zachtzinnige manier. "Hij had Old Shatterhand verder moeten laten
begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt
om toe te geven."
Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij
antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het
Lange Oor hun: "Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw
drieën gegaan?"
"Omdat wij dat voldoende achtten," antwoordde Old Firehand norsch.
"Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht
om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij."
"Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde
er bij noodig."
Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke
laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien,
hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim,
Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd,
door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard,
die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok,
dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste.
Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel
niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen,
maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke
overrompeling te verijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet
worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen
der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk
weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan
de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en
drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen.
Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden
dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten
rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop
vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem
reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden,
die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door
te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon
eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter
elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug.
Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het
ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de
hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een
bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou
zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van
gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens
iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze
gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten
uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch
het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de
afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange
gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen
vóór hem was. Weer rolde er een steen--naast hem dook iets donkers op,
voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een
schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan;
hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos.
Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten
hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel
gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij
zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten
toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: "Wij hebben het Lange
Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig
is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal
hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door
een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!"
De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen
tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het
was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den
waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging,
welke hij ondervonden had.
"Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken,
wanneer ik hem de prop uit den mond neem," vervolgde de andere.
De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch
de Oude Donder gaf hem de vermaning: "Als gij luid spreekt, zult gij
sterven. Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles
vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!"
Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder
gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den
Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen
schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog
nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was
hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan.
"Ik haat en veracht deze bleekgezichten," antwoordde hij. "Als gij
mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen."
"En de Beren ook?"
"Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven."
"Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?"
"Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten
hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben."
"Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk
met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen."
"Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen,
dan gij nu kunt vermoeden."
"Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze
hoofdmannen gevangen houden!"
"Dat is waar. Ik heb hen gezien."
"Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest,
want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen
een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?"
"In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt."
"Door wie worden zij bewaakt?"
"Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is."
"Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en
beroemde krijgslieden! Gij liegt!"
"Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid
zijn."
"Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden
bevinden zich op den oever?"
"Niet één."
"Man! waar is uw verstand?"
"Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest,
anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen
ulieden te vechten."
"Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?"
"Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor
onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk
naar het meer kunt komen."
"Is dat dan mogelijk?"
"Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen."
"Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er
nog een andere?"
"Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen."
"Waar is dat pad?"
"Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een
kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt,
waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den
Grooten Beer gereden."
"En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?"
"Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten
intusschen aangekomen zijn."
"Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier
naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd
gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer
te bereiken?"
"Drie uur."
"Dat is lang, zeer lang!"
"Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij
bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en....."
Hij bleef steken.
"En.... spreek verder!"
"En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een
gevonden is."
"Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder
is er toch niets bij hen te vinden?"
"Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het
Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen,
goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte."
"Wie heeft u dat wijsgemaakt?"
"Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een
avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven
vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken
zij over die onmetelijke schatten."
"Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?"
"Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze
daar in veiligheid gebracht."
"Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog,
hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten
leegscheppen?"
"Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat
volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen
toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep,
en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen
breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen
afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer
herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje
uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar
het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met
steenen volgestopt."
"Is dat alles waar?"
"Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen
heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen
fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt
op den bodem van het meer naar het eilandje, naar den toren, in welks
onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen,
om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die
zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend;
dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon,
en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen."
"Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten
eens konden laten verzuipen!"
"Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden
omkomen."
"Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd
hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het
eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?"
"Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom
zal _ik_ krijgen?"
"Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de
waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten
geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren."
De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de
Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk
zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten
de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal
waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den
nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden
bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging
tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het
keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien
de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder
moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep,
en werd vrij helder beschenen.
Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen,
toen de Utahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden
halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten
of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren,
viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later
keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood.
"De bleekgezichten zijn niet meer in den canon," rapporteerden
zij. "Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons
geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij
was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten."
Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht,
dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken
in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich
opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het
bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in,
dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen
niet kon koesteren, en voegde er bij: "De bleekgezichten, die veel
zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis
van den canon en zijn naar het meer opgerukt, waar zij dachten niet
door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal,
dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus,
vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren;
doch gij zult hen in den rug aanvallen.
