want ik heb al tweemaal zonder zoeken iets gevonden. Gij moogt van
geluk spreken, dat gij uw mond opengedaan hebt! Als ik u niet aan
uw conglomerate stem herkend had, had ik u, zoo waar als ik leef,
kort en klein geschoten. Ik heb twee kogels op mijn geweer, hetgeen
bij mijn tegenwoordigheid van geest en consubstantie geen ding is,
om er den gek mee te steken. Ik waarschuw u in allen ernst, dat gij
u niet weer zoo blindelings eerstens in het gevaar en ten tweede op
mij aan stort, want anders in de derde plaats, zult gij onverwachts
verzameld worden bij uw vaderen en aartsvaderen!"
In weerwil van den ernst van het oogenblik moesten de twee blanke
jagers lachen om de boetpredikatie van den kleine. Er was voor het
oogenblik geen vijand in de nabijheid, en Old Shatterhand kon dus
zonder gevaar de vraag doen: "Maar wie heeft u permissie gegeven om
de schuilplaats te verlaten?"
"Promissie? Mij heeft geen mensch iets te perimetteeren. Ik ben mijn
eigen heer en fidei-commisbezitter. Louter uit bezorgdheid voor u
heb ik de wapenen aangegord. Nauwelijks was u weg, of er ging een
gehuil aan den gang, alsof de Cimbren midden in de Teutonen waren
gedrongen. Dat zou nog om uit te houden geweest zijn, want mijn
zenuwen zijn ingesmeerd met teer en levertraan. Maar een poos later
begon het schieten, en toen werd het mij allerijselijkst bang om
mijn hart. Mijn kinderlijk gemoed hangt met vaderlijke gehechtheid
aan uw zalige levens-existentie, en ik kan het met geen mogelijkheid
lijdelijk aanzien dat de Roodhuiden hen, die mij dierbaar zijn, om
kroosjes denken te helpen. Daarom heb ik mijn geweer opgevat en heb ik
verlof genomen, zonder dat de anderen dat in de Egyptische duisternis
konden zien. Links werd geschoten, naar rechts hadt gijlieden gewild;
ik ging dus naar rechts. Daar stond me die hoofdman aan den boom,
als een gemarineerde olie-mummie. Dat ergerde mij, en ik gaf hem een
verticalen opstopper, waardoor hij horizontaal op den grond kwam te
liggen. Ik wilde hem natuurlijk met den gezwinden pas in successieve
veiligheid brengen, en trok hem weg; maar hij was mij toch te zwaar;
daarom ging ik een poosje op zijn corpus juris zitten, om een beetje
uit te rusten. Daar kwam zulk een roode vrijbuiter aansluipen, en zag
mij tegen het licht. Hij legde zijn geweer aan; ik sloeg het op zij,
en zijn kogel kwam in den Melkweg terecht; maar met de hulp van de
kolf van _mijn_ geweer, kwam ik met hem zoo na in confectie, dat hij
naast den hoofdman op den grond kwam te liggen. Nu liggen die twee
slampampers daar, zonder van toeten of blazen te weten. Er is toch
ijselijk veel malheur in deze wereld!"
"Wees maar blij, dat er geen grooter ongeluk gebeurd is! Was je wat
eer gekomen, dan was je verloren geweest!"
"Maak u voor mij maar niet ongerust! Hobble-Frank komt nooit eer,
of hij moet de overwinning in allebei zijn handen hebben. Wat moet
er nu met die twee prulkerels gebeuren? Ik alleen ben niet coupabel
om hen te versjouwen."
"Wij zullen u helpen. Nu maar gauw naar binnen. Daarbeneden heeft het
schieten opgehouden, en het is te verwachten, dat de Utahs nu terug
zullen komen."
De twee in bewusteloozen toestand liggende Indianen werden in de
schuilplaats gebracht, en evenals de anderen gebonden en hen een
prop in den mond gestoken. Daarop vatte Winnetou met Old Firehand
post aan het voorhangsel, om gade te slaan wat daarbuiten voorviel.
