Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin

posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun

bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er

uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet

op de ruiters.

De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het

spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te

zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders

vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig

en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten

neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den

ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde,

en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig.

"Zie zoo!" zei Old Shatterhand. "Die weten nu ten minste dat

wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij

moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen

besluipen. Dus, voorwaarts!"

In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich

in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts

langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat

men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te

zullen komen.

Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen

bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit

verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt

schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte,

woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje

groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm

en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts

als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd

een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort.

Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend

spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband

gestooten of door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps

dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei:

"Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote,

groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand

en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paarden zoolang aan andere

handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk

ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken,

dat wij een zijweg ingeslagen zijn."

Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van

steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer

te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde

richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos

geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze

woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen

sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij

elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen

oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had.

Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte

hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was

reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit

plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield

halt, wees met de hand naar voren, en zei: "Nog vijf honderd passen

verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in

de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt

beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft

slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn,

en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik

en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen,

wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik

zal hem u wijzen."

Hij ging tot dicht aan den rand van het plateau. Daar lagen

rotsblokken, als een schutsmuur naast elkander opgestapeld, opdat

men niet in de ijzingwekkende diepte zou kunnen neerstorten. Hij

verdween tusschen twee zulke brokstukken, en de anderen volgden hem

een voor een.

Zonderling! Men vond daar een weg. Reeds gaapte de diepte, waarin

men ieder oogenblik vreezen moest neer te tuimelen; naar links liep

die weg het hart van de rotsketen in, en wel zoo steil naar beneden,

dat men het raadzaam achtte af te stijgen en de paarden bij den toom

vast te houden. In de ontzaglijke, mijlen lange en breede rotsgevaarten

was een scheur gekomen, die met verschillende bochten van boven naar

beneden liep. Afgebrokkelde stukken steen hadden die scheur weer zoo

gevuld, dat daarin een zoo vaste bodem was ontstaan, dat men zich

zonder vrees daarop wagen kon.

In weerwil dat de weg zoo steil was konden de paarden niet vallen,

want hij bestond niet uit gladde steenen, maar uit een tamelijk stevig

rotspuin, waar uitglijden bijna onmogelijk was. Hoe dieper men kwam,

des te donkerder werd het. Old Firehand had Ellen Butler op zijn paard

gezet, en liep daarnaast, haar stuttende en vasthoudende. Het was

alsof men uren achtereen in de diepte afgedaald was, toen eensklaps

de neerwaartsche glooiing ophield, de grond effen en gelijk werd,

en de rotsspleet zoo breed, dat die een groote zaal, maar zonder

plafond, geleek. Hier hield Winnetou halt, en zei: "Wij zijn bijna

in het dal. Hier zullen wij blijven, tot de duisternis ons toelaat

om de Utahs voorbij te komen. Brengt de paarden achteruit, waar zij

kunnen drinken, en knevelt de gevangenen weer, en maakt dat zij niet

kunnen schreeuwen."

De Roodhuiden namelijk hadden ook zijwaarts moeten klimmen; daarom

waren de boeien van hun beenen afgenomen. Nu bond men hen weer,

en stopte ieder hunner een prop in den mond, zoodat zij niet konden

roepen. Er heerschte een donker schemerduister in deze ruimte; maar

die mannen, die geoefend waren om des nachts bijna evengoed als katten

te kunnen zien, vonden gemakkelijk den weg. In het achterste gedeelte

van die ruimte verzamelde zich de vochtigheid van de rots in een kleine

kolk, waaruit een watertje stroomde; waarheen, dat zag men nog niet.

Winnetou nam eenigen der jagers mee, om hun de plaatselijke

gesteldheid te laten zien; en wat zij zagen bracht hen niet weinig in

verwondering. Geheel vooraan, waar de zaal weer enger werd, was een

uitgang, zoo smal, dat er bezwaarlijk twee personen naast elkander

konden loopen. Deze gang liep ook weer naar de laagte, maar niet

zeer ver. Na eenige krommingen stonden de mannen voor een dicht,

natuurlijk voorhangsel van slingerplanten, waaronder het watertje

verdween. Winnetou schoof dat gordijn een weinig op zij, en toen zagen

zij vóór zich een bosch, boom aan boom, hoog en krachtvol opgegroeid

en met een zoo dicht loofdak, dat het laatste licht van den dag niet

door de toppen der boomen kon doordringen.

