Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
TWAALFDE ORDE.
DE SIRENEN (Sirenia).
De naam _Sirenen_ wekt de herinnering aan verleidelijke gestalten uit
de sprookjes der oudheid, die half vrouw, half visch de kristalheldere
golven van de zee bewonen en den armen menschenzoon door bekoorlijk
gezang en nog aantrekkelijker gebaren, door bewegingen van het hoofd
en gloeiende blikken der oogen uitnoodigen zich tot haar te begeven,
met haar te spelen, te koozen en--zich in zijn verderf te storten. Wie
deze voorstelling zich vormt van de Sirenen der dierkundigen, zal
bedrogen uitkomen. De natuuronderzoekers hebben zich in dit geval
uitsluitend laten leiden door hun voorliefde voor dichterlijke namen,
zonder aan het poëtisch beeld, dat aan den naam verbonden is, recht
te laten wedervaren. De naam Sirenen past bij de waterdieren, die wij
nu beschrijven zullen, ongeveer even goed of even slecht als die van
de Grieksche boom-nymf _Hamadryas_ bij een der vreemdsoortigste Apen,
die waarschijnlijk alleen door de natuuronderzoekers schoon gevonden
zal worden.
De _Sirenen_ of _Zeekoeien_ vormen een orde op zich zelf. Door haar
inwendigen bouw stemmen zij nog het meest met de Hoefdieren overeen;
zij kunnen beschouwd worden als een tak van deze diergroep, die zich
gewijzigd heeft in overeenstemming met de eischen van het leven in 't
water. Vele dierkundigen voegden ze als een afzonderlijke afdeeling of
familie aan de Walvischachtigen toe; de punten van verschil tusschen
hen en deze dieren zijn echter zoo belangrijk, dat een samenvoeging
in één orde niet geraden schijnt. De Sirenen zijn gekenmerkt door
een kleinen kop, die duidelijk van den romp onderscheiden kan worden,
en voorzien is met een dikken, gezwollen snuit, met borstelige lippen
en met neusgaten, die aan de spits van den snuit gelegen zijn; zij
hebben een plompen romp van eigenaardigen vorm, die schraal bekleed
is met korte, borstelige haren, en een gebit, dat in vele opzichten
van dat der overige Zoogdieren afwijkt. Slechts twee ledematen
zijn haar overgebleven, n.l. de twee voorste, en deze zijn echte
vinpooten. Hunne teenen zijn zoo volledig omhuld door de algemeene
lichaamshuid, dat de bewegelijkheid der leden ten opzichte van
elkander geheel opgeheven is. Uitwendig blijkt de inwendig zichtbare
samenstelling van de hand alleen uit de sporen van nagels, die er aan
voorkomen. De staart, die het dier vergoeding moet schenken voor het
gemis van de achterste ledematen, eindigt in een horizontalen vin. Er
behoort een levendige verbeeldingskracht toe om in deze dieren, zelfs
wanneer zij zich op een grooten afstand vertoonen, zeenymfen te zien:
met het schoone lichaam van de vrouw hebben deze plompe, onbehouwen
schepsels slechts in zooverre iets gemeen, dat ook bij hen de tepels
aan de borst (tusschen de borstvinnen) gelegen zijn en meer dan bij
andere Zee-Zoogdieren op de wijze van borsten uitpuilen.
Onze orde bevat slechts één familie--de _Manaten_ (_Manatidae_)--, die
gewoonlijk in drie geslachten wordt verdeeld, waarvan trouwens één--de
Eigenlijke of Noordsche Zeekoe--niet meer onder de levende dieren
opgenoemd mag worden. Het gebit verschilt bij deze drie geslachten
zoo aanmerkelijk, dat het ons ondoenlijk voorkomt, het reeds op deze
plaats te beschrijven. Terwijl de Eigenlijke Zeekoe in plaats van
tanden slechts een hoornachtige kauwplaat aan de binnenzijde van de
onderkaak en aan het gehemelte bezat, hebben de overige Sirenen tanden
in de kaken. Op de eigenaardigheden van het gebit is de verdeeling
in geslachten gegrond, die volgens de laatste onderzoekingen van
Dollos, tot twee (_Halicore_ en _Manatus_) beperkt moeten worden;
daar hij de Eigenlijke Zeekoe, die in de vorige eeuw uitgeroeid werd,
als een _Halicore_ beschouwt, welke de tanden verloren heeft.
Ondiepe oevers en zeeboezems in tropische gewesten, riviermonden
en de rivieren zelf, vooral ondiepe plaatsen hierin, vormen de
verblijfplaatsen der Sirenen. In den gematigden gordel komen zij,
naar het schijnt, slechts bij uitzondering voor, iets zekers kunnen
wij hierover echter niet zeggen, omdat deze dieren zich meestal aan
de waarneming onttrekken. Daarentegen is het bekend, dat zij niet
altijd op dezelfde plaats verblijf houden; dikwijls trekken zij
mijlen ver; onder anderen komen zij ook diep in het land, in meren,
die met groote stroomen in gemeenschap staan. Men ontmoet ze bij paren
of tot kleine gezelschappen vereenigd; volgens sommige onderzoekers
zijn de echtelijke banden bij hen zeer hecht, en blijft het mannetje
steeds met zijn wijfje samenleven. Zij zijn reeds in veel hoogere mate
waterdieren dan de Robben. Slechts bij groote uitzondering schuiven
zij hun log lichaam over den rand van den waterspiegel. Zij missen de
behendigheid van de andere in zee levende Zoogdieren; wel kunnen zij
uitmuntend zwemmen en duiken, maar toch vermijden zij eenigszins diepe
plaatsen, waarschijnlijk omdat zij voor het herhaaldelijk onderduiken
en weer boven komen te onbeholpen zijn. Op het droge sleepen zij zich
met buitengewoon groote inspanning over een korten afstand voort;
hare vinvormige ledematen zijn veel te zwak voor het bewegen van de
groote massa van haar lichaam, vooral omdat dit, naar het schijnt,
de buigzaamheid van het lichaam van den Zeehond volstrekt niet bezit.
Wieren, grassen en andere zeeplanten, die op ondiepten of dicht bij de
kust groeien, en ook verscheidene waterplanten, waarmede de ondiepten
der rivieren bedekt zijn, vormen het voedsel der Sirenen: zij zijn
derhalve de eenige in het water levende Zoogdieren, die plantaardige
stoffen eten. Deze scheuren zij met de dikke lippen af en stuwen,
evenals het Rivierpaard, hiervan groote hoeveelheden tegelijk door
hun wijde keel.