Ja, de Utahs keerden terug, en wel als overwinnaars. Er werd een dubbel
getal vuren aangelegd, en brandende stukken hout daaruit genomen, om
in het bosch naar dooden en gekwetsten te zoeken. De Navajos hadden
de hunnen medegenomen, zooals dat bij de Indianen gebruikelijk is.
Bij iederen doode, dien men vond, werd een vervaarlijk gehuil
aangeheven--treurtonen en uitbarstingen van woede dooreen. De
lijken werden bijeengedragen, om eervol begraven te worden. Er werden
verscheiden personen vermist, die gevangengenomen moesten zijn, dachten
zij. Datzelfde moest ook het lot zijn geweest van de drie hoofdmannen,
oordeelden zij; want die waren verdwenen, zonder dat men ergens een
spoor van hen ontwaren kon. Bij deze ontdekking deden de verwoede
krijgslieden het bosch weer weergalmen van hun gebrul. De twee nog
aanwezige hoofdmannen riepen de voornaamste krijgslieden bijeen tot
een beraadslaging, bij welke luide en dreigende redevoeringen werden
gehouden.
Daardoor kwam Winnetou op de gedachte, om de schuilplaats uit
te sluipen, om misschien te weten te komen wat de Utahs zouden
besluiten. Dit viel hem volstrekt niet moeilijk. De Roodhuiden hielden
zich overtuigd, dat zij geheel alleen waren, en beschouwden dus alle
voorzichtigheid als noodeloos. De afgeslagen Navajos zouden stellig
niet terugkomen; en gesteld zij deden dat wel, dan waren er beneden
aan het uiteinde van het dal schildwachten uitgezet. Dat zich midden
in het dal nog veel gevaarlijker vijanden dan de Navajos bevonden,
daarvan vermoedden zij niets. Winnetou kon dus alles hooren wat er
besloten zou worden.
Men wilde nog in den nacht de dooden begraven; de treurzangen konden
uitgesteld worden tot later. Het allereerst noodige was nu, de gevangen
hoofdmannen te bevrijden. Dit was nog noodiger zelfs, dan morgen
de aankomst van Winnetou en zijn beroemde blanke metgezellen af te
wachten. Daar die het hooggebergte in en naar het Zilvermeer wilden,
moesten zij op alle manieren ontwijfelbaar in handen van de Utahs
vallen. In het belang der hoofdmannen diende men dus zoo spoedig
doenlijk op te breken. En daarom zouden dien nacht alle noodige
toebereidselen worden getroffen, om den volgenden morgen, bij het
krieken van den dageraad, den vervolgingsrit te kunnen aanvaarden.
Nu kroop Winnetou langzaam en voorzichtig terug. In de nabijheid van
de schuilplaats aangekomen, zag hij daar eenige paarden staan. Die
dieren waren tijdens het gevecht schichtig geworden, en hadden zich
van de anderen afgezonderd; er waren er vijf. Nu kwam de Apache op
de gedachte, dat de gevangenen toch vervoerd moesten worden, drie
hoofdmannen en een krijgsman. Daartoe waren vier paarden noodig. Geen
mensch bevond zich in de nabijheid. De dieren waren niet bang voor hem,
daar hij een Indiaan was. Hij nam er een bij den halster en bracht
het in de schuilplaats. Daar zat Old Firehand achter het voorhangsel,
en die nam het paard in ontvangst. Op die manier werden er nog drie
andere naar binnen geloodst; zij snoven wel een weinig, doch werden
door Winnetou gemakkelijk tot bedaren gebracht.
Binnen in de schuilplaats viel de tijd aan niemand te lang. Er was
zóóveel te vertellen, aan te hooren, en--te luisteren. Hobble-Frank
was, natuurlijk in de duisternis, naast zijn vriend en neef komen
liggen. Vroeger was hij niet van den dikken Jemmy af te slaan geweest,
en, in weerwil van alle aanhoudend gekibbel, met hem één hart en
één ziel gebleven, maar sedert hij den Altenburger gevonden had,
was dat anders geworden. Droll wilde niet geleerd zijn, en liet den
kleine praten, zonder ooit iets van den onzin, dien hij nu en dan
uitkraamde, te verbeteren; dat trok Hobble-Frank met dubbele kracht
aan. Overigens had Droll, de ervaren westman, allesbehalve een geringen
dunk van den kleine; integendeel, hij wist zijn goede hoedanigheden
naar waarde op prijs te stellen, en verheugde zich ook nu oprecht
over zijn heldendaad. Want dat Frank eerst den hoofdman en toen den
anderen Indiaan neergeslagen had, dat was geen werk van dolle drift,
maar van bedaard overleg en tegenwoordigheid van geest. Die daad
werd algemeen geroemd, en allen hadden daaraan den welverdienden
lof toegezwaaid, allen, op een enkele na, namelijk den lord. Maar nu
haalde die hetgeen hij verzuimd had in. Hij zat aan de andere zijde
van den kleine, en vroeg hem: "Frank! willen wij eens wedden?"