"Hoe is dat mogelijk?"
"Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts
enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te
halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door
die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar
boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano's,
waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van
den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn
Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel."
"Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt
ons in de gang. Wijs ons den weg!"
De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen
zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen
tegen de rots.
"Die steenen moeten weg," zei de Timbabatsj, "dan zult gij de opening
zien."
De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat
van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in,
en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die
alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (=
prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak
die aan. Daarop begaf men zich de gang in.
De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang
moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde
bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het
water van het meer.
Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog
slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel
mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam,
waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen.
"Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn,"
zei het Lange Oor. "Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten,
waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?"
"Ja," antwoordde de Oude Donder. "Maar lang moeten wij ons daarmee
niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te
komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben."
Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het
schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene
beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een
beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking;
deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het
afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren,
eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die
naar boven leidden; zij gaven slechts plaatsruimte voor één persoon;
daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan.
Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de
bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet,
gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef
staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen
ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde
het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels
wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter
halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen,
die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond
in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren
eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven
redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg,
om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand
vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel,
dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er
reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen;
zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander--tevergeefs.
Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij
nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden
slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door
een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping,
waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden.
"Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!" gebood de hoofdman der
Utahs aan den Timbabatsj.
Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er
ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het
water intusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de
opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige,
zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg.
Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich
van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch
nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich,
en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te
verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood
te schieten; dat ziende riep hij uit: "Houdt op, want anders werp ik
het licht in het water, en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien,
waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen." Dit
hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer
zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel.
"Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!" antwoordde de Oude
Donder. "Later zult gij er voor boeten!"
De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer
kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De
bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist
dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben,
wanneer de Utahs in het water omkwamen. Daarom bleef hij staan toen
hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij
het hoofd Van den Ouden Donder.
"Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken," riep hij hem
toe. "Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug
in het water!"
Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman
achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later
verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en
viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen,
want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water
kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven.
Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met
dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De
opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden
meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen
den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping
zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: "Halt, blijf beneden,
anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn
zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!"
Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem.
"Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!" antwoordde hij in doodsangst.
"Wie zijt gij dan?"
"Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen."
"O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den dood verdiend,
want gij zijt een afvallige, een verrader."
"Neen, neen! Gij vergist u!"
"Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester
gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij
verdrinken juist zooals zij verdronken zijn."
"Ik heb niets verraden!" betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij
stond reeds tot aan zijn knieën in het water.
"Lieg niet!"
"Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!"
"Neen, gij blijft beneden!"
Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand:
"Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij
zal zijn schuld bekennen."
"Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!" verzekerde het
Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel.
"Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor
dankbaar zult betoonen."
"Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt,
en ik zal het doen!"
"Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!"
De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te
kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij
zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor
de openstaande deur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan,
zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg
neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst,
doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: "Voort, voort,
naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!"
"Blijf maar hier!" antwoordde de Groote Beer. "Gij hebt van het water
niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger
stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons
vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt."
Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had,
was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen
lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op
hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs
naderbij zouden sluipen.
Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op
den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer
naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had
gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij
geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman
weggeslopen was.
"Waar naar toe?"
"Naar de Utahs. Hij is nog niet terug."
"Hoe lang is hij weg?"
"Sedert ongeveer een uur."
"Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien."
De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar
hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren
weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den
canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old
Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar
Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem
zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te
halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle
moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door,
zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging,
dat de Utahs verdwenen waren.
"Zij hebben hem stellig ingepakt," zei de Groote Beer; "hij heeft te
veel gewaagd. Nu is het met hem gedaan."
"En misschien ook met ons," zei Old Shatterhand.
"Hoe zoo met ons?"
"Ik vind het vreemd, dat zij zich verwijderd hebben. Daar moet een
zeer bijzondere reden voor bestaan. Dat de hoofdman in hun handen
gevallen is, kan op zich zelf de reden niet zijn van hun plotselingen
aftocht; er moet ongetwijfeld een geheel andere reden zijn, waarbij
de hoofdman echter betrokken is."
"Welke reden kan dat zijn?'