Winnetou. "Ik ken hen; het zijn vrienden van mij, en zij zijn de
bleekgezichten altijd zeer genegen geweest."
"Inderdaad? Dat is goed, zeer goed; dan bestaat er misschien nog kans,
dat wij van hen de noodige inlichtingen bekomen. Ongelukkig is er op
dit oogenblik oorlog daarboven, en de Utahs bevinden zich tusschen
ons en het Meer. Wij zullen er vermoedelijk niet doorheen komen."
"Wij behoeven er niet doorheen, wij behoeven de Utahs niet voorbij;
want ik ken een weg, dien nog géén blanke, of Utah, ooit betreden
heeft. Hij is wel uiterst moeilijk; maar als wij spoedig opbreken,
zullen wij nog vóór de Utahs, en zelfs reeds vóór de Navajos daar
kunnen zijn."
"Dan zullen wij spoed maken. Wij hebben hier niets meer te doen, dan
deze blanken te begraven, die wij toch niet kunnen laten hangen. Doch
dat is spoedig gedaan, als wij hen naast elkander leggen en met steenen
bedekken. Dan gaan wij dadelijk op weg. Ik hoop het beste, vooral daar
wij zooveel gijzelaars hebben, zoodat wij de Utahs waarschijnlijk
zullen kunnen dwingen, om in der minne met ons tot een overeenkomst
te komen."
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
AAN HET ZILVERMEER.
Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der
blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun
moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden
canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa's zich
verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen
verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere
staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende,
schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den
hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte
wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende
hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische
citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die
grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid
onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder
lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden
glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper
fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen
die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan
al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was
geen droppel water tusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel
op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke
muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje,
waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen.
Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en
in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan
weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de
thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend
water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado
ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet
ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich
niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien
bruisenden stroom.
De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde
steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf
een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde
steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo,
dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten.
Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste
wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men
kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem
stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in
de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten,
die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te
worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een
nauwlettend oog, en zeide: "Hier moet het wezen, waar ik er destijds
uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet,
dat ik mij vergis."
"En wilt gij daar ingaan?" vroeg Old Shatterhand.
"Ja. En gij moet met mij mee!"
"Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig
ten einde loopt."
"Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis."
Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in
te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte
zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker
voelende: "Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg,
die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden
veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon."
"Kent gij dan deze engte?" vroeg Old Firehand verwonderd.
"Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig;
gij weet, dat hij zich nooit vergist."
"Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert
dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan
ook de streek, waar die weg naar toe loopt?'
"Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend
breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte,
die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt."
"Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die
tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er
dan? Weet gij dat?"
"De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in
de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg
kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van
het Zilvermeer."
"Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?"
"Ja."
"Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?"
"Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water,
geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien
eeuwig dorren steengrond."
"Dan zal _ik_ u bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog
veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water
en gras."
"Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?"
"Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien
rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij
zullen hier zijwaarts zwenken."
Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee
naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden
verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische
pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de
rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek,
die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende
rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe,
regelrechte grondlijn vormde.
Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een
ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging
niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde
wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de
ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker
voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou
gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere
streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte,
door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam.
Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil,
dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar
de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk
van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun
de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen,
en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten
zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden.
Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien;
maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de
rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen,
om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard
gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van
de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning.
De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond
bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor 't
meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van
groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen
had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er
partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De
laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen:
"Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is
hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in
aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping
is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de
rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder
kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en
zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den
neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen
bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder
het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef
op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest."
"Wij behoeven niet te graven," antwoordde Old Firehand. "Het is
immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van
dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken
aanwezig is."
"Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig,
dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen
bezwangerd."
"Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren."
Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De
anderen volgden hem in de grootste spanning.
"Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting," zei Hobble-Frank
tegen Tante Droll. "Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik
mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar
mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden
van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend
tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te
laten zien wat een man in bonis ik geworden ben."
"En ik," antwoordde Droll, "koop mij een boerenplaats, met twintig
paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas
en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het
Altenburgsche."
"En als wij niemendal vinden?"
"Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets
uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het
spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer
ook zilver te vinden moet zijn."
Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan
den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld
scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog
verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met
die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke
oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige
wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei:
"Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen een proef
meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe
Butler er over denkt."
Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen
en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur
zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: "Lieve
hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier
in deze rotsspleet gezeten?"
"Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer
diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn."
"Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel
beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven,
die gedegen metaal bevatten."
"En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien,"
glimlachte Old Firehand.
Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te
voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim
twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen:
"Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid
af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier
te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet."
"Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd."
"Met hoeveel percent?"
"Vijf en zeventig percent zuiver zilver."
"Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk
zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?"
"Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader
met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?"
Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn,
alle ter grootte van een hazelnoot.
"Nuggets, goud!" riep de ingenieur. "Ook van hier?"
"Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg,
daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en
daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook
vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond
ik in menigte."
"Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old
Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk,
schatrijk man!"
"Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de
ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De
voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel,
dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen."
Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen
einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader
aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen,
dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden
lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar
Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: "Niet
te voortvarend, messieurs! Wij hebben allereerst nog aan iets anders
te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!"
"Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest," merkte de lord aan,
die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel
van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen
daarover verheugde.
"Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die
zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer
nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren
na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig
onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons
daarop voor te bereiden."
"Dat is waar," gaf Old Firehand hem toe. "Maar ik zou toch wel willen
weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en
dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus
Butler! wat is uw gevoelen daarover?"
Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek
gaan, en zei toen: "Water hebben wij noodig; het allereerste, dat
wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?"
"In het Zilvermeer zelf."
"Hoe ver is dat nog van hier?"
"In twee uur zijn wij daar."
"Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?"
"Ja, aanmerkelijk veel hooger."
"Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag:
bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?"
"De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt
immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer."
"Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding
van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar
wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer,
dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?"
"In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch."
"Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen
afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs
van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open
in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar,
om de noodige drukking te krijgen."
"O, voor de spuiten?"
"Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met
houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water
besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij
buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water
behandeld."
"Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want
anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken."
"Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten
wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk
wel voldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over
welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door
de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer,
zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de
zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben,
en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een
maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee
dingen, die mij met bezorgdheid vervullen."
"En dat is?"
"In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons
van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?"
"Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou
en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend,
dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden."
"Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?"
"Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen
besluiten, om den grond aan ons te verkoopen."
"En zal de hooge regeering dien koop erkennen?"
"Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven
betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust."
"Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water
uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den
rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat
ons gaan!"
De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht,
en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het
gezelschap te paard, om den rit te vervolgen.
De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn
gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien
en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was
uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte
een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop
was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht
een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te
voorschijn te brengen.
De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed
plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de
rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag
men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door
de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij
gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom
stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over
de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen
waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken
rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten.
De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij
verslag van zijn bevinding: "Tot dusver ben ik zeer tevreden," zei hij;
"het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook
voor het transport van alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het
verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in
de hand werkt."
"Hoort gij dat?" zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een
por in de ribben gaf. "Mijn villa komt stellig nog terecht."
"En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de
beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig
ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!"
"Nu nog niet!" zei Frank afwerend. "Nog liggen de schatten verborgen in
den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten
als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw
boerderij nog altijd in een substantieel Niet verscholen liggen. Maar
als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet
aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen
absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken,
zoo ver zijn we nog niet. Ik ben...."
Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon:
"Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!"
Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen
weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk
begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid
van het naburige meer was rondom op den grond van invloed; vandaar
dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam,
des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn,
dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al
plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier
bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist
toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen--drie
gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen,
doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel
tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug
en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee
hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond
dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in
gebroken Engelsch: "Stil anders dood!"
De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje
behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop
van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen
eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij
meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven.
Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit
op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met
kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd
door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen
in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk
opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het
meisje zagen aankomen.
Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij
zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat
zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps
het "Totem", dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had,
en dat hij er toen bij gezegd had, dat dit schrift haar beveiligen
zou tegen iedere vijandelijkheid. "Zijn schaduw is mijn schaduw,
en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder", dat was
de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het
totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien
zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield.
"Nientropan-homosj," zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had,
dat de "Jonge Beer" in zijn eigen taal zoo heette.
De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet
van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand
tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene,
die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar: