"Hum! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb het nooit op hem gehad."

"Ik weet niet waarom wij hem zouden wantrouwen. Hij heeft zich nooit

vijandig jegens ons gedragen."

"Dat is wel mogelijk; maar toch is hij de man niet, op wien ik mij

zou verlaten. Kent hij de plaatselijke gesteldheid hier goed?"

"Ja."

"Kent hij ook den weg, die door het keteldal naar het meer loopt?"

"Dien weg kent hij, want hij is met mij daar geweest."

"Dan weet ik genoeg. Wij moeten dadelijk opbreken, om naar het meer

te komen."

"Waarom?"

"Omdat hij dien weg aan de Utahs verraden zal hebben."

"Daartoe acht ik hem niet in staat!"

"Maar ik wel. Het is mogelijk, dat ik mij vergis; misschien heeft hij

niet uit eigen beweging, maar door dwang uit de school geklapt, maar

dat doet er niets toe; ik ben overtuigd dat de Utahs sedert een uur weg

zijn, en dat zij in twee uur tijds aan het meer zullen verschijnen."

"Dat denk ik ook," zei Old Firehand.

"Het Lange Oor heeft geen gunstig uiterlijk," merkte Winnetou op. "Mijn

broeders moeten snel naar het meer gaan, anders zijn de Utahs daar

eer dan wij, en nemen Butler en zijn dochter gevangen."

Daar de drie mannen van hetzelfde gevoelen waren, verloor de Groote

Beer eenigszins zijn vertrouwen, en kantte zich niet verder aan tegen

een onmiddellijk vertrek. Men steeg te paard en reed den canon op,

zoogoed als het in de duisternis gaan wilde.

Er verliep nog een uur eer men den ingang van het dal bereikte, waarin

zich het meer bevond. Die ingang werd bezet, en wel door blanken,

daar men, nu hun hoofdman verdwenen was, de Timbabatsjen niet meer

blindelings vertrouwen mocht.

Butler bevond zich niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in

het gebouw gezeten; onder hen lagen de gevangenen, die met elkander

spraken. Men hoorde boven het doffe geluid van hun stemmen; dat

klonk zoo spookachtig, dat Ellen bang begon te worden en aan haar

vader verzocht, het eiland te verlaten en met haar naar den oever te

gaan. Aan dit verzoek voldeed hij, en roeide naar wal. Toen het nacht

werd, stak hij een vuur aan, doch was zoo voorzichtig, er niet vlak bij

te gaan zitten; hij nam integendeel met Ellen in de schaduw plaats,

van waar beiden den verlichten omtrek konden overzien, zonder zelf

opgemerkt te worden. Het was voor hen niet bijzonder aangenaam zoo

alleen op deze eenzame en gevaarlijke plaats te zijn; daarom waren

zij blij, toen de blanken met de Timbabatsjen terugkeerden.

Daar de Utahs nog in geen uur verwacht konden worden, was het

voldoende, de helft der Rafters vóór den ingang te posteeren. De

overige blanken legerden zich om het vuur; de Timbabatsjen legden

een tweede vuur aan, bij hetwelk zij plaats namen en zich over

het verdwijnen van den hoofdman onderhielden. Zij hielden zich

overtuigd, dat die zonder het te willen in handen van de Utahs was

gevallen. Dat de blanken hem van verraad verdachten, was wijselijk

voor hen verzwegen.

Sedert de aankomst bij het meer had Watson, de vroegere opzichter

over de baanwerkers, geen gelegenheid gehad, om met den Grooten Beer

te spreken, en deze had niet op hem gelet. Toen zij nu echter dicht

bij elkander bij het vuur zaten, zei de blanke tegen den Roodhuid:

"Mijn roode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Hij moest mij

eens goed aankijken en mij dan zeggen, of hij zich niet herinnert

mij reeds vroeger gezien te hebben."

De Beer wierp een uitvorschenden blik op hem, en antwoordde toen:

"Mijn blanke broeder draagt nu een langeren baard dan vroeger; maar

ik herken hem toch."

"Welnu, wie ben ik dan?"