"Ik wed nooit," gaf deze ten antwoord.
"Waarom niet?'
"Ik heb geen geld om te wedden."
"Dan zal ik het u leenen."
"Borgen baart zorgen," zeggen wij Saksen. "Overigens is het niet zeer
christelijk en contributair-sociaal een armen drommel geld te leenen,
om het hem door een weddenschap weer af te winnen. Dan zijt gij bij
mij aan het verkeerde kantoor, mylord! Ik houd mijn geld, zelfs al
heb ik het niet."
"Maar het was zeer wel mogelijk dat ik verloor, en dat gij dus de
winner werdt."
"Ik heb er volstrekt geen puf op. Door wedden wil ik niet rijk
worden; op zulk geld rust geen zegen. Ik heb mijn principiëele
grondbeginselenen overtuigingen, waarin ik mij door geen mensch van
mijn stuk laat brengen."
"Dat is jammer. Ik had dezen keer eens met alle geweld willen
verliezen, als een soort van welverdiende belooning voor uw
heldendaad."
"Iemand, die een heldendaad verricht, vindt zijn loon reeds in zijn
eigen gemoed. Men draagt de accusatieve erkentenis in zijn eigen en
heiligste localiteiten van het hart met zich om. Hij die iets goeds
verricht, doet eigenlijk maar een staaltje van zijn plicht. Overigens
is het toch wel een minstens gemultipliceerd gebruik, vorsten en
helden, door een weddenschap te beloonen. Wie geven wil, die kan
toch geven, en niet indirect door een oneerlijke weddenschap, maar
rechtstreeks van hand tot hand. Dat is in alle beschaafdere landen
zoo het gebruik, en daarom wordt het ook in den omtrek van mijn
persoonlijkheid niet anders ingevoerd."
"Dus zoudt gij het mij niet kwalijk nemen als ik u een geschenk
aanbood?"
"Dat zou ik zeer kwalijk nemen. Van geschenken wil Hobble-Frank
niets weten; daartoe heeft hij een veel te majestueuze ambitie; maar
een aandenken, zoo iets wat een Franschman, die karakter bezit, een
souvenier en een cataplasme noemt, zoo iets kan men mij aanbieden,
zonder dat men behoeft te vreezen, de snaren van de lier van mijn
gemoed te zullen componeeren tot een wanklank."
"Welnu, hier hebt gij dan een aandenken van mij! Ik hoop dat, dat u
genoegen zal doen. Ik heb er twee, en kan dus het eene wel missen."
Hij schoof hem een van zijn prachtgeweren in zijn handen. Maar
Frank schoof het naar hem terug, en zei: "Hoor eens, mylord! Alle
gekheid op een stokje! Pak mij niet aan op het eenige punt, waar ik
juist ben als de hielen van Hagilles. Ik lach graag en van harte;
maar ik kan ook gezichten trekken als iemand, die een flesch azijn
uitgedronken heeft. Een kleine scherts is goed, en ook voor de
gezondheid gemakkelijk te verduwen; maar bij mijn neus nemen, neen,
dat kan ik niet best verdragen, en dat verdraag ik ook niet; daartoe
heb ik veel te hooge en diagonale gedachten van mij zelf."
"Maar ik scherts volstrekt niet: het is mij wel degelijk ernst."
"Wat! Zoudt gij dat geweer werkelijk uit uw bezit willen verwijderen?"
"Ja," antwoordde de Engelschman.