De Apache trad naar buiten om te verkennen. Toen hij weer binnenkwam

berichtte hij: "Rechts van ons, in het noorden, dus dal-opwaarts,

branden verscheiden vuren onder de boomen: daar kampeeren dus de

Utahs. Benedenwaarts in het dal is het donker. Daar moeten wij dus

heen. Misschien staan daar geen Roodhuiden. Hoogstens zullen zij

daar twee of drie man aan den uitgang van het Hertendal op post gezet

hebben; die zijn licht onschadelijk te maken, en wij zouden dus het dal

zonder veel gevaar kunnen verlaten, indien de roodharige kornel zich

niet daarin bevond. Wij moeten met zekerheid te weten zien te komen

wat er te verwachten is van hem. Daarom zal ik, zoodra het nog wat

donkerder geworden is, naar de vuren sluipen om te luisteren. Voordat

ik dat gedaan heb, kunnen wij niet weg; en tot zoolang moeten wij

ons doodstil houden."

Hij bracht de mannen weer terug, om na hen ook aan de anderen de

plaatselijke gesteldheid te laten zien. Dat was noodig, daar allen

in geval van nood en gevaar dienden te weten waar zij zich bevonden

en waar een uitweg te vinden was.

De gevangenen waren zeer goed geboeid, maar toch werd er bij ieder

afzonderlijk een bewaker gezet. Hadden de blanken gisteren en ook reeds

vroeger hun banden weten te verbreken, zoo was het geen onmogelijkheid,

dat zulks ook aan de Roodhuiden gelukte.

Winnetou was van plan geweest om geheel alleen op verkenning uit

te gaan, maar zoowel Old Shatterhand als Old Firehand verklaarde

zich daartegen. Die onderneming was hier zóó gevaarlijk, dat een

alleenstaande bespieder zeer licht in het geheel niet terugkeerde, en

dan zou men niet weten wat er van hem geworden was en op welke wijze

men hem hulp zou kunnen brengen. Daarom wilden de twee genoemden met

hem meegaan.

Na bijna twee uur wachtens brak het drietal op. Zij slopen naar buiten

het bosch in, en bleven daar aanvankelijk staan om te luisteren, of er

wellicht iemand in hun nabijheid was. Hoe meer zij de vuren naderden

des te gemakkelijker werd hun taak, want tegen de vlammen inkijkende,

konden zij ieder voorwerp onderscheiden, dat vóór hen stond of lag.

Zij bewogen zich aan den linkerrand van het dal. De vuren lagen meer

naar het midden. Misschien hadden de Roodhuiden den rotswand niet

vertrouwd. Dat daar zeer licht een stuk kon afbrokkelen, bewezen de

zware steenmassa's die, boomen verpletterende, neergestort waren en

zich diep in den grond hadden gewoeld. De drie mannen kwamen snel

vooruit. Zij bevonden zich reeds parallel met de voorste vuren. Links

van deze, en nog meer naar achteren, brandde een hoog en helder

vlammend vuur, van al de overige afgezonderd. Daaraan zaten vijf

hoofdmannen, zooals men zien kon aan de adelaarsveeren waarmee hun

hoofden getooid waren.

Juist stond een hunner op. Hij had den krijgsmantel afgeworpen. Zijn

naakte bovenlijf was, evenals zijn gelaat en zijn armen, dik met

schel-gele verf besmeerd. "T'ab-wahgare (= de gele zon)," fluisterde

Winnetou. "Hij is de hoofdman der Capote-Utahs, en is even sterk als

een beer. Zie zijn lijf maar eens! Welke dikke, stevige spieren en

wat een breede borst!"

De Utah wenkte een anderen hoofdman, die insgelijks opstond. Deze

was langer dan de eerste en stellig niet minder sterk.

"Dat is Tsoe-ien-Koets (= de vier Buffels)," verklaarde Old

Shatterhand. "Hij draagt dien naam, omdat hij eens vier buffelstieren

met vier pijlschoten gedood heeft."

Die twee hoofdmannen wisselden eenige woorden met elkander en

verwijderden zich toen van het