"Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?'

"Ja."

"Dan verkeert gij in het grootste gevaar."

"O neen!"

"Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos

verwacht?"

"Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij

louter en alleen op mij zelf."

"Dan begrijp ik u niet."

"Ik ben voor geen duizend Utahs bang."

"Daar heb ik geen hoogte van."

"Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen

verloren. In één oogenblik dood ik hen allen."

"Hum! Allen?"

"Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet

begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op

zulk een gedachte zou niet een der uwen komen."

Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even

rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij,

terwijl er een glimlachje om zijn lippen speelde: "Maar gij, gij zelf,

zijt ook niet op die gedachte gekomen."

"Niet? Wie zegt u dat?"

"Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat

wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw

hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen."

"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend

vijanden bang ben?"

"Ja, juist."

"Zeg het dan!"

"Moet ik daardoor uw geheim verraden?"

"Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven

er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik."

"En ik!"

"Onmogelijk! Of bewijs het mij!"

"Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?"

"Ja."

"Wanneer zij zich in den canon bevinden?"

"Ja."

"Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander

wapentuig geschieden."

"Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij

niet weten."

"O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door

luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus

door water?"

"Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!"

"Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel

menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar

het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen;

het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is

het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu,

die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt

en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden,

waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier

verandert. Heb ik het geraden?"

In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman,

onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote

Beer op, en riep: "Heer zijt gij alwetend?"

"Neen, maar ik denk na."

"Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben

ik aan het geheim gekomen?"

"Door erfenis."

"En hoe wordt de dam geopend?"

"Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag

zeer spoedig beantwoorden."

"Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom

die dam daar opgeworpen is?"

"Ja."

"Nu?"

"Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der

zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was

voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om

hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten."

"En wat is de andere reden?"

"De schat."

"De schat?" vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit

deed. "Wat weet gij van een schat?"

"Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen

omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen

meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan,

zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand

hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden

tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk

in, dat het 't onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien

slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al

het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op,

om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke,

stomme bewakers van dien schat zouden zijn."

"Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!" riep

de Groote Beer verschrikt uit. "Laten wij niet verder over den schat,

maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan

duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den

canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?"

"Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang

te houden!"

"Welke dan? Wapenen?"

"Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat

zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te

redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen

gevangengenomen en meegebracht."

"Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen."

"Weet gij daartoe een geschikte plaats?"

"Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen

brengen."

De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch

en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van

eenige Timbabatsjen in de kano's gebracht, die aan den oever van

het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook

naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van

dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één

verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was

afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere

was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren

er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede,

dat was alles.

"Moeten de gevangenen hier blijven?" vroeg Old Shatterhand.

"Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel

betere plaats."

Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van

dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder

de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met

inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom

naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu

de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg

licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig

kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel

naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van

tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening

bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter

was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar

geen toegang naar beneden te zien geweest.

De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander

gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken;

toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: "Zij kunnen

voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren

van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze

streek wisten zeer goed wat zij deden."

Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet,

zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder

klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm

van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en

vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen

mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat

verborgen liggen?

Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen,

want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer

naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van

het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt

vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano's gebracht, om op den

oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam,

verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp

had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote

Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen

en snelden naar de paarden.

Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder

bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel

te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De

Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien

en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen,

bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel

gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos

raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee,

en stak van wal, toen de anderen wegreden.

Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement

gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en

dun, en in een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste

vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de

paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af,

lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel

mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder

door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen,

waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden.

Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig

hulp kwam opdagen. Humply-Bill vertelde wat er was voorgevallen, en

Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over

hetgeen hij gedaan had.

De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben

met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door

snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde

hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De

verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen,

zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden

mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen.

Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten

uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten

voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten

verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte

dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler

gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat

hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte

om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn

sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen.

"Halt!" riep hij met zijn donderende stem. "Laat die menschen liggen."

"Waarom? Hun scalps komen ons toe!" antwoordde het Lange Oor.

Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn

schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij

hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: "Doe één snee,

en ik schiet!"

Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Wat kunt gij

daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren."

"Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet,

ten minste niet bij de levenden."

"Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik

die nemen."

"Met welk recht?"

"Ik begrijp u niet!" antwoordde de Roodhuid verbaasd. "Een verslagen

vijand moet toch gescalpeerd worden!"

"Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?"

"Neen. Ik heb er één geraakt."

"Welken?"

"Dat weet ik niet."

"Is hij dood?"

"Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen."

"Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is;

dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!"