Evenals alle vraatzuchtige dieren zijn ook de Sirenen trage,
stompzinnige wezens met zwakke geestvermogens. Men noemt ze vreedzaam
en onschadelijk en duidt hiermede aan, dat zij niets anders doen dan
vreten en rusten. Zoomin vreesachtig als stoutmoedig, leven zij met
alle overige dieren in vrede en bekommeren zich over 't algemeen om
niets anders dan om hun voedsel. Hun verstand is buitengewoon beperkt;
dat het werkelijk bestaat, mag evenwel niet betwijfeld worden. De
dieren van verschillend geslacht zijn zeer aan elkander gehecht,
het eene tracht het andere te beschermen; de moeders verplegen hare
kinderen met veel liefde: men zegt zelfs, dat zij gedurende het zoogen
haar jong aan de borst dragen, zooals vrouwen doen, waarbij zij een
van hare borstvinnen als arm gebruiken om de kleine tegen haar dik
lichaam te drukken. De stem van de Manaten bestaat uit een zwak,
dof gesteun. Gedurende het ademen hoort men van hen een hevig gesnuif.
Opmerkelijk is het, dat deze plompe dieren de gevangenschap goed
verdragen en zelfs in vrij hooge mate getemd kunnen worden.
Het vleesch en het spek, de huid en de tanden worden gebruikt; van
andere toepassingen wordt niets gemeld.
Bij de _Manaten_ (_Manatus_) is de staartvin afgerond; het eenigszins
wanstaltige vischvormige lichaam is zeer spaarzaam bekleed met korte
haren, die alleen op den snuit dichter bijeenstaan en hier in borstels
veranderd zijn. Aan de teenen van de afgeronde borstvinnen bemerkt
men vier kleine, platte nagels. Snijtanden worden alleen bij jonge
dieren gevonden; zij vallen zeer schielijk uit; bij oude dieren blijven
alleen de kiezen over. Als vaderland van de beide Amerikaansche soorten
van dit geslacht kan men de rivieren beschouwen, die tusschen 25°
N.B. en 19° Z.B. in den Atlantischen Oceaan uitmonden, en de naburige
zeekusten. De Afrikaansche soort (_Manatus senegalensis_) bewoont,
behalve het meer Tsad, den bovenloop van de groote westelijke stroomen
en de kleine kustrivieren, die tusschen 20° N.B. en 10° Z.B. in den
Atlantischen Oceaan uitmonden.
De _Lamantijn_, de "Osvisch" der Portugeezen (_Manatus latirostris_),
is de nauwkeurigst onderzochte soort; hij wordt ongeveer 3 M. lang en
300 KG. (volgens Kappler dikwijls wel 400 KG.) zwaar; de Amerikanen
beweren echter, dat zij nog veel grootere, 5, ja zelfs 6 M. lange
Lamantijnen hebben gezien. Een bijna volslagen naakte huid, die
korte, ongeveer 2 cM. ver uiteenstaande, borstelige haren draagt,
bedekt den romp. Zij hebben een tamelijk gelijkmatige, blauwachtig
grijze kleur, die op den rug en de zijden een weinig donkerder is
dan aan de onderzijde van den romp. De borstels zijn geelachtig.
De eerste, nauwkeurige berichten over dit dier danken wij aan A. Von
Humboldt. Bij een 3 M. langen Lamantijn, die hij in Carrichana,
aan den benedenloop van den Orinoko, ontleedde, merkte hij de
volgende bijzonderheden op: De met een zeer fijne huid bekleede
bovenlip, die voor het tasten dient, vertoont een hoogst eigenaardige
samenstelling. De tong is bijna onbeweeglijk; daarvóór bemerkt men in
elke kaak een vleezigen knobbel, welke past in een holte, die met een
zeer harde huid bekleed is. Als men het dier langs den rug opensnijdt,
verbaast men zich over de grootte, gestalte en lengte van zijne longen,
want deze zijn één Meter lang, hebben buitengewoon groote longblaasjes
en gelijken op kolossale zwemblazen; zij nemen ook bijzonder veel lucht
op. De maag is in afdeelingen verdeeld, de darm meer dan 30 M. lang.
Van dezen Lamantijn verschilt de andere Amerikaansche soort
(_Manatus inunguis_) vooral door een smalleren, uit fijnere beenderen
samengestelden schedel. Deze soort is tot dusver met zekerheid slechts
van den bovenloop van den Amazonen-stroom en van den Orinoko bekend.
De Lamantijn bewoont de oostkust van Florida, de kusten van de
Groote en Kleine Antillen, den Magdalena-stroom en de oostkust van
Zuid-Amerika en hare rivieren tot bezuiden de Noordkaap, vooral echter
Suriname. Waarschijnlijk is hij de eenige Sirene van den Mexicaanschen
zeeboezem. A. Von Humboldt nam waar, dat de Lamantijnen in de zee
gaarne verblijf houden op plaatsen, waar zoetwaterbronnen zijn; zij
zwemmen ver de rivieren op; ten tijde van overstroomingen begeven zij
zich ook naar de meren en moerassen. "Des avonds," verhaalt A. Von
Humboldt, "kwamen wij den mond van den Caño del Manati voorbij, zoo
genoemd wegens het verbazend groot aantal Lamantijnen of Manatis, die
ieder jaar hier gevangen worden. In den Orinoko beneden de watervallen,
in de Meta en in de Apoera zijn zij zeer veelvuldig."
De levenswijze van den Lamantijn is ten naastenbij gelijk aan die
van de andere Sirenen. Eenige reizigers hebben bericht, dat hij soms
het water verlaat om op het land te grazen, maar reeds in de vorige
eeuw is dit door anderen uitdrukkelijk weersproken. Hij eet geen
ander gras dan dat hetwelk in 't water groeit. Daar alle zuidelijke
stroomen op stille plaatsen buitengewoon rijk aan allerlei soorten
van waterplanten zijn, zal hij geen gebrek lijden en ook niet noodig
hebben ver rond te zwemmen. Hij eet zooveel, dat de maag en de darmen
volkomen gevuld zijn met voedsel en gaat, na volkomen verzadigd te
zijn, op ondiepe plaatsen dikwijls zóó liggen, dat de snuit boven het
water uitsteekt en hij dus niet aanhoudend behoeft boven te komen en
onder te duiken; in deze houding verslaapt hij eenige uren van den
dag. Zoolang hij wakker is, ziet men hem alleen dan boven water, als
hij bovenkomt om te ademen; dit geschiedt, in weerwil van de grootte
zijner luchtbewaarplaatsen, zeer dikwijls; waarschijnlijk geeft hij
om deze reden de voorkeur aan de ondiepe gedeelten der rivieren.