"Een van de twee bleekgezichten, die hierboven den geheelen winter

doorgebracht hebben. Toen leefde Ikhatsji-tatli nog, de Groote Vader,

die ziek was en die door u verpleegd werd, tot hij stierf."

"Ja, wij verpleegden hem en hij was ons zeer dankbaar daarvoor. Hij

gaf ons een geschenk, zooals de Groote Beer zich misschien nog wel

herinneren zal."

"Ik weet het," zei de Roodhuid, met zijn hoofd knikkende, doch op

een manier, alsof hij liever niet daarvan hoorde.

"Het was een geheim, dat hij ons toevertrouwde, een geheim over een

schat, die hier verborgen ligt."

"Ja, doch de Groote Vader deed zeer verkeerd, toen hij van dat geheim

sprak. Hij was oud en zwak geworden, en de dankbaarheid was oorzaak,

dat hij zich niet herinnerde een gelofte gedaan te hebben, om daarover

ten allen tijde het stilzwijgen te bewaren. Hij mocht over dit geheim,

dat zijn nakomelingen moesten erven, slechts met zijn zoon en zijn

kleinzoon spreken. De voorwerpen, waarvan sprake is, waren zijn

eigendom niet; hij mocht er niet het geringste van weggeven. In het

bijzonder was het zijn plicht, tegen bleekgezichten te zwijgen."

"Dus denkt gij, dat ik het recht niet heb, over deze zaak te spreken?"

"Dat kan ik u niet verbieden."

"Wij hebben een teekening daarvan gehad."

"Daar hebt gij niets aan; want als gij u daarnaar richt, zult gij niets

vinden. Ik heb de bewaarde voorwerpen op een andere plaats gebracht."

"En mag ik niet weten waar?"

"Neen."

"Dan zijt gij minder dankbaar, dan uw vader was?"

"Ik doe mijn plicht; doch ik zal het nimmer van u vergeten, dat gij bij

zijn afsterven tegenwoordig zijt geweest. Gij behoeft er echter niet

aan te denken, van het geheim partij te trekken; maar elken anderen

wensch, dien gij mij te kennen zult geven, zal ik volgaarne vervullen."

"Is dat u ernst?" vroeg Old Firehand.

"Ja. Mijn woorden zijn altijd zoo gemeend, als ze door mij gesproken

worden."

"Dan zal ik in plaats van hem een wensch te kennen geven."

"Doe dat! Indien het in mijn macht ligt, zal ik er gaarne aan voldoen."

"Wie is de eigenaar van het land, waar wij ons hier bevinden?"

"Dat ben ik. Ik heb het van de Timbabatsjen verworven, en hoop het

eenmaal aan mijn zoon, den Jongen Beer, na te laten."

"Kunt gij uw recht daarop bewijzen?"

"Ja. Bij de roode mannen geldt het woord; doch blanke mannen verlangen

een papier met zwarte letters er op. Ik heb zulk een papier laten

maken, en het door de blanke hoofdmannen laten onderteekenen. Er is

ook een groot zegel aan gehecht. Het land aan het Zilvermeer, zoo ver

als het rondom door de bergen ingesloten wordt, is mijn eigendom. Ik

kan er mee doen, wat mij goeddunkt."

"En aan wien behoort het keteldal toe, door hetwelk wij thans hier

gekomen zijn?"

"Aan de Timbabatsjen. De blanke hoofdmannen hebben de geheele

streek uitgemeten en in kaart gebracht: daarop heeft de blanke

Vader in Washington het onderteekend, dat het het eigendom van de

Timbabatsjen is."

"Die kunnen dus daarvan verkoopen, verpachten of weggeven, wat zij

willen?"

"Ja, niemand kan daar iets tegen inbrengen."

"Dan zal ik u zeggen, dat ik het keteldal van hen wil koopen!"

"Doe het!"

"Hebt gij er niets tegen?"

"Neen. Ik kan hun niet verbieden te verkoopen en u niet, te koopen."

"Dat is eigenlijk de bedoeling niet, maar wel of het u aangenaam zou

zijn, ja dan neen, ons in uw buurtschap te krijgen."