"En het aan mij vereeren als _bona immobilia_?"
"Zoo is het!"
"Geef dan maar hier, geef dan maar gauw hier, eer gij berouw
krijgt. De waan is kort, gelijk Jemmy, maar het berouw is lang,
gelijk Davy, zingt Freiligrath. Dat geweer mijn eigendom! mijn
onomstootelijk en geconcentreerd eigendom. Het is mij te moede
juist alsof het Kerstmis is, en dat ik het mooiste procent heb
gekregen. Ik ken mijzelf niet meer van blijdschap. Ik ben letterlijk
geconflexioneerd en overstelpt! Mylord, als gij ooit een goed vriend
noodig hebt, die voor u door dik en dun gaat, fluit mij dan maar even,
dan zal ik dadelijk prozent zijn! Hoe zal ik u mijn dankerkentenis
betuigen? Wilt gij een vriendelijken handdruk, of een lucratieven kus,
of een interimistische omhelzing?"
"Een handdruk is voldoende."
"Goed! De kogel is door de kerk, hoor! Hier is mijn hand! Druk die
nu maar goed! druk die maar zoolang als het u pleizier en genoegen
doet. Van nu af aan stel ik die hand elken dag ter uwer beschikking,
voor zoover ik die niet zelf noodig heb; want dankbaarheid, die
schoone deugd, huist in mij, sinds mijn prilste jeugd. Droll! Neef
uit Altenburg! hebt gij gehoord wat een geluk mij dezen dag in alle
hoogachting beschoren heeft?"
"Ja," antwoordde de Altenburger. "Als je een ander was zou ik u
benijden; maar sinds gij mijn vriend en neef zijt, gun ik het u uit
grond van mijn hart. Ik feliciteer u!"
"Dank u, van 's gelijken! Sapperdemallemosterdpot! Dat zal van vandaag
af aan een schieterij geven! Met dit geweer verdedig ik mij zonder
advocaat tegen alle scherpschutters, die in de laatste negen eeuwen
furore gemaakt hebben. Hier, Mylord! hier is nogmaals mijn hand,
druk die, druk die zoo hard als gij maar wilt; ik zal het mij met
pleizier laten welgevallen. Gij, Engelschen! gij zijt toch altijd
potente kerels! Dat constiteer ik, en dat wil ik, als het verlangd
wordt, met mijn eigenhandige handteekening bekrachtigen. Tel mij van
vandaag af aan onder uw intiemste huis- en familievrienden. Zoodra
ik eens te Londen kom, hoop ik u een bezoek te brengen. Gij behoeft
volstrekt geen complimenten met mij te maken of voor mij uit te
halen--ik eet eenvoudig uit den alledaagschen pot mee--sang fassong,
zegt de Franschman."
Hij was over het geschenk in de wolken, en bleef altoos nog maar
doorslaan als een blinde vink, om op zijn eigenaardige manier uiting
te geven aan zijn geluk, tot niet weinig vermaak van allen, die hem
aanhoorden. Het was goed, dat het zoo donker was, want nu kon hij de
lachende gezichten van zijn vrienden niet zien.
Daar het morgen weer een dag van groote inspanning beloofde te zijn,
werden de schildwachten afgelost, en toen beproefde men of men
den slaap zou kunnen vatten, hetgeen echter vooreerst niet wilde
gelukken. Eerst lang na middernacht viel men eindelijk in slaap, en
toen de ochtendschemering aanbrak was men alweer op de been, doordat
de aftocht der Indianen plaats had onder een oorverdoovend spektakel.
Toen het eindelijk daarbuiten rustig was geworden, sloop de Apache
uit de schuilplaats, om te zien of men die zou kunnen verlaten. Weldra
keerde hij terug met een bevredigend antwoord. Er was geen enkele Utah
meer in het dal. Men behoefde zich dus niet langer schuil te houden,
welke tijding te welkomer was, daar de schuilplaats, ofschoon ruim
genoeg, door de aanwezigheid der paarden had opgehouden een aangename
verblijfplaats te zijn.