De tijd waarin de paring plaats heeft, schijnt nog niet bekend te
zijn, en zelfs over de geboorte der jongen bestaat er verschil van
meening tusschen de berichtgevers. Eenigen zeggen, dat het wijfje twee
jongen werpt, terwijl anderen slechts van één enkel jong spreken. De
gehechtheid van de moeder aan hare kinderen wordt zeer geroemd. Overal
waar de Lamantijn voorkomt, wordt hij met ijver gejaagd. Zijn vleesch
is zeer smakelijk, hoewel men zegt, dat het ongezond is en koorts
veroorzaakt.
De jacht op de Lamantijnen is tamelijk eenvoudig. In een boot begeeft
men zich in de nabijheid van de plaats waar deze dieren grazen en
wacht tot een van hen bovenkomt om adem te halen. Dit wordt beschoten
met pijlen, waaraan door middel van een touw een licht blok hout
bevestigd is, dat later, op het water drijvend, den weg aangeeft,
die door het gewonde dier gevolgd is. Ook maakt men wel gebruik van
den harpoen. De buit wordt gedood en geslacht in de boot, die voor het
reizen op de Zuid-Amerikaansche stroomen dient. Het slachten geschiedt
dikwijls midden in den stroom; hiertoe wordt de boot voor twee derden
met water gevuld, onder den Lamantijn geschoven en vervolgens met
een uitgeholde pompoen weer leeg geschept. Van de dikke huid worden
strooken gesneden, die voor zweepen en koorden dienen; deze zijn in
't water niet bruikbaar, daar zij hier verrotten zouden.
Reeds uit de geschriften van reizigers uit vroegere eeuwen blijkt,
dat de Lamantijn ook getemd kan worden. Martyr, een reiziger, die
in het eerste vierde gedeelte van de 16e eeuw stierf, verhaalt dat
een Kazike op het eiland San Domingo een jongen, nog kleinen visch,
die Manato heette en in zee gevangen was, in een meer liet brengen
en hem dagelijks maïsbrood liet geven. "Hij werd langzamerhand zeer
tam, kwam telkens als men hem riep, at het brood uit de hand en liet
zich overal streelen; ook droeg hij eenige malen lieden, die op hem
zitten gingen, waarheen zij wilden, van den eenen oever naar den
anderen." Gomara, die dezelfde geschiedenis verhaalt, voegt er nog
bij, dat deze Manato 26 jaren in het meer Goeaynabo geleefd heeft en
zoo groot als een Dolfijn geworden is.
De mededeelingen van verschillende berichtgevers uit lateren tijd
bevestigen de waarschijnlijkheid van de bovenstaande verhalen. Kappler
heeft zich in Suriname met het temmen van een jongen Lamantijn
bezig gehouden; in het jaar 1864 bezat de Oostenrijksche consul te
Portorico, Latimer, een paar levende Manaten, en eindelijk vernemen
wij door Cunningham, dat men sedert het jaar 1867 twee Manaten in
een bassin van den openbaren tuin van Rio de Janeiro gevangen houdt,
in gezelschap van verscheidene Kaaimans en een aantal watervogels. De
eene Lamantijn toonde een bijzondere voorliefde voor het gezelschap van
een tammen Zwaan, die zich ook van zijn kant aan den vreemdsoortigen
gezel gewend had; hij volgde hem zoo trouw na, dat de geregelde
bezoekers van den tuin steeds wisten, waar zij de Sirene moesten
zoeken, als zij den Zwaan zagen. Deze Lamantijn was langzamerhand
zoo tam geworden, dat hij dikwijls nader kwam, als men voor hem gras
op het water strooide; hij stak dan zijne vreemdsoortige, borstelige
lippen boven den waterspiegel en nam het voedsel, dat hem aangeboden
werd uit de handen der bezoekers.
De Chineezen en Arabieren waren reeds voor eeuwen bekend met een der
belangrijkste vertegenwoordigers der Manatenfamilie, waarover wij
tot in het begin van onze eeuw slechts gebrekkige inlichtingen hadden
gekregen, n.l. met de "_Meermin_", de _Doejong_ (Zeekoe) der Maleiers
(_Halicore dujong_). Het is wel mogelijk, dat Megasthenes en Aelianus
den Doejong bedoelen, als zij wezens beschrijven, die in den Indischen
oceaan leven en op vrouwen gelijken; het lijdt geen twijfel, dat de
"Meermin", die door den Portugeeschen arts Bosquez ontleed werd, of de
"Meermannen" en "Meerwijven" waarvan de Hollandsche schrijver Valentijn
uitvoerige verhalen doet, onzen Doejong waren; al deze beschrijvingen
zijn echter zoo onnauwkeurig, dat zij onze bekendheid met dit dier
niet konden uitbreiden. Voor de Fransche reizigers Diard en Duvaucel
bleef de taak weggelegd ons nauwkeuriger berichten te verschaffen;
Quoy en Gaimard leverden de eerste goede afbeelding; Rüppell, die de
bedoelde Sirenen in de Roode Zee vond, gaf ons de eerste mededeelingen
omtrent hare levenswijze.
De Doejong bereikt een lengte van 3 à 5 M. De korte en dikke hals,
die duidelijk van den kop onderscheiden kan worden, gaat ongevoelig
over in den romp, die gelijkmatig afgerond is, van de halsstreek tot
aan het midden allengs dikker en van hier tot aan den staart slanker
wordt. De borstvinnen staan niet ver achter de gehooropeningen aan het
voorste derde gedeelte van de lichaamslengte; zij zijn niet bijzonder
lang, maar breed, aan den voorrand afgerond, van achteren scherp;
de teenen zijn alleen op het gevoel te onderscheiden, ieder spoor van
klauwen ontbreekt. De staart eindigt in een horizontaal afgeplatten,
halvemaanvormigen vin. Aan den korten en dikken snuit valt vooral
de platte, scheef van boven naar achteren en onderen afhellende
bovenlip in 't oog, waaronder een van onderen afgeknotte opzwelling
uitsteekt. Deze is naar achteren verbonden met een eigenaardige
mondplaat, die de tusschenkaaksbeenderen bedekt. Een dergelijke
mondplaat ligt op de onderkaak. De onderlip wordt gevormd door een
van achteren scherp begrensde opzwelling. De neusgaten, die aan de
bovenzijde van den snuit liggen, staan dicht bij elkander en hebben den
vorm van twee halvemaanvormige spleten; de oogen, die klein, eirond,
maar sterk uitpuilend en zwart van kleur zijn, liggen in een dwars
gerichte spleet, worden aan hun bovenrand omgeven door een halven
cirkel van wimpers, hebben geen oogleden, maar een wenkvlies en kunnen
door samentrekking van de huid gesloten worden; de ooren zijn slechts
door kleine, rondachtige openingen aangeduid. Op de dof loodkleurige
of grijsblauwachtige, hier en daar met donkere, overlangsche vlekken
geteekende, gladde en glanzige, slechts aan den buik gerimpelde huid
staan korte, dunne, maar stijve, borstelige haren, die aan de bovenlip
bijna stekelig zijn. De vinnen zijn volkomen onbehaard. Het gebit
bestaat uit wortellooze, bij het oude dier gedeeltelijk uitvallende
snijtanden en kiezen; de eerstgenoemde zijn bij het wijfje kort,
stomp, priemvormig, bij het mannetje veel forscher, driezijdig en
beitelvormig; de vijf maaltanden van iedere kaakhelft nemen van
voren naar achteren in grootte toe. De hoektanden ontbreken geheel,
bij 't mannetje ontwikkelen zich echter twee voortanden tot stoot- of
slagtanden van 20 à 25 cM. lengte en 2 cM. dikte, zij zijn evenwel voor
ongeveer zeven achtsten van hun lengte door het tandvleesch bedekt.