De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn

volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de

afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl

de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed

kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem,

en hoorde men hen roepen: "Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het

toovergeweer!"

Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn

tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op

hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar

hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij:

"Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die."

Een der aanvoerders antwoordde: "Gij zult op ons schieten!"

"Neen."

"Spreekt gij waarheid?"

"Old Shatterhand liegt nooit."

Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug.

Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij

dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te

vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande

beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek

laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming,

twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden

en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen

ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster,

en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar

buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe:

"Blijft! Er zal u niets geschieden." Zij bleven angstvallig staan;

hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: "Hoeveel hoofdmannen zijn er

nu bij u?"

"Vier."

"Wie is de voornaamste van hen?"

"Nanap varrenton (= de oude donder)."

"Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den

weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het

midden; wapenen brengen wij niet mee!"

Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord:

"Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee."

"Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal

kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen."

Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand,

Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den

afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige

hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De

hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun

gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die

er opgesmeerd waren; doch uit hun blikken sprak de verbazing, dat

zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo

keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste

der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te

spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: "Toen

de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde,

en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen...."

"Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet,"

viel Old Shatterhand hem in de rede. "Maar de bleekgezichten drukken

zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen."

Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn

woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd

hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den

pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd,

half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: "De Oude

Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old

Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te

laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden

zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!"

"Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren

tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak

van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maar _wij_

willen over den dag van heden spreken. En daar _ik_ degene ben, die

u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik

van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!"

Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden

aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom

vervolgde hij: "Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent

gij ook de beide krijgslieden, die hier naast mij zitten?"

"Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen."

"Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode

mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem,

zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben

behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige

wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden

moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?"

"Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt."

"Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat

wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen

naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij

hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden."

"Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld

en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?"

"Weder louter, om ons eigen leven te redden."

"En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze

vijanden zijn."

"Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten

hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen

zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten."

"Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst."

"Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen

het als onzen plicht, u vrede aan te bieden."

"Wij zijn de overwinnaars."

"Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet

meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is

onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons

leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u

had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven,

zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal."

"Wat weet gij daarvan?"

"Alles. Wij hebben hun lijken begraven."

"Zijt gij dan daar geweest?"

"Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs

zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen

de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen

hebt."

"Dat is onmogelijk; dat is niet waar."

"Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der

Utahs, die er bij geweest zijn."

"Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen."

"Waarheen?"

"Weten wij dat?"

"Zijn zij door de Navajos gedood?"

"Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken

niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren;

maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één

gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen

gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos."

"Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!"

"De Groote Geest heeft hen tot zich genomen."

"Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke

mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd."

"In uw handen?"

"Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet."

"Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af

te dwingen."

"Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen

wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie

hoofdmannen gevangengenomen."

"Zonder dat hun krijgslieden het merkten?"

"Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen,

zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old

Shatterhand genoemd!"

"Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben."

"Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die

gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?"

Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde

knoopen, vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien

riem zien.

"Oef!" riep de Oude Donder verschrikt. "De wampoen van de Gele Zon. Ik

ken hem goed."

"En dezen hier?"

Hij bracht een tweeden riem te voorschijn.

"De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook."

"En dezen derden wampoen?"

Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna

in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte

bijna stotterend: "Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem

heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien

persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?"

"Ja."

"Waar zijn zij?"

"In onze macht, terdege opgesloten."

"Aan het Zilvermeer?"

"Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons

bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden,

die later stellig ook hoofdmannen zullen worden."

"Wat zult gij met hen doen?"

"Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de

Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!"

"Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen,

man tegen man."

"Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt

gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig

krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk

dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen,

dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen."

"En den buit rekent gij niet."

"Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen

buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij

tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs

geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan,

en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen

wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij

zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit,

zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!"

Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet

nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op

den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had

nog meer kracht bij te zetten: "Uw hoofdmannen hebben ons naar het

leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus

niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden

om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij

het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te

sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wij weten zeer goed,

dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is."

Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige

gestalte uit: en zei: "Pshaw! Waartoe al die woorden--wij hebben immers

wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede

wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem

geven, wat hem toekomt: Leven of dood!"

Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: "Zoo spoedig

kunnen wij geen besluit nemen."

"Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?"

"Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met

onze onderhebbenden spreken."

"Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet

noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere

list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u

tegen onze vuisten helpen."

"Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het

betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen,

wat er zal moeten geschieden."

"Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!"

"Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie

verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid

roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!"

Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de

overigen volgden zijn voorbeeld.

"Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!" bromde Old Firehand gemelijk.

De schat in het Zilvermeer · 第 48 / 51 段