Allereerst werden er, veiligheidshalve, schildwachten uitgezet aan
den ingang en den uitgang van het dal, en toen het dal zelf nog eens
nauwkeurig doorzocht. Men vond een kolossale grafplaats, eenvoudig
bestaande uit een grooten hoop opeengestapelde steenen boven de lijken
van al de gesneuvelden. Ook lagen er eenige doode paarden, die door
verkeerd gemikte kogels waren getroffen. De Roodhuiden hadden die
ongebruikt laten liggen; de blanken waren verstandiger. De weg naar
het Zilvermeer liep, als men de Utahs ontwijken wilde, door woeste
streken, waar alle plantengroei en bijgevolg ook alle dierlijk leven
ontbrak. Er was daar dus weinig kans om voldoende voedsel te bekomen,
en waren die gedoode paarden dus een goede vondst. De westman is
niet kieschkeurig; hij eet zijn genoegen ook aan paardenvleesch als
hij niets beter bekomen kan. Als hij bij de Indianen te gast is,
wordt hem wel als feestmaal een gebraden hond voorgezet! Men nam dus
de beste stukken, verdeelde die, en stak eenige vuren aan, waaraan
ieder zijn aandeel braden kon, om het goed te houden.
Dit was geen tijdverlies; want men moest de Roodhuiden niet zoo op
den voet volgen. Ook was het beter, nu voor gereed zijnde proviand
te zorgen, dan later de inmiddels kostbaar geworden tijd daaraan
te moeten doorbrengen. Dat de paarden drinken en gras eten mochten,
om zich voor den ophanden zijnden rit te sterken, spreekt wel vanzelf.
Na den aftocht van de Utahs had men de gevangenen de proppen uit
den mond genomen. Zij konden dus weer vrij ademhalen en spreken. De
Gele Zon was de eerste, die van het laatste gebruik maakte. Hij had
lang stilgelegen, al het doen en drijven der blanken gadegeslagen,
en ieder hunner met sombere blikken opgenomen. Nu wendde hij zich tot
Old Shatterhand: "Wie van u heeft mij neergeslagen? Hoe hebt gij ons
durven gevangennemen en binden, daar wij u niets gedaan hadden?"
"Weet gij wie wij zijn?' vroeg de jager hem op zijn beurt.
"Ik ken Winnetou den Apache; en ik weet dat Old Shatterhand en Firehand
zich bij hem bevinden."
"Ik ben Shatterhand, en _mijn_ arm heeft u op den grond geslagen."
"Waarom?"
"Om u onschadelijk te maken."
"Wilt gij daarmee zeggen, dat ik plan had om u te schaden?"
"Ja."
"Dat is onwaar."
"Geef u maar geen moeite om mij te misleiden! Ik weet alles. Wij
moesten hier gedood worden, in weerwil dat wij met de Utahs de
vredespijp gerookt hebben. De Yampa's hebben u gisteren boodschappers
gezonden, en zijn daarna zelf gekomen. Elke onwaarheid, die gij
verzint, zal tevergeefs gesproken zijn. Wij weten precies waaraan wij
ons te houden hebben, en gelooven geen woord van alles wat gij zegt."
De hoofdman wendde zijn gelaat ter zijde en zweeg. In zijn plaats nam
nu de krijgsman, dien Hobble-Frank bij de schuilplaats neergeslagen
had, het woord: "De bleekgezichten zijn thans vijanden van de Utahs."
"Wij zijn vrienden van alle roode mannen, maar wij verweren ons,
wanneer wij door hen als vijanden behandeld worden."
"De Utahs hebben de strijdbijlen tegen de bleekgezichten
opgegraven. Gijlieden zijt beroemde krijgshelden, en gij zijt niet
bang voor hen. Maar weet gij wel dat de Navajos opgerukt zijn, om de
bleekgezichten te helpen?"
"Ja, dat weet ik."
"De Navajos zijn Apachen, en de beroemdste hoofdman van dat volk,
Winnetou, is uw vriend en metgezel, hij bevindt zich bij u. Ik zie
hem daar bij zijn paard staan. Waarom slaat gij dan een krijgsman
van de Navajos op den grond neer, en bindt gij hem armen en beenen?"
"Bedoelt gij daarmee u zelf?"
"Ja. Ik ben een Navajo."