"Ons zegt gij, dus niet u alleen? Wilt gij dan allen in het keteldal

wonen?"

"Natuurlijk. Ik wil ook het land koopen, waarin de rotsengte ligt

tot aan uw grenzen."

Het gezicht van den Grooten Beer nam een uitdrukking van oolijkheid

aan, toen hij vroeg: "Waarom wilt gijlieden juist op een plaats komen

wonen, waar geen water is, en waar geen enkel grashalmpje groeit? De

blanke koopt alleen zulk land, dat hem groot voordeel oplevert. Ik

raad uw gedachten. De steenen, de rotsen hebben waarde voor u."

"Zoo is het. Doch de steen wordt eerst dan van waarde, wanneer wij

water kunnen bekomen."

"Neemt dan water uit het meer!"

"Dat is juist hetgeen ik van u verzoeken wilde."

"Gij kunt zooveel water krijgen, als gij noodig hebt."

"Mag ik een waterleiding aanleggen?"

"Ja."

"Gij verkoopt aan mij het recht daartoe en ik betaal u er voor?"

"Als gij dit noodig vindt, heb ik er niets tegen. Gij kunt zelf den

prijs bepalen, doch ik schenk het u. Gij hebt mij een grooten dienst

bewezen, want zonder ulieden waren wij in handen van de Utahs gevallen;

en daarom zal ik aan al uw wenschen te gemoet komen. De man, die het

eerst met mij gesproken heeft, wilde de schatten van mijn geheim

hebben; en daaraan valt niet te denken; maar daarentegen wil ik

ulieden volgaarne behulpzaam zijn, om de schatten uit het keteldal

op te graven. Gij hoort dat ik raad wat uw doel is. En het zal mij

genoegen doen, als alles uitvalt naar uw verwachting."

"Ons karretje rijdt op een zandweg," fluisterde Hobble-Frank tegen

zijn neef. "Het water hebben wij dus al, ten minste zoodra wij het

hebben willen; als het goud dan ook zoo willig vloeit, kunnen wij

spoedig Crassussen worden."

"Bedoelt gij bijgeval Cresussen? Cresus is immers die koning geweest,

die zoo schatrijk was?"

"Begin nu ook maar niet zooals de dikke Jemmy, die altijd in de

verkeerde conterpunctie vervalt! Crassus is de ware modulatie. Als

gij mijn vriend en neef wilt blijven, dan.... hé luister!"

Vóór den ingang liet zich een fluitje hooren. Dat was het met de

rafters afgesproken sein. De Roodhuiden bleven zitten, maar de blanken

sprongen op, en snelden naar den ingang van het dal. Daar aangekomen,

vernamen zij, dat men uit de richting van de rotsengte een gedruisch

als van paardenhoeven vernomen had. Snel werden de noodige maatregelen

genomen. De blanken waren onder en achter de boomen verscholen,

en wachtten in spanning wat er komen zou.

Vóór hen stond het reeds vermelde kreupelbosch. De tusschenruimten

werden door de maan voldoende verlicht. Hobble-Frank en Droll lagen

naast elkander. Zij hadden een tamelijk ledige ruimte vóór zich,

die zij met argus-oogen bespiedden.

"Zeg," fluisterde Frank, "beweegt zich niet iets daar links van

het houtgewas?"

"Ja. Ik zie drie donkere stippen. Dat moeten Indianen zijn."

"Goed! Die zullen dadelijk gewaarworden, dat ik thans eigenaar ben

van een puikpuik geweer."

Hij legde aan. Daar verrees een der Indianen, om de open ruimte ijlings

over te steken. Hij was in den maneschijn duidelijk te herkennen. Het

schot uit Frank's geweer ging af, en de Indiaan viel, in de borst

getroffen, neer. Zijn beide kameraden snelden naar hem toe, om hem in

veiligheid te brengen; een rafter mikte op hen, doch raakte hen niet;

zij verdwenen met den doode.

Er verliep een poos, zonder dat men iets verder hoorde of zag. Dit was

wel wat bevreemdend. Daarom kroop Winnetou voorwaarts, om de voor hen

liggende open ruimte voorzichtig af te zoeken. Na verloop van ongeveer

een kwartier kwam hij terug op de plaats, waar hij zich met Old

Firehand, Shatterhand en den Grooten Beer bevonden had, en berichtte:

"De krijgslieden der Utahs hebben zich in tweeën gesplitst. De eene

helft van hen houdt met al de paarden de wacht, daar links, waar de weg

uit het keteldal komt; de anderen zijn rechts geposteerd aan het begin

van den canon; daar hebben zij een gat gemaakt, waarin zij verdwijnen."

"Een gat?" vroeg de Beer verschrikt. "Dan kennen zij de onderaardsche

gang, en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben

dan het Lange Oor. Maar hoe is die daarachter gekomen? Gaat met mij

mee! Ik moet zien, of het waar is."

Hij snelde vooruit, op de hoogte van den dam aan, en de drie anderen

volgden hem. Weldra zagen zij onder zich den ingang van den canon,

onder de boomen verscholen, bloot liggen. De steenhoop was verwijderd,

en in den maneschijn herkende men de Utahs, die de onderaardsche

gang ingingen.

"Ja, zij kennen mijn geheim," zei de Groote Beer. "Zij willen naar

het eiland, om ons in den rug te komen, en zij willen zich van mijn

schatten meester maken. Maar dat zal hun niet gelukken. Ik moet

vliegens naar het eiland. Laten Old Firehand en Old Shatterhand met

mij meegaan; Winnetou kan hier blijven; ik moet hem iets laten zien."

Hij bracht den Apache eenige schreden voorwaarts, naar een punt,

waar de dam loodrecht in het meer viel. Daar lag een groot, eenige

centenaars zwaarte hebbend rotsblok op een onderlaag kleinere steenen,

die zeer eigenaardig gerangschikt waren. De Groote Beer wees naar een

dier steenen, en zeide: "Zoodra Winnetou van hier ziet, dat ik op het

eiland een vuur aansteek, moet hij tegen dien steen stooten, waarop dit

rotsblok in het water zal rollen. Mijn roode broeder moet echter snel

achteruitspringen, en niet schrikken, als hij een groot gekraak hoort."

"Waarom moet het rotsblok het water in?" vroeg Winnetou.

"Dat zult gij later zien. Er is nu geen tijd om u dit op te helderen;

ik moet weg. Gauw."

Hij snelde heen, en de twee jagers volgden hem. Bij het vuur

aangekomen, rukte hij een brandend stuk hout er uit, en stapte in

een der booten. Terwijl hij moest oppassen dat de vlam niet uitging,

grepen Firehand en Shatterhand de roeiriemen; zij staken van wal,

en roeiden op het eiland aan. Daar sprong de Groote Beer vlug uit de

boot, en snelde het gebouw in. Op den grond lag kurkdroog rijshout;

dat bracht hij naar buiten, en stak het in brand.

"Nu moeten mijn broeders luisteren!" zei hij, met de hand in de

richting wijzende, waar Winnetou was achtergebleven.

Uit die richting hoorde men een kort, holklinkend gerommel; toen het

sissen van het onder het neerstortende rotsblok opbruisende water,

en daarop een gekraak en geraas alsof er een huis instortte.

"Het is gelukt!" riep de Groote Beer, diep adem scheppende. "De Utahs

zijn verloren. Komt mee naar binnen!"

Hij ging weer het gebouw in, en wel naar het vertrek, waar zich de

haard bevond. Deze stond bevestigd, zooals de beide jagers nu zagen,

op een beweegbaar onderstel, want de Roodhuid schoof dat zonder de

minste inspanning ter zijde. Daardoor werd er een opening zichtbaar,

waarboven de Beer luisterde.

"Zij zijn er in; zij zijn beneden; ik hoor hen komen," zei hij. "Nu

moet gauw het water er in!"