Naar het schijnt, wordt onze Meermin in alle deelen van den Indischen
Oceaan en van de hiermede samenhangende zeeën gevangen. In de
Chineesche Zuidzee, in de Soeloe, Banda- en Soendazee komt zij op
de voor haar geschikte plaatsen overal, op sommige plaatsen zelfs
veelvuldig voor; noordwaarts treft men haar tot ongeveer halverwege de
lengte van de Roode Zee aan. Hier is zij een zeer welbekend dier. Alle
zeelieden van deze kusten hebben haar gezien en waarschijnlijk zal men
geen hunner tevergeefs vragen naar de _Nèhke-el-Bahr_ (de Kameelmerrie
van het water). In het oosten bewoont zij de kusten van Nieuw-Guinea
en van Queensland, zuidwaarts tot aan de Moreton-baai.
Door 't samenvoegen van de verschillende, ook thans zelfs nog
zeer onvoldoende berichten komt men tot de overtuiging, dat de
Doejong in de zee, bij uitzondering ook wel in het zoete water van
de riviermonden, evenwel niet in de rivieren zelf zich ophoudt, dat
hij aan de nabuurschap der kusten de voorkeur geeft en niet verder in
de zee opgaat, dan de plantenwereld van den zeebodem reikt. Ondiepe
bochten, waar de zonnestralen tot op den bodem van het weinig bewogen
water doordringen kunnen en aanleiding geven tot een buitengewoon
krachtige ontwikkeling van den plantenrijkdom der zee, zijn de plaatsen
waar hij zich het liefst ophoudt. Op het land komt hij niet; men mag
althans aannemen, dat de exemplaren welke men op het land zag liggen,
door de ebbe waren achtergelaten en te lui waren om hun log lichaam
weer in het water te schuiven, maar liever hier rustig den volgenden
vloed afwachtten. Van den bodem van de ondiepe bochten verheft hij
zich in iedere minuut ongeveer éénmaal naar den waterspiegel, steekt
zijn neus of ook wel de helft van zijn lichaam er boven, haalt adem
en keert langzaam en gelijkmatig weer naar de diepte terug.
De visschers zeggen, dat de Doejong paarsgewijs en slechts zelden in
kleine familiën leeft; dit bericht is meer op den Arabischen zeeboezem
dan op andere deelen van den Indischen Oceaan toepasselijk, omdat hier,
naar men zegt, soms scholen van deze dieren worden waargenomen. De
Arabische visschers zeggen, dat men in de Roode Zee steeds minstens
twee, niet zelden echter tot aan tien Doejongs bijeen ziet. Hunne
bewegingen worden langzaam en log genoemd, hoewel zij met hun staart
veel kracht kunnen uitoefenen. Toevallig heeft men waargenomen, dat
zij bij 't eten lui op den bodem van de zee liggen, en op hun gemak
de wieren, die tegen de rotsen of op den zeebodem groeien en hun
voornaamste voedsel uitmaken, met de harde, dikke lippen afgrazen of
van den bodem losrukken. Zoolang er nog voedsel te vinden is in het
door hem bewoonde gedeelte van de zee, verandert de Doejong, zonder
hiertoe gedwongen te worden, waarschijnlijk niet van verblijfplaats;
zoodra hij echter een van zijne zeeweiden afgegraasd heeft, verhuist
hij langzaam naar andere oorden, waar hij dan weder gedurende eenigen
tijd blijft.
Met de langzaamheid en logheid van haar lichaam harmonieeren, naar het
schijnt, de geestvermogens van de Meermin. Haar waarnemingsvermogen
is weinig ontwikkeld. Haar stem bestaat uit een soort van gesnuif of
dof gesteun; van de jongen hoort men scherpere geluiden.
Zoowel de paartijd als de werptijd vallen in den winter; het wijfje
is dus bijna een vol jaar drachtig. De moeder is innig gehecht
aan haar kroost, verlaat het nimmer en stelt zich voor haar kind
onvoorwaardelijk bloot aan doodsgevaar. Na verloop van één jaar
ongeveer wordt het jong gespeend, en leidt daarna een zelfstandig
leven.
Gedurende den paartijd en den werptijd maken sommige visschers ijverig
jacht op den Doejong, omdat zij van het gedoode dier vrij wat voordeel
kunnen hebben. Die van het zuidelijke deel van de Roode Zee maken hem
op dezelfde wijze buit als de Maleiers, n.l. met harpoenen. De jonge
dieren worden veel hooger geschat dan de oude, omdat hun vleesch
magerder en uiterst malsch is. De Europeanen hebben een afkeer van
dit wildbraad, wegens zijn onaangenaam zoetachtigen smaak; ook de
Arabieren maken er niet overal gebruik van. De dikke huid, waarmede,
naar men zegt, de arke des verbonds van de Israëlieten eertijds bekleed
was, wordt aan de Abessinische kust niet gelooid, maar alleen aan de
lucht gedroogd en daarna tot sandalen verwerkt.