"Waarom hebt gij u dan niet beschilderd met de kleuren van uw stam?"
"Om mij te kunnen wreken."
"En waarom bevondt gij u dan nog hier, toen de uwen reeds geweken
waren?"
"Juist om mij te kunnen wreken. Mijn broeder had gestreden aan mijn
zijde, en was door een hoofdman van die honden gedood. Ik bracht zijn
lijk in veiligheid, en keerde toen, in weerwil dat mijn krijgsmakkers
reeds geweken waren, terug, om zijn dood te wreken. Een hoofdman had
mijn broeder gedood; daarvoor moest ik van een hoofdman den scalp
hebben. Ik wist, dat er een in het dal achtergebleven was, en hem
wilde ik zoeken. Daar zag ik twee mannen op mijn weg, een dooden en
een levenden. De laatste zag mij ook; ik was verraden, en wilde hem
doodschieten; maar hij was mij te gauw af, en sloeg mij neer. Toen
ik tot bezinning kwam, lag ik in volslagen duisternis, en was een
gevangen man. Roep Winnetou maar! Hij kent mij niet persoonlijk; maar
als ik met hem mag spreken, zal ik kunnen bewijzen, dat ik geen Utah,
maar een Navajo ben. Toen ik mijn broeders lijk aan mijn krijgsmakkers
overgegeven had, heb ik de oorlogskleuren van mijn gelaat verwijderd,
om door de Utahs niet dadelijk als vijand herkend te worden."
"Ik geloof u; gij zijt een Navajo, en gij zult vrij zijn."
Nu riep de Gele Zon driftig: "Hij is een Utah, een van mijn
onderhebbenden, een lafaard, die zich door een leugen tracht te
redden."
"Zwijg," gebood Old Shatterhand. "Als hij werkelijk een der uwen was,
zoudt gij hem niet verraden. Dat gij hem verderven wilt, bewijst
voldoende, dat hij waarheid gesproken heeft. Gij zijt een hoofdman;
maar uw ziel is die van een gemeenen lafaard, die men verachten moet!"
"Beleedig mij niet!" bulderde de andere uit, "Ik heb de macht, om
u allen te verdelgen. Bevrijd ons van de boeien, dan zullen wij u
vergiffenis schenken. Maar als gij dat _niet_ doet, zullen duizend
onbeschrijfelijke folteringen u doodmartelen."
"Ik lach om uw bedreigingen; gij zijt in _onze_ macht, en wij zullen
met u doen wat ons goeddunkt. Hoe bedaarder gij u in uw lot schikt,
des te draaglijker zal het zijn. Wij zijn christenen, en scheppen er
geen behagen in, onze vijanden pijnen aan te doen."
Terwijl hij dit zei, bevrijdde hij den Navajo, die nog een jonge man
was van zijn boeien. Deze sprong op, rekte zijn ledematen goed uit,
en verzocht toen: "Geef deze honden in mijn hand, opdat ik hun scalp
kan nemen! Hoe zachter gij hen behandelt, des te meer zullen zij
u bedriegen."
"Gij hebt met hen niets te maken," antwoordde Old Shatterhand. "Gij
zult misschien met ons mee willen gaan; maar als gij het hart hebt,
hen met een vinger aan te raken, zal ik u met mijn eigen handen
dooden. Wanneer wij hen laten leven, kunnen zij ons waarschijnlijk
nog van nut zijn; maar hun dood zou ons schaden."
"Wat zouden zij u van nut kunnen wezen?" vroeg de roodhuid
minachtend. "Die honden zijn tot niets nut!"
"Daarover heb ik geen opheldering te geven. Wilt gij ongedeerd tot
de uwen terugkeeren, dan hebt gij u te schikken naar onzen wil."
Men zag aan het gezicht van den Navajo, dat hij slechts noode van de
vervulling van zijn wensch afzag; maar hij begreep, dat hij niet anders
kon. Om hem eenigszins ter wille te zijn, stelde Old Shatterhand hem
aan ter bewaking van de gevangen Utahs, en beloofde hem den scalp
van hem, die een poging mocht wagen tot ontvluchten. Dit stelde den
man tevreden, en was tevens een zeer verstandige maatregel, daar er
stellig geen oplettender en onvermoeider bewaker te vinden kon zijn,
dan die man, die zoo begeerig was naar de schedelhuid der gevangenen.