Hij snelde naar buiten, naar de achterzijde van het gebouw; wat hij

daar uitvoerde, konden de twee anderen niet zien; doch toen hij

terugkeerde, wees hij naar een dichtbijzijnde plek van het meer,

en zei: "Ziet gij, dat dáár beweging in het water is? Het vormt daar

een draaikolk, een trechter; want het wordt naar beneden getrokken,

en het stroomt daar in de onderaardsche gang, die ik opengezet heb."

"Groote genade! Dan moeten de Utahs immers jammerlijk verdrinken!" riep

Shatterhand.

"Ja, allen, allen! Niet één hunner zal het ontkomen!"

"Ontzettend! Ware dat niet te vermijden geweest?"

"Neen. Er mag er niet één ontkomen, om te vertellen, wat hij

daarbeneden gezien heeft."

"Maar uw eigen gebouw hebt gij ook vernietigd!"

"Ja, het is vernietigd, en kan nooit opgebouwd worden. De schatten

zijn voor de menschen verloren; geen sterveling zal ze naar boven

kunnen brengen, want het eiland zal nu tot boven toe verdwijnen onder

water. Komt even binnen!"

De beide blanken voelden een ijskoude rilling over al hun leden

gaan. Het stijgende water onder hen joeg de duffe lucht uit de gang

naar boven; men voelde die door de opening uit den grond komen. Dat

beteekende den dood van ver, ver over de honderd menschen.

"Maar onze gevangenen, die zich hiernaast bevinden?" vroeg Old

Shatterhand. "Die verdrinken immers ook!"

"Neen. Die muur kan eenigen tijd standhouden. Maar dan natuurlijk,

moeten wij hen er uit halen. Luister!"

Men hoorde beneden een geruisch, en toen zag men een Roodhuid met een

fakkel in de hand opduiken. Het was het Lange Oor. De Groote Beer wilde

hem ook laten verdrinken, doch op Firehands verlangen zag hij van die

wreedheid af. Nauwelijks bevond de Timbabatsj zich in veiligheid,

of binnen in het eiland stond het water even hoog als daarbuiten,

en de trechtervormige draaikolk was verdwenen.

Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Het was hem nu niet

mogelijk op zijn beenen te staan. De Groote Beer nam plaats tegenover

hem, haalde zijn revolver uit den gordel, en zei op dreigenden toon:

"Nu kan de hoofdman der Timbabatsjen vertellen, hoe hij met de Utahs

in de onderaardsche gang is gekomen. Als hij mij voorliegt, zal ik

hem een kogel door den kop jagen. Kende hij het geheim van het eiland?"

"Ja," bekende de andere.

"Wie heeft dat aan u verraden?"

"Gij zelf."

"Dat is niet waar!"

"Het is wel waar. Ik zat ginds onder den ouden levenseik, toen u met

uw zoon kwam. Gij beiden bleeft in mijn nabijheid stilstaan, en toen

hoorde ik u spreken over het eiland, zijn schatten en de onderaardsche

gang waardoor men het water in den canon kan laten loopen. Herinnert

gij u dat?"

"Ja, dat is waar. Wij hebben daar over dat een en ander staan

praten. Wij dachten dat wij alleen waren."

"Ik begreep uit uw woorden, dat de onderaardsche gang begon, waar

die steenhoop lag. Den volgenden morgen hebt gij jacht gemaakt op een

hert, en van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om den steenhoop

te verwijderen. Ik ben de gang ingegaan, en zag toen fakkels. Toen

wist ik genoeg, en hoopte de steenen weer op hun plaats op elkander."

"En van daar zijt gij naar de Utahs gegaan, om het geheim aan hen

te verraden!"

"Neen. Ik wilde hen beluisteren, maar ik werd gepakt. Louter om

mij te redden heb ik toen over die onderaardsche gang en het eiland

gesproken."

"Dat was lafhartig. Indien Old Shatterhand niet bemerkt had, dat u

verdwenen was, zou het verraad gelukt zijn, en onze zielen hadden

reeds morgen de eeuwige jachtgronden betreden. Hebt gij gezien,

wat beneden in het eiland lag?"

"Ja."