"Aan het geheele strand van het eiland, vooral daar waar beken in
de zee stroomen en alle soorten van zeeplanten in overvloed groeien,
worden de _Zeekoeien_, die door onze Russen _Morskaja-Korowa_ genoemd
worden, in alle jaargetijden in groote menigte en tot kudden vereenigd
aangetroffen. Daar het bijeenbrengen van de noodige hoeveelheid
leeftocht moeielijk begon te worden wegens het verdwijnen van de
Zeebevers (Zeeotters) van de Noordkust, zonnen wij op middelen, om de
Zeekoeien te overmeesteren, die, omdat zij dicht bij de kust verblijf
hielden, ons met minder moeite voedsel konden verschaffen. Voor
dit doel kalfaterden wij tegen het einde van Juni de jol, die in
den herfst op de rotsen zeer beschadigd was, plaatsten er vier
roeiers en een stuurman op, en gaven dezen een harpoen in de hand,
bevestigd aan een zeer lang touw, dat in orde gelegd was als voor de
walvischvangst; het andere uiteinde werd vastgehouden door de overige
40 op het strand staande manschappen. Nu roeide men zeer stil op de
dieren af, die, tot kudden vereenigd, argeloos den zeebodem bij den
oever afgraasden. Zoodra de harpoenier een van de dieren getroffen
had, trokken de manschappen op de kust het langzaam naar het strand;
die, welke in de jol zaten, voeren op het dier af en maakten het door
hunne bewegingen nog meer vermoeid; als het krachteloos scheen, stieten
zij het overal groote bajonetten en messen in het lichaam, zoodat het
bloed bij wijze van fonteinen uit de wonden spoot en het dier bijna al
zijn bloed verloor; bij hoog water kon het vervolgens op het strand
getrokken en vastgemaakt worden. Zoodra het water weggevloeid was en
het dier op het droge lag, sneed men er het vleesch en het spek bij
stukken af, die vol vreugde naar de woningen werden gedragen, waar
het vleesch in groote vaten bewaard en het spek aan hooge stellages
opgehangen werd. Nu hadden wij spoedig zulk een overvloed van voedsel,
dat wij met het bouwen van een nieuw vaartuig, dat het middel tot
onze redding zou worden, zonder bezwaar konden voortgaan."
Met deze woorden begint Steller, die in November 1741 op het vóór
dien tijd nog onbekende Bering-eiland schipbreuk leed en daar 10
treurige maanden doorbracht, zijn bericht over de _Noordsche Zeekoe_,
die naar haar ontdekker gewoonlijk _Steller's Zeekoe_ (_Halicore
Stelleri_) genoemd wordt. Dit zeer merkwaardig Zee-Zoogdier is, naar
't schijnt, thans geheel uitgeroeid. Aangelokt door de berichten
van Steller, stroomden walvischvangers en vermetele fortuinzoekers
in groote menigte naar de Bering-zee; de vreeselijke slachting, die
zij aanrichtten onder de weerlooze zeebewoners, heeft de Noordsche
Zeekoe van de aarde doen verdwijnen. Te vergeefs heeft men later,
om althans een exemplaar van deze dieren te verkrijgen, op hen de
aandacht gevestigd van de bemanning van ieder schip, dat naar de
Bering-zee zeilde. Nordenskiöld meent echter, dat niet in 1768,
maar eerst in 1854 de laatste Noordsche Zeekoe gedood werd.
Uit Steller's beschrijving blijkt duidelijk, dat de Noordsche Zeekoe
belangrijk verschilde van de vroeger beschreven leden derzelfde
orde. Hare kaken droegen, in plaats van tanden, vier alleen met het
tandvleesch samenhangende kauwplaten. Dit eene feit is voldoende voor
de onderscheiding van het dier. "De grootste van deze dieren," zegt
Steller verder, "zijn 4 à 5 vademen (ten naastenbij 8 à 10 M.) lang
en hebben op de dikste plaats, in de buurt van den navel, een omvang
van 3 1/2 vadem. Tot den navel kunnen zij met de Robben, vandaar tot
den staart met Visschen vergeleken worden. Over 't algemeen verschilt
de vorm van het geraamte van den kop niet veel van een paardekop;
met vel en vleesch bedekt, gelijkt hij eenigermate op een buffelkop,
vooral wat de lippen aanbelangt.
"Deze dieren leven als Runderen, bij kudden in de zee. Gewoonlijk
gaat het mannetje naast het wijfje; het jong drijven zij voor zich
uit bij den oever langs. Zij houden zich met niets anders bezig
dan met hun voedsel. In alle tijden van het jaar komen zij rondom
dit eiland overal in grooten getale voor, zoodat alle bewoners van
de oostkust van Kamtschatka ieder jaar vleesch en spek in overvloed
van deze dieren zouden kunnen krijgen. De huid van de Zeekoe bestaat
uit twee lagen: de buitenste is zwart of zwartbruin, één duim dik,
en bijna zoo vast als kurkschors, rondom den kop vol groeven, rimpels
en gaten. Zij bestaat uitsluitend uit loodrechte, onmiddellijk tegen
elkander aanliggende vezels. Deze buitenste schaal kan gemakkelijk van
de hieronder liggende huidlaag afgeschild worden en is, mijns inziens,
uit naast elkander staande, gewijzigde haren ontstaan; ik heb haar
evenzoo bij Walvisschen gevonden. De onderste huidlaag is een weinig
dikker dan een ossehuid, zeer sterk en wit van kleur. Onder deze
beide wordt het geheele lichaam door een vetmassa of speklaag van
vier vingers hoog omgeven, hierop volgt het vleesch. Ik schat het
gewicht van het dier op 1200 pond of 480 centenaars.
"Het verwonderde mij niet weinig, dat ik op Kamtschatka vóór mijn
reis nooit iets van de Zeekoe had vernomen, hoewel ik zorgvuldig
naar alle dieren gevraagd had; na mijn terugkomst hoorde ik echter,
dat dit dier van Kaap Kronotzki tot aan den Awatschagolf verbreid is,
en soms dood aan land geworpen wordt."
DERTIENDE ORDE.
DE WALVISCHACHTIGEN (Cetacea).
Onder de Zoogdieren zijn de _Walvischachtigen_ hetzelfde, wat de
Visschen onder de Gewervelde Dieren zijn: wezens, die uitsluitend in
't water thuis behooren en welker lichaamsbouw in overeenstemming
is met deze levenswijze. Hierop wijst reeds hun grootte; want alleen
in het water kunnen zulke reuzen zich gemakkelijk bewegen, alleen de
oneindig rijke zee kan hun de noodige hoeveelheid voedsel verschaffen.
Het warme bloed, de ademhaling door longen, het zoogen der jongen
en alle andere wezenlijke kenmerken der Zoogdieren hebben de
Walvischachtigen gemeen met de overige orden van deze klasse. In
ieder ander opzicht wijken zij echter (nog veel meer dan de Sirenen)
van de hoogere Zoogdieren af. Ieder weinig ontwikkeld mensch, elk
nog in den toestand van kindsheid verkeerend volk heeft ze tot de
Visschen gerekend; eerst na nauwkeuriger onderzoek van hun aard is
hun de juiste plaats aangewezen.
