boetedoening werd van niemand verlangd:--de gevangenen werden op vrije
voeten gesteld, en allen, Utahs, Navajos en Timbabatsjen aanvaardden
de verplichting, om de bleekgezichten, die in het keteldal wenschten
te wonen en te arbeiden, in alle opzichten behulpzaam te zijn.
Hierop volgde een groote jacht, die tot 's avonds duurde en een rijken
buit opleverde, en daarna, zooals vanzelf spreekt, een feestmaal van
wildbraad, waarbij de Roodhuiden schier het onmogelijke deden. Dit
feestmaal duurde tot den vroegen morgen. De opgaande zon bescheen
de helden van den vredebond, die zich in hun dekens wikkelden om in
te slapen.
Wat de teekening betreft, die de roodharige kornel bezeten had,
die was verdwenen; die zou trouwens nu ook tot niets nut geweest zijn.
Het viel den blanken zeer moeilijk, den Grooten Wolf nu vriendelijk
te behandelen. Hij was de man, die het meest tegen hen misdaan had;
hij was de oorzaak van alles, wat er gebeurd was; doch ook hem werd
alles vergeven.
Het sprak vanzelf, dat men den geheelen volgenden dag doorsliep;
pas den morgen daarna ging men van elkander af.
De Utahs gingen noord- en de Navajos zuidwaarts. Ook de Timbabatsjen
keerden naar hun wigwams terug. Het Lange Oor beloofde over den verkoop
van het keteldal te zullen beraadslagen en van den uitslag bericht te
zullen brengen. Hij keerde reeds den derden dag terug met de tijding,
dat de vergadering zich met zijn voorstel vereenigd had en met den
door den Grooten Beer bepaalden prijs genoegen nam. Het eenige, dat
nu nog gedaan moest worden, was den gesloten koop door de bevoegde
overheid rechtsgeldig te laten bekrachtigen.
Van het uit te graven terrein was men dus zeker, en met den arbeid kon
een begin gemaakt worden. Dit moest zoo spoedig mogelijk geschieden. Er
werden heel wat luchtkasteelen gebouwd, heel wat schoone droomen
gedroomd. Slechts een was er, die er niet veel mee op had, namelijk,
de lord. Hij had Humply-Bill en den Gunstick-Uncle aangenomen om hem
naar Frisco te brengen; maar onder de veranderde omstandigheden hadden
die twee volstrekt geen trek, om verder met hem mee te gaan. Zij
hadden reeds vrij groote sommen in zijn boek staan, en het was zeer
waarschijnlijk, als zij met den Engelschman meegingen, dat zij nog
een flink bedrag zouden verdienen voor menig nieuw avontuur; doch het
goudveld, dat Old Firehand op het punt stond te ontginnen, beloofde
veel meer. Daarom wilden zij blijven, en de lord was verstandig genoeg
om hun dit niet kwalijk te nemen. Overigens zou het nog een heele
poos duren, eer er met het werk in het keteldal een aanvang gemaakt
kon worden. De lord had dus nog tijd genoeg om met zijn beide gidsen
op avonturen in de bergen uit te gaan.
Om te beginnen reed Old Firehand met den Grooten Beer en het Lange
Oor naar Fillmore City, waar de koopakte opgemaakt werd. Daar
konden tegelijkertijd de noodige machines en gereedschappen besteld
worden. Tante Droll was meegereden, om door getuigen voor den notaris
te bewezen, dat de roodharige kornel overleden was. Met een notariëele
akte daarvan zou hij in het bezit kunnen komen van de premie, waarop
hij aanspraak had.
Eindelijk, na verloop van bijna anderhalve maand, kwam de tijding,
dat de machines afgehaald konden worden. Men brak tot dat doel op,
en de lord maakte van de gelegenheid gebruik, om in hun gezelschap
naar bewoonde plaatsen te komen, waar hij gemakkelijk andere gidsen
zou kunnen vinden.
Toen het gezelschap in Fillmore City aankwam, verwekte het niet weinig
opzien. Men begreep, dat het hier een groote mijnonderneming gold,
en gaf zich alle moeite om iets naders daarvan te vernemen. Doch de
personen, die er belang bij hadden, bewaarden het diepste stilzwijgen,
daar het niet in hun plan kon liggen allerlei gespuis in hun nabijheid
te krijgen.
Toen men alle machines boven aan het meer bijeen had, begon de
ingenieur zijn werkkracht te ontwikkelen. De waterleiding werd
aangelegd, en toen in de eerste plaats het zand op den bodem van
het keteldal ontgonnen. Wat de voeding betrof, men had meel en andere
benoodigdheden in groote hoeveelheden medegenomen. Voor vleesch zorgden
iederen dag afwisselend drie personen, die uit jagen moesten gaan,
terwijl de anderen in het dal werkten. Voor het toebereiden van de
spijzen zorgde Ellen, wier tegenwoordigheid een ware weldaad was voor
de geharde mannen.
De verwachting, die men van dit dal gehad had, bleek alleszins juist
te zijn. Het zand was rijk aan goud, en men mocht veronderstellen,
dat de vaste rotslagen niet minder zouden opleveren. De hoeveelheid
stofgoud en nuggets werd elken dag grooter; iederen avond werd
er opnieuw gewogen en getaxeerd, en wanneer het resultaat, zooals
gewoonlijk, verblijdend was, fluisterde Droll vergenoegd tegen zijn
neef: "Als het zoo voortgaat, zal ik de boerderij spoedig kunnen
koopen. De dingen gaan zoo mooi als het maar behoeft."
En Hobble-Frank antwoordde: "En mijn villa is om zoo te zeggen al
klaar, ten minste in mijn hoofd. Dat zal een composant gebouw worden
aan het heerlijke strand van de Elbe; en de naam, dien ik er aan zal
geven, zal nog veel composanter worden. Ik heb gezegd. Howgh!"
AANTEEKENINGEN
[1] Verkorte benaming voor San Francisco.
[2] _Eagle-tail_ = Adelaars-staart.
End of Project Gutenberg's De schat in het Zilvermeer, by Karl Friedrich May