra alle lichaamsdeelen, die waarde hebben, geborgen zijn,

maakt men den ketting los, en laat de vormelooze vleeschmassa van

den romp drijven.

De reusachtig groote spekstrooken, die zich nu tusschendeks bevinden,

worden daar met korte spade in kleine, langwerpige stukken verdeeld,

die dan weder op het bovendek worden geworpen en voordat zij in den

ketel komen, door een met de hand gedreven machine met een scherp mes,

diep ingekorven worden. Het uitkoken geschiedt in groote, op het dek

ingemetselde, ijzeren ketels, welker vuurhaard aan alle zijden door

water omgeven is. Bij den aanvang van de bewerking gebruikt men hout

als brandstof, later echter uitsluitend de "gruwen" of "kanen" van

het uitgebakken spek, die genoeg warmte kunnen leveren, om de geheele

spekmassa van den Walvisch uit te koken. De door uitsmelting verkregen

traan wordt in een koelpan afgekoeld, en daarna in tonnen gegoten. "In

hunne slechtste kleederen," schrijft Pechuel-Loesche, "half-naakt,

dansend en zingend, elkander aandrijvend en hunne gereedschappen

zwaaiend, druipend van traan en roetkleurig als duivels bewegen

de schepelingen zich om den haard. Een buitengewone bedrijvigheid

heerst allerwege aan boord. Vooral des nachts levert dit bedrijf een

verrassend schouwspel op: in een hoog opgehangen ijzeren korf ligt

een hoop uitgekookt spek vroolijk te branden; de flikkerende vlammen,

die het noodige licht verschaffen, wepen schelle lichtstrepen op het

dek, op de zwarte rookwolken, op de hoog uitstekende masten met hunne

zeilen en ver weg over de golven. Over dag herkent men de aanwezigheid

van een traankokenden walvischvaarder aan de kolossale rookmassa's aan

den gezichtseinder, lang vóórdat men het schip zelf te zien krijgt."

De Walvischachtigen worden op natuurlijke wijze verdeeld in twee

hoofdgroepen, die men met volle recht als onderorden kan beschouwen:

de _Tandendragende_ en de _Baardendragende Cetaceën_. Bij gene

komen in beide kaken, of althans in één van beide, tanden voor;

deze worden niet gewisseld; bij enkele vormen vallen er eenige

van uit of gaat zelfs het geheele gebit vóór het tijdperk van

volwassenheid te niet. De Baardendragende Cetaceën zijn van de

geboorte af tandeloos. Dit kenmerk is voldoende om de leden van de

beide onderorden te onderscheiden. Kükenthal is in den laatsten tijd

tot de slotsom gekomen, dat de beide groepen als afzonderlijke orden

beschouwd moeten worden: de stam, waaruit de Tandendragende Cetaceën

zich ontwikkeld hebben, zou veel ouder zijn dan die, waaraan de

Baardendragende Cetaceën hun oorsprong danken. De overeenkomst,

die tusschen beider nakomelingen bestaat, is een gevolg van de

omstandigheid, dat alle zich in dezelfde richting gewijzigd hebben,

terwijl zij allengs hun aanvankelijke, voor het leven op het land

passende bewerktuiging verloren en geschikt werden om voortdurend in

't water verblijf te houden.

De studie van de voorwereldlijke dieren heeft n.l. de overtuiging

gevestigd, dat de Cetaceën afstammen van tamelijk hoog ontwikkelde,

op het land levende Zoogdieren, van dieren met een goed ontwikkeld

haarkleed, welker zintuigen (o.a. dat van den reuk) hen geschikt

maakten voor het verblijf op het droge, van wezens met twee paar

goed ontwikkelde ledematen, welke in bouw overeenkomen met die van

de hoogere Gewervelde Dieren en niet met die van de Visschen. Hoewel

het gebit der hedendaagsche Cetaceën samengesteld is uit tanden van

één soort--die dus naar hun vorm niet in snijtanden, hoektanden en

kiezen onderscheiden kunnen worden en die bovendien niet gewisseld

worden--, zijn er vele feiten bekend, waaruit men moet afleiden,

dat deze toestand een gevolg is van den teruggang van een op

hoogeren ontwikkelingstrap verkeerend gebit. Zelfs de tanden,

die bij de Baardendragende Cetaceën gedurende den kiemtoestand

(d. i. vóór de geboorte) gevonden worden, vertoonen sporen van

een verdeeling in snijtanden en kiezen. Deze is zeer duidelijk

aanwezig bij verscheidene uitgestorven soorten van Cetaceën; niet

alleen bij de Zeuglodonten, maar zelfs bij echte Dolfijnen, zooals

de Squalodonten. Het te loor gaan van deze eigenschap, behoort tot

die verschijnselen welke men gewoonlijk "teruggang" of "ontaarding"

noemt; deze was noodig in verband met de wijziging van de gewoonten

en behoeften der bedoelde dieren. De bovenstaande verklaring mag men

beschouwen zoo niet als volkomen zeker, dan toch als in hooge mate

waarschijnlijk. Minder stellig spreken de feiten, waar het geldt

den aard van den vermoedelijken stamvorm der Cetaceën te bepalen:

het meest is men geneigd ze van de Hoefdieren af te leiden.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 12: Sirenen; Hoofdstuk 13: Walvischachtigen · 第 2 / 7 段