De romp van de Walvischachtigen is kolossaal en onbehouwen zonder
eenige uitwending waarneembare geleding; de kop, die dikwijls
wanstaltig groot en in den regel ongelijkzijdig gebouwd is, gaat
zonder duidelijk herkenbare begrenzing in den romp over; deze loopt,
naar achteren slanker wordend, in een breede, horizontaal geplaatste
staartvin uit. De achterste ledematen, die bij alle overige Zoogdieren,
met uitzondering van de Sirenen, voorkomen, ontbreken geheel;
de voorste zijn vinnen geworden: men moet ze met het ontleedmes
onderzoeken om ze als handen te herkennen en merkt ook dan nog in
hun maaksel eigenaardigheden op. Een bij sommige voorkomende vetvin,
die zich langs een deel van den rug uitstrekt, draagt er toe bij om
deze dieren op Visschen te doen gelijken. Voorts onderscheiden de
Walvischachtigen zich, wat het uitwendige betreft, door hun groote,
niet door lippen begrensde mondspleet, door hun mondholte, die een
buitengewoon groot aantal tanden of alleen baarden bevat, door hun
dunne, gladde, zachte, vettige, op het gevoel fluweelachtige huid,
die bij uitzondering op weinige plaatsen enkele borstels draagt en
een donkere kleur heeft; de zeer dikke vetlaag maakt deel uit van
deze huid, daar het de buitengewoon dikke lederhuid is, tusschen
welker cellen het vet zich heeft afgezet.
Ook het inwendig maaksel van deze zeereuzen vertoont belangrijke
eigenaardigheden. De beenderen van het geraamte onderscheiden zich
door hun los, sponsachtig weefsel; zij zijn zoo innig doordrongen
met vloeibaar vet, dat dit hun bijna niet ontnomen kan worden; na
gedurende langen tijd gebleekt te zijn, behouden zij altijd nog
een vettig, geelachtig uitzicht; daarentegen ontbreken aan alle
beenderen de mergkanalen. Aan den kolossalen schedel, die slechts
bij zeer weinige soorten in een regelmatige verhouding tot den romp
staat, zijn de beenderen van den kop op een vreemdsoortige wijze
verschoven; zij liggen los op elkander of hangen slechts door weeke
deelen met andere beenderen samen; enkele van hen komen ons nietig
klein (rudimentair), andere opmerkelijk vergroot voor, alle orde
en regel schijnt verdwenen te zijn. Aan de wervelkolom is vooral
het halsgedeelte opmerkelijk. Nog is het gewone aantal wervels
aanwezig, maar deze gelijken, met uitzondering van den eersten,
op dunne platte ringen; opmerkelijk is hun geringe beweeglijkheid;
niet zelden vergroeien zij voor een deel zoo innig met elkander,
dat men alleen aan de openingen, waardoor de paren halszenuwen
het ruggemergskanaal verlaten, kan zien, dat er zeven halswervels
zijn. Bovendien hebben de Walvischachtigen 11 à 14 borstwervels,
10 à 24 lendewervels en 22 à 24 staartwervels; hierbij moet echter
opgemerkt worden, dat men streng genomen alleen van borst- of rug-
en van lende-staartwervels kan spreken, daar een goed ontwikkeld
bekken ontbreekt en een heiligbeen dus niet voorhanden is. Het aantal
ware ribben is zeer gering: de echte Walvisschen hebben er slechts
één paar; meer dan zes paar komen, naar het schijnt, bij geen enkel
lid der orde voor. De valsche ribben zijn altijd veel talrijker dan
de ware. De voorste ledematen zijn eigenaardig door de kortheid en
platheid hunner beenderen en door een in 't oogloopend groot aantal
vingerleden; want, waar bij de andere Zoogdieren drie vingerleden
aanwezig zijn, hebben alle Walvischachtigen in alle vingers (met
uitzondering van den eersten en soms ook van den vijfden) er meer;
het aantal leden van één vinger kan tot 13 stijgen.
Het gebit van de Walvischachtigen is geheel anders samengesteld dan
de tandenstelsels der overige Zoogdieren, ook de beide hoofdgroepen
der orde verschillen in dit opzicht aanmerkelijk van elkander.
Het strottenhoofd is niet geschikt voor het voortbrengen van een
welluidende stem, maar stelt het dier in staat een groote hoeveelheid
lucht tegelijk door te laten. De luchtpijp is zeer wijd; de longen
hebben een aanzienlijken omvang en alle luchtpijptakken staan met
elkander in gemeenschap, zoodat door tusschenkomst van één hunner de
geheele long gevuld kan worden.
De spieren zijn eenvoudig, in overeenstemming met de grootte van
het dier en buitengewoon krachtig. De hoeveelheid zenuwweefsel is
uiterst gering: bij een Walvisch, die 5000 KG. woog en 6 M. lang was,
wogen de hersenen nog geen 2 KG.,--dus niet meer dan bij den mensch,
die zelden 100 KG. zwaar wordt! Alle zintuigelijke organen staan op
een lagen ontwikkelingstrap. De oogen zijn klein, de ooren uitwendig
ternauwernood zichtbaar, als 't ware slechts aangeduid. Toch mag men
hieruit niet afleiden, dat het gezicht en het gehoor onontwikkeld
zijn gebleven. Alle Walvischachtigen bewijzen, dat zij niet alleen
zeer scherp, maar ook op grooten afstand zien kunnen en ook, dat zij
geluiden van allerlei aard goed waarnemen. De reukzin is zeer weinig
ontwikkeld. Over den smaak kunnen wij niet oordeelen; van het gevoel
echter weten wij, dat het eenigermate ontwikkeld is.
Het zal misschien niet eens noodig zijn er op te wijzen, dat zulk een
lichaamsbouw er geheel op berekend is om de Cetaceën voor het leven in
't water geschikt te maken. De horizontaal geplaatste staartvin maakt
het hun mogelijk als 't ware spelenderwijs te duiken en weer boven
te komen en zonder moeite in waterlagen van verschillende diepte hun
voedsel te zoeken. De gladheid van de huid maakt de beweging van de
kolossale lichaamsmassa gemakkelijker, de vetlaag vermindert haar
gewicht, vervangt het ontbrekende haarkleed en biedt tevens de noodige
weerstand voor het verdragen van de ontzaglijke drukking waaraan een
Cetacee is blootgesteld, als hij in de diepte van de zee afdaalt. De
zeer groote longen stellen hem in staat, buitengewoon lang onder
water te blijven.