"En hebt gij de pakketten geopend?"

"Maar één er van."

"En wat zat daarin?"

"Een god, van zuiver goud vervaardigd."

"Geen menschelijk oog zal het ooit weerzien, ook het uwe niet. Wat

denkt gij wel dat gij verdiend hebt?"

De Timbabatsj zweeg.

"Den dood! Een tienvoudigen dood! Maar gij zijt mijn vriend en

kameraad geweest, en die bleekgezichten hebben liever, dat ik u niet

zal dooden. Gij zult dus blijven leven, maar alleen dan, wanneer gij

doet wat ik van u verlang."

"Wat verlangt gij?"

"Ik zal u een eed, een duren eed afnemen, een eed, dat gij nooit

of nimmer aan iemand ter wereld iets hoegenaamd zult zeggen van het

eiland, of van hetgeen zich daarin bevindt."

"Ik ben bereid te zweren."

"Nu niet, doch later. En dan verlang ik van u, dat gij doen zult, wat

Old Firehand van u hebben wil. Hij wenscht in het keteldal te komen

wonen, en hij wil het van u koopen. Gij moet het voor een billijken

prijs aan hem afstaan, en tevens den weg, die uit het dal naar het

meer loopt."

"Wij hebben het keteldal niet noodig; want het is ons tot niets nut;

wij kunnen er geen paard laten grazen."

"Nu, wat vraagt gij er voor?"

"Dat moet ik eerst met de andere Timbabatsjen bespreken."

"Die zullen u vragen wat zij er voor eischen moeten, en dat zult gij

zelf dan moeten bepalen. Daarom zal _ik_ u nu maar zeggen, wat gij

moogt eischen. Old Firehand zal u twintig geweren, twintig pond kruit,

tien paardedekken, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is

niet te weinig. Neemt gij daar genoegen mee?"

"Ja, en ik zal zorgen, dat ook de anderen er genoegen mee nemen."

"Gij zult met Old Firehand en eenige getuigen naar den

dichtstbijzijnden hoofdman der bleekgezichten moeten gaan, om den koop

daar geldig te laten verklaren. Daarvoor zult gij nog een bijzonder

geschenk ontvangen, groot of klein, veel of weinig, naarmate gij

verdient, of zooals Old Firehand zal goedvinden te geven. Gij ziet,

dat ik bedacht ben geweest op uw belang; maar ik hoop, dat gij uw

best zult doen, om mij uw verraad te doen vergeten. Roep nu eenigen

van uw onderhebbenden hier, die de gevangen Utahs naar de overzijde

moeten brengen, anders verdrinken die ook nog."

Het Lange Oor gehoorzaamde aan zijn bevel, en het was hoog tijd,

dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Toen de laatste van

hen buiten voor het gebouw neergelegd was, hoorde men een borrelen en

sissen; het water had den dunnen muur ingedrukt en was nu ook aan die

zijde den kelder binnengedrongen. Het had geen tien minuten langer

moeten duren, of de Utahs waren verdronken.

Zij werden in de kano's naar den overkant gebracht, en onder de

bewaking gesteld van de Timbabatsjen, wier hoofdman echter niet bij hen

gelaten werd, daar men hem toch nog niet geheel durfde vertrouwen. Hij

moest mee naar den ingang, waar de blanken nog nauwlettend op hun

post lagen, daar de Utahs tegenover hen stonden en zich nog niet

terug hadden getrokken.

Die lieden wisten niet hoe zij het hadden. De meesten van hen, die naar

het eiland hadden moeten gaan, waren de gang reeds binnengedrongen,

toen deze plotseling door een kolossale steen- en aardmassa werd

ingedrukt. Die massa had velen der mannen verpletterd en de gang zoo

volkomen en vast versperd en verstopt, dat het water van het meer

niet naar buiten kon wegloopen. En dat was juist de bedoeling van den

Grooten Beer geweest. Het water mocht niet naar buiten in den canon

wegvloeien, doch moest in het inwendige van het eiland binnendringen.