Nu was het in de allereerste plaats nog zaak, de vermoorde blanken
in oogenschouw te nemen. Die boden een aanblik, waarvan het maar het
best is geen beschrijving te geven. Zij waren onder groote martelingen
gestorven. De mannen, die thans bij de lijken stonden, hadden reeds
veel gezien en ondervonden; maar er ging hun een ijskoude rilling van
afgrijzen over het gansche lijf, toen zij de op ontelbare plaatsen
doorstoken lichamen en afschuwelijk verminkte ledematen van de dooden
aanschouwden. De tramps hadden gemaaid, wat zij gezaaid hadden. Het
ergst was het den kornel gegaan. Hij hing ten onderste boven aan den
martelpaal, met zijn hoofd naar beneden. Hij was, evenals al de zijnen,
van alle kleederen ontbloot; de Roodhuiden hadden die onder elkander
verdeeld, en er was niet het kleinste stukje meer van te zien.
"Dat is jammer!" zei Old Firehand. "Hadden wij maar wat eer kunnen
komen, om het vermoorden van die lieden te beletten!"
"_Pshaw!_" antwoordde de oude Blenter. "Hebt gij inderdaad nog
meelijden met die schobberds? En al waren wij tijdig genoeg gekomen,
en al was het u gelukt hen het leven te redden, de kornel zou toch
hebben moeten sterven. Mijn mes zou in elk geval een woordje met hem
gesproken hebben."
"Zoo was het niet gemeend, want hun dood betreur ik volstrekt niet,
ofschoon ik wel gewenscht had, dat men hen een minder gruwzamen dood
had doen sterven. Maar dat papier, die teekening, die de kornel bij
zich had! Die teekening wilde ik hebben, die hadden wij noodig! En
die is nu weg; stellig reddeloos verloren!"
"Misschien vinden wij het papier nog. Wij komen stellig nog wel
weer in aanraking met de Utahs; en dan zal het wellicht op de een of
andere manier mogelijk wezen, om in het bezit te komen van de kleeren,
die de kornel aanhad; en die kunnen wij dan onderzoeken."
"Ik heb er een zwaar hoofd over. Wij kennen immers de kleeren niet,
die hij het laatst gedragen heeft; die zijn waarschijnlijk niet eens
bij elkander gebleven, maar onder verscheiden Roodhuiden verdeeld. Hoe
zou men die weer bijeen kunnen krijgen? De teekening is verloren, en
de oude hoofdman Ikhatsjitabli, van wien Engel die ontvangen heeft,
is dood. Een tweede exemplaar is dus niet meer te bekomen."
"Gij vergeet," merkte Watson, de voormalige opzichter over de
baanwerkers te Sheridan, aan, "dat die hoofdman een zoon had, en een
kleinzoon, die toen wel niet daar waren, maar die toch eigenlijk
bij hem aan het Zilvermeer woonden. Dat die twee het geheim wel
zullen kennen, spreekt, dunkt mij, vanzelf, en die zullen er dus,
hetzij goedschiks hetzij kwaadschiks, dat doet er niet toe, wel toe
te brengen zijn, het aan ons mee te deelen."
"Een indiaan laat zich tot zoo iets niet dwingen, vooral wanneer er
goud of zilver bij in het spel is; hij sterft liever, dan een gehaten
blanke behulpzaam te wezen om rijk te worden."
"De vraag is, of hij ons wel tot de gehate blanken zal mederekenen. De
twee Beren zijn misschien jegens de blanken vriendschappelijk gezind."
"De twee Beren?" vroeg Old Firehand. "Heetten zij zoo?"
"Natuurlijk: de Groote Beer en de Jonge Beer."
"Verduiveld ja. Hoe is het mogelijk, dat ik zoo ver nog niet gedacht
heb. Maar nu herinner ik het mij zeer goed: de twee Tonkawa's die met
ons op de stoomboot waren! Nientropan-Hawi en Nientropan-Homosj--de
Groote Beer en de Jonge Beer--juist, zoo heetten zij!"