De Cetaceën vermijden zoo veel mogelijk de nabijheid der kusten;
want het land brengt hun verderf aan. Slechts enkele Dolfijnen leven
in zoet water, andere zwemmen soms de rivieren op, maar doen dit niet
gaarne verder dan tot de plaats, die nog door den vloedstroom bereikt
wordt. Alle overige Walvischachtigen verlaten het zoute water nooit,
maar doorreizen meer of minder geregeld meer of minder uitgestrekte
gedeelten van de zee. Over deze tochten bericht Eschricht onder
anderen het volgende:
"Cetaceën treft men aan in alle zeeën; geen enkele soort van deze
orde heeft echter ergens een vaste verblijfplaats; alle geven, naar
het schijnt, gedurende den zomer de voorkeur aan bepaalde oorden,
terwijl zij zich in den winter in een ander, misschien ver afgelegen
gebied ophouden; zij begeven zich op soortgelijke wijze als de
trekkende dieren in 't algemeen langs tamelijk vast bepaalde wegen
in de lente van de eene zee naar de andere, om in 't najaar naar het
eerste gebied terug te keeren. De Walvischachtigen zijn, evenals de
meeste dieren die geregeld van woonplaats verwisselen, gezellig van
aard. Daar, waar voedsel voorhanden is, vindt men dikwijls honderden
(soms zelfs meer dan duizend) exemplaren, niet slechts van dezelfde
soort, maar ook wel van verschillende soorten bijeen; ook sluiten
zich, volgens de berichten der kustbewoners, bij de groote trekkende
scharen enkele of zelfs verscheidene wezens van andere soort aan,
of vermengen zich met haar."
Alle Cetaceën zijn in de hoogste mate voor beweging geschikt. Zij zijn
volslagen meesters in het zwemmen; zij doen dit zonder eenige merkbare
inspanning, sommige met een onvergelijkelijke snelheid. Volgens Sir
William Turner ontwikkelt een Walvisch van 48 voet lengte en 74 ton
gewicht, met een staartvin van 20 voet breedte een arbeidsvermogen
van 145 paardekracht, wanneer hij met een snelheid van 12 knoopen,
d.i. meer 22 K.M. in 't uur, voortzwemt. Met de krachtige spieren,
die de omvangrijke staartvin bewegen, kunnen zij hun ontzaglijk
zwaar lichaam betrekkelijk ver boven den waterspiegel opheffen en dus
echte luchtsprongen doen. Gewoonlijk bevinden zij zich dicht bij de
oppervlakte; misschien dalen zij, alleen wanneer zij gewond worden,
naar groote diepten af. De bovenste waterlaag is hun eigenlijk gebied,
omdat zij met den kop en een deel van den rug boven water moeten komen
om adem te halen. De vervanging van de reeds in 't lichaam aanwezige
door versche lucht geschiedt op de volgende wijze: In de eerste
plaats blaast de Cetacee die bovengekomen is, met een luid snuivend
gedruisch het water, dat in de slechts onvolledig gesloten neusgaten
doordrong, met zooveel geweld uit, dat het zich in fijne druppels
verdeelt, maar toch nog 5 à 6 M. hoog opgeworpen wordt. Deze straal
uitgeademde lucht kan het best vergeleken worden met een stoomstraal,
die uit een nauwe buis ontsnapt; ook het snuiven herinnert aan het
gedruisch, dat de stoom in het bedoelde geval maakt. Een waterstraal,
zooals uit een fontein opspringt, wordt door geen enkel Walvischachtig
dier uitgeworpen, hoewel de meeste teekenaars hem zoo afbeelden, en
vele natuurbeschrijvers hem zoo opgeven. Dadelijk na het uitademen
neemt het dier, eveneens met een luid hoorbaar steunend gedruisch,
door één, snelle inademing de noodige hoeveelheid lucht op; dikwijls
wisselt het drie-, vier- of vijfmaal in de minuut van adem, slechts
de eerste maal na het bovenkomen wordt een straal uitgeworpen, hoewel
men bij eenigermate koel weder nog altijd een door de uitademingslucht
gevormden nevel kan waarnemen. De neusgaten zijn zoo gunstig gelegen,
dat de Cetacee bij het omhoogrijzen altijd het eerst met hem boven
't water komt; op deze wijze geschiedt het ademhalen even gemakkelijk
als bij andere dieren. Een ongestoord voortzwemmende groote Cetacee
zal misschien 5 à 15 minuten lang gelijkmatig ademen, en blijft
daarbij voortdurend met de neusgaten boven den waterspiegel of zakt
na de ademhaling een weinig beneden de oppervlakte; soms zal hij
nog veel langer op deze wijze voortgaan, voordat hij zijn behoefte
aan lucht bevredigd heeft. Daarna begeeft hij zich weder naar de
diepte, en blijft misschien 10 à 20 minuten, dikwijls nog langer
onzichtbaar. Vervolgde groote Cetaceën kunnen echter ook wel 30 à
50 minuten onder water blijven. Een geharpoeneerde Potvisch bleef,
naar Pechuel-Loesche heeft opgemerkt, bijna een uur, een andere,
eveneens gekwetste, niet minder dan 80 minuten onder water en dook
intusschen 1300 M. diep. Als de luchttoevoer geheel wordt afgesneden,
sterft de Cetacee even goed als ieder ander Zoogdier door verstikking,
volgens de ervaring van walvischjagers zelfs na zeer korten tijd. Ook
sterven deze dieren betrekkelijk spoedig, wanneer zij op het droge
geraken; deze ligging bemoeilijkt de ademhaling, daar het uitzetten
van de borstholte nu met het opheffen van het geheele zware lichaam
gepaard moet gaan.
Alle Cetaceën voeden zich met dieren en slikken waarschijnlijk slechts
bij toeval planten door; nauwkeurige onderzoekingen moeten echter
nog uitmaken of één soort van Vinvisch de wieren, die men dikwijls in
groote hoeveelheid in zijn maag vindt, niet opzettelijk verzwelgt, en
of een soort van Dolfijn de vruchten, die in de rivier gevallen zijn,
niet opeet. De door hen begeerde buit bestaat uit groote en kleine
zeedieren, die tot zeer verschillende klassen van het dierenrijk
behooren. Juist de grootste soorten gebruiken de kleinste zeedieren
als voedsel, terwijl daarentegen juist de kleinere soorten de flinkste
roovers zijn.
Hoe lang de drachtigheid duurt, is nog niet uitgemaakt. Wel is
waar wordt ondersteld, dat zij slechts 6 à 10 maanden aanhoudt;
feiten tot steun voor deze bewering zijn echter moeielijk bijeen te
brengen. G. A. Guldberg is door uitvoerige vergelijkende onderzoekingen
tot de uitkomst geraakt, dat de duur van de drachtigheid der groote
soorten van Vinvisschen hoogst waarschijnlijk 10 à 12 maanden, die van
de grootste echter meer dan een jaar bedraagt. Het pas geboren jong
is reeds zeer ontwikkeld; zijn lengte is 1/3 à 1/4 van die der moeder.