De achterste Utahs, die niet onder de steenen bedolven werden, waren

verschrikt achteruit gevlucht naar de andere afdeeling, om daar te

vertellen, wat er gebeurd was. Men wist niet of allen, die zich in de

gang hadden bevonden verloren waren, dan wel of het misschien aan hen,

die niet totaal verpletterd waren geworden, gelukt was, het eiland

te bereiken. Was dit laatste het geval, dan moesten die krijgslieden

de blanken in den rug aantasten. Men wachtte van minuut tot minuut,

of dat zou geschieden, doch de tijd verstreek, zonder dat die hoop

verwezenlijkt werd. Het stond nu zoogoed als vast, dat allen bij de

ramp waren omgekomen.

Het werd dag, en nog bleven de Utahs met hun paarden op dezelfde

plaats. Om niet door de bleekgezichten overrompeld te worden, hadden

zij eenige posten uitgezet. Daar zagen zij eensklaps Old Shatterhand

onder de boomen verschijnen. Hij riep hun toe, dat hij met hun

aanvoerder wenschte te spreken. Deze was overtuigd, dat de jager geen

verraad beoogde, en ging hem te gemoet. Toen zij dicht genoeg bij

elkander waren, zei Old Shatterhand: "Weet gij, dat wij verscheiden

van uw hoofdmannen en krijgslieden als gijzelaars bij ons hebben?"

"Dat weet ik. Het zijn de beroemdsten van onze mannen," antwoordde

de aangesprokene somber.

"En weet gij, wat er met uw krijgslieden, die de onderaardsche gang

binnengedrongen waren, gebeurd is?'

"Neen."

"De gang is ingestort en het water is er naar binnen gedrongen;

zij zijn allen verdronken. Alleen het Lange Oor is den dans

ontsprongen. Zooeven zijn de verwachte tweehonderd Navajos

aangekomen. Wij zijn dus veel sterker dan gij, doch wij haken niet naar

uw bloed, wij willen vrede met u sluiten. De gijzelaars gelooven niet,

dat zoo velen der uwen in het meer hun dood hebben gevonden. Laat

een uwer het hun vertellen, opdat zij overtuigd worden. Sluit gij

geen vrede, dan moeten zij binnen een uur tijds sterven, en ulieden

zullen wij zoo lang op de hielen zitten en achternajagen, tot gij

er bij neervalt. Wees verstandig, en ga nu met mij mee! Ik zal u

bij de hoofdmannen brengen, spreek met hen, en dan kunt gij naar

hier terugkeeren."

De man keek eenige oogenblikken voor zich neer, en zei toen: "Old

Shatterhand kent geen arglist. Gij zult woord houden en mij terug

laten keeren. Ik vertrouw u en ga mee."

Hij deelde zijn voornemen aan zijn onderhebbenden mee, legde zijn

wapenen af, en vergezelde toen den jager naar het meer. Daar heerschte

leven en beweging, want de Navajos waren werkelijk aangekomen. Zij

brandden van verlangen, om de nederlaag der hunnen op de Utahs te

wreken; en er was meer dan gewone overredingskracht noodig geweest

om hen tot vrede-sluiten over te halen.

De gijzelaars waren van hun boeien bevrijd; zij zaten onder

voldoende bewaking bij elkander, toen Old Shatterhand hun kameraad

bracht. Die ging bij hen zitten, en toen werd het Lange Oor naar

hen toegestuurd, om hun de toedracht van de plaats gehad hebbende

ramp mee te deelen. Verder mengde zich niemand in hun besprekingen;

zij moesten nu toch eindelijk zelf inzien, dat zij van buitenaf geen

hulp meer te wachten hadden.

Hun onderhoud duurde lang; daarop kwam het Lange Oor berichten,

dat zij besloten hadden, de vredesvoorwaarden aan te nemen.

Dientengevolge werd er een plechtige vergadering gehouden, waaraan

de voornaamste blanken en Roodhuiden deelnamen; de zitting duurde

verscheiden uren; er werden vele redevoeringen gehouden, totdat ten

slotte de vredespijp de ronde deed.

De schat in het Zilvermeer · 第 50 / 51 段