"Wie--geven--u?"

"Nientropan-homosj," antwoordde zij.

"Jong opperhoofd?"

"Ja," knikte zij.

"Waar?"

"Op het schip."

"Groote vuurkano?"

"Ja."

"Op den Arkansas?"

"Ja."

"Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas

geweest. Wie--mannen--daar?" Hij wees achterwaarts naar het ravijn.

"Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand."

"Oef!" riep hij uit, en "Oef!" riepen ook de anderen. Hij wilde nog

verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken,

met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn,

om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men

was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer

te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De

bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt;

vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk.

"De groote hoofdman der Apachen!" riep hij uit. "Dit blanke meisje

bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij

hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie

zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren."

De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende,

vroeg Winnetou hun: "Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?"

"Ja."

"Wie is uw aanvoerder?"

"Tsjia-nietfas." ("Het lange oor.") Waarschijnlijk was deze man door

zijn scherp gehoor beroemd.

"Waar is hij?" vroeg Winnetou verder.

"Aan het meer."

"Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?"

"Honderd man."

"Zijn er nog andere stammen ook hier?"

"Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om

tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken,

om de scalps der Utahs te halen."

"Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten

uitgezet?"

"Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen."

"Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer

aan het meer?"

"Ja, en de Jonge Beer ook."

"Brengt ons bij hen!"

Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het

ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men

klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand

was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de

ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter.

Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling

een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond

weer, en al spoedig zag men het water.

"Het Zilvermeer," zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen

wendende. "Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht."

"Maar rust zullen wij hier niet vinden," zei Old Firehand. "Wij zullen

waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen."

Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien;

het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden.

Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen

gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans

lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich

telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende

boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In

de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas;

hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich

uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts

een smalle grasstrook vrij liet.

Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig

gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het

scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners

nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de

grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige

kano's aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond,

en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude

gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige

gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en

heesters beplant.

Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en

de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch

groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer

als zilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo

iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met

kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien.

In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd

Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken

zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den

stoet zagen, stelde hen spoedig gerust.

De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje

traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache

bracht zijn hand aan den mond, en riep: "Nientropan-homosj! Winnetou

is aangekomen!"

Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano

stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader

en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was

stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen

de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en

zei: "Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt,

verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken,

en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest."

Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de

eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen,

en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: "Mijn blanke broeder is

een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!"

Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon

was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers

op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de

kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel

was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier

dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten

zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het

hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch:

"De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit

de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?"

"Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer," antwoordde zij.

Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet

geheel kon verbergen.

"Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?" vroeg hij.

"Ja, nog al lang zelfs!" antwoordde zij.

"Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet

alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer

gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar

nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal

zij mij dat vergunnen?"

"Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik

alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt."

Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen,

en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman.

De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in

het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman

was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu

langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie

van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen

en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet

minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst

van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht,

hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen

als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en

keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken

had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam

naar hem toe, en zei: "Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil

hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?"

De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar

Droll antwoordde: "Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik

niet geleerd."

De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde

Droll: "Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten,

dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij

allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben."

"Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?"

"De Utahs."

"O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen

zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen."

"Dan vergist gij u!"

"Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier

als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!"

"Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos

hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen;

de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het

Zilvermeer zijn."

"Oef!" zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond

bleef staan.

Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing.

"Is het mogelijk?" vroeg de Groote Beer. "Spreekt deze blanke tante

de waarheid?"

"Ja," antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek

van het Zilvermeer het best kende. "Wij zullen u alles uitvoerig

vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den

vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier

zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den

canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen."

"Ik ook mee!" verzocht Hobble-Frank.

"Ik ook asjeblieft!" zei Droll.

"Goed," antwoordde Winnetou. "Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar

beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daar

achter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende

rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos

dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te

bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden

ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp

komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want

daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven."

Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen,

die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in

overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het

meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld,

om hun dorst te lesschen.

Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te

vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te

mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende

het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid

kon hun van veel nut zijn.

Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het

was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het

noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof,

terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn,

dat in die richting den uitgang van het dal vormde.

Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten

veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen

voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde

noodig.

Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht,

moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering

niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval

ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er

echter tusschen het meer en den canon een tamelijk breede, op een dijk

gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was

die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand,

dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk

voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk

stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met

welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in

staat om deze vraag te beantwoorden?

Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk

over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el

breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager

die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze

zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men

den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra

was er zelfs geen grashalm meer te bekennen.

Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van

den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier,

en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook

reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk

maakten. Na het derde kwartier werd de canon eensklaps breeder,

dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren

niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen

vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilen rustten,

welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon.

"Hier moeten wij stilhouden," zei de Jonge Beer, die met de blanken

voorop reed. "Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen

verbergen."

"En de paarden brengen wij een eind terug," zei Droll, "anders zouden

ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden."

Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf

en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De

blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht

noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als

een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen,

en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch

des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan

den dag legde.

"Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch

bedachtzame mannen," zei hij: "doch de Navajos zijn doof en blind

geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog

niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs

hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben

ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps

moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht

zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan...."

"Dan zullen wij een woordje meespreken," viel Droll hem in de rede.

"Ja, dat zullen we," zei Frank. "Het zou mij plezier doen als ik het

geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels

kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?"

"Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het

keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet."

"En de Navajos?"

"Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien

weg gebruik te maken, want de weg is...."

Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een

geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het

struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een

oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard

bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij

was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard

met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan.

De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de

Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd:

"Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos

reeds aangekomen?"

"Nog niet."

"Dan zijn wij verloren!"

"Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!"

"De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden

der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen

te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren,

en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons;

zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen

houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen

aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons

dicht op de hielen."

"Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?"

"Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het

gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want

wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden

zijn. Nu zijn onze mannen verloren!"

"Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel

hulp komen."

Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier

blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van

den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren;

daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij

hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: "Als het zoo gesteld is,

moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk

een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen

opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de

overige Timbabatsjen te halen."

"Hoe komt het in u op!" viel Hobble-Frank hem weersprekend in de

rede. "Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!"

"Hoe zoo?" vroeg Droll verwonderd. "Denkt gij, dat ik geen Westman

ben?"

"De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben

zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen

vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den

voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden,

tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullen _wij_ zorgen."

"Bravo, Frank! gij hebt gelijk," riep Humply-Bill.

En de Gunstick-Uncle voegde er bij: "Ja, ja, zij moeten vechtend

blijven--tot wij al de Utahs daar verdrijven!"

"Goed gesproken!" knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die

zijn plan vond. "Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar

het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden,

om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen

loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!"

Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken,

met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen

zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang

onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien

vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren,

konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het

geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog.

Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels

doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters

verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en

zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen

gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los,

doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van

de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die

te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden

rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon

innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten,

opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor

de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou

er niet één hunner in leven gebleven zijn.

Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp

opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den

canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik

van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven

vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog

vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen

over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten.

Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig

meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te

groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden

laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed.

Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met

goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs,

die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de

blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal.

Naast de jagers lag de "Jonge Beer", en gebruikte zijn geweer,

dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs

weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch

hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet

komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: "Wij met ons vijven

blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg

hun dat!"

De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk

sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de

blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst

nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er

hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen

had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar

de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was

eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen

snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen

zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen

dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft.

Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den

Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd

werden. De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden

hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht

voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder

achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en

hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger

verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich

snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte

dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte

Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij

tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd

geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men

het verder verloop van den strijd gerust afwachten.

En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten

Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste

trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: "Ik heb de Navajos

nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun

krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich

óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende

afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot

ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden."

"Volstrekt niet!" zei Old Shatterhand. "Zij zijn immers nog niet

vernietigd?"

"Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der

Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten,

moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij

gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in

de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats

grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van

hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of

de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is

erg te betwijfelen."

De schat in het Zilvermeer · 第 47 / 51 段