Vroegere onderzoekers berichten, dat de zoogende moeder op de gewone
wijze haar gang gaat, en het aan den tepel gehechte jong eenvoudig
medesleept; Scammon daarentegen verzekert nadrukkelijk, dat zij bij
het vervullen harer moederplicht als verslapt in het water ligt,
bijna het geheele achterdeel van haar lichaam boven den waterspiegel
heft en een weinig op zijde gaat liggen, om aan het jong gedurende
het zuigen het meest mogelijke gemak te verschaffen. Voor het kind
zijn de melkklieren ongetwijfeld zeer gunstig gelegen; het vat den
grooten, buitengewoon melkrijken tepel met de spits van den snuit;
het zuigt natuurlijk met tusschenpoozen, daar het zich van tijd tot
tijd naar de oppervlakte moet begeven om adem te halen. De moeder
verzorgt haar jong met roerende liefde; zij stelt zich om zijnentwil
zonder aarzeling aan alle gevaren bloot, die beider leven bedreigen
en verlaat het nooit, zoolang het leeft. Het jong groeit, naar het
schijnt, langzaam. Hoe lang de Cetaceën leven, weet men niet.
Ook de Cetaceën hebben vijanden, vooral gedurende den eersten tijd
van hun leven. Verscheidene Haaien en de Zwaardvisch maken in den
letterlijken zin van 't woord jacht op jonge Cetaceën; ook oudere
dieren worden door hen aangevallen; zij kunnen dan dagen lang volop
eten van het reusachtige lichaam. Een veel gevaarlijker vijand van de
Walvischachtigen dan alle zeemonsters is de mensch. Reeds sinds meer
dan 1000 jaren heeft hij op vele soorten van deze orde jacht gemaakt,
en eenige reeds nagenoeg verdelgd.
Aanvankelijk heeft de mensch zich waarschijnlijk tevreden gesteld met
de Walvischachtige dieren, die de zee hem toevertrouwde, d. w. z. met
die, welke door stormen op het strand geworpen werden. Eerst later
kwam hij op het denkbeeld zich met de reusachtige bewoners der zee
in den strijd te meten. Aan de Basken wordt de eer toegeschreven
voor het eerst schepen voor de walvischvangst te hebben uitgerust;
zij deden dit reeds in de 14e en 15e eeuw. Aanvankelijk bepaalden
deze koene zeelieden zich tot het opzoeken van de Vinvisschen
in de golf, die naar hun vaderland genoemd is. Reeds in het jaar
1372 echter zetten zij koers naar het noorden en ontdekten hier
de eigenlijke walvischgronden. Omstreeks het jaar 1450 rustten de
reeders van Bordeaux eveneens vaartuigen uit, om den kostbaren
buit in de oostelijke gedeelten van de Noordelijke IJszee op te
zoeken. Burgeroorlogen verlamden de scheepvaart en den handel
der Basken; de inval der Spanjaarden in hun land in het jaar 1633
maakte aan hun walvischvangst voor altoos een einde. Door de zeer
goede uitkomsten die zij verkregen hadden, werden andere zeevarende
volken uitgelokt om hen na te volgen; reeds in de 16e eeuw vertoonden
zich Engelsche, en kort daarna Hollandsche walvischvangers in de
Groenlandsche zeeën. In den beginne geschiedde dit met behulp van
Baskische harpoeniers. In het jaar 1612 voeren de twee eerste schepen
uit Nederland ter walvischvangst uit, maar met ongelukkig gevolg; daar
zij door de Engelschen, die in 1608 de eerste schepen voor hetzelfde
doel hadden uitgerust, genomen en van hun vangst en al hun vischtuig,
ter gezamenlijke waarde van f 130.000 beroofd werden. In 1614 werd
weder een schip te Hoorn voor de walvischvangst uitgerust: het kwam
met een goede lading thuis. Door dit gelukkig begin aangespoord,
vereenigden zich verscheidene kooplieden te Amsterdam tot een
maatschappij, die (volgens een reeds in 1611 opgemaakt ontwerp) in 1614
"consent en octrooi verkreeg om voor den tijd van tien eerstkomende
jaren alleen te mogen handelen van Nova-Zembla tot Straat-Davis toe,
daaronder begrepen Spitsbergen, 't Beren-eiland, Groenland en andere
eilanden, die onder de voorschreven limiten zouden mogen gevonden
worden." In deze Noordsche Maatschappij werden later ook kooplieden
uit andere steden en gewesten opgenomen; haar octrooi werd in 1617,
1622, 1634 gewijzigd en verlengd. In 1641 werd het monopolie opgeheven
en de vangst geheel vrijgelaten; in 1645 werd de Noordsche compagnie
ontbonden. Vooral de in 1596 door de Hollanders ontdekte eilanden-groep
Spitsbergen was aanvankelijk voor de vangst van Zee-zoogdieren zeer
gelegen. In 1617 werd bij minnelijke schikking een verdeeling van de
kusten dezer eilanden tusschen de verschillende bij de vischvangst
belanghebbende natiën tot stand gebracht. De Nederlanders vestigden
zich op het Amsterdammer-eiland, waar drie zeer vischrijke baaien (de
Noord- en Zuidbaai en de Hollandsche baai) een ruime vangst beloofden,
en een veilige ligplaats voor de schepen aanboden. Zij richtten op
dit eiland hunne traan-kokerijen op en bouwden er een soort van dorp,
dat den naam van Smeerenburg ontving. "In den aanvang en eerste opkomst
der visscherij, vond men de Walvisschen nog in hun eerste natuurlijke
onnoozelheid; gedurende vele eeuwen in veiligheid en ongestoord
geleefd hebbende, en onkundig zijnde van de lagen hunner vijanden,
vreesden zij de komst der vloten niet, maar zwommen in groote menigte
rondom de kusten van Spitsbergen, zoowel binnen als buiten het ijs;
en dewijl de banken, gronden en baaien overal met aas bezet waren,
zag men hen zelfs in de baaien spelen, en het land en de eilanden
naderen. De visscherij was derhalve toen aan veel minder zwarigheden
onderworpen dan tegenwoordig; men zeilde naar de kusten zonder het
ijs aan te doen, hetwelk men als rotsen zorgvuldig meed; men ving de
Walvisschen, bracht het spek aan land, en kookte er traan van, welke
men vervolgens in de schepen bracht en naar Nederland overvoerde. De
overvloed van traan, welke men jaarlijks aan den wal kookte, was
in den beginne zoo groot, dat men ledige schepen huurde, en ze,
wanneer de vloot wel geladen thuis gekomen was, naar Smeerenburg
zond, om de overige traan af te halen. De voordeelige vangst, welke
onmeetbare schatten aanbracht, gaf geen geringe levendigheid op het
dorp Smeerenburg, dat, omtrent denzelfden tijd als Batavia gesticht,
toen geen mindere vertooning van bloei en voorspoed maakte, dan de
thans zoo beroemde hoofdstad van Neerlandsch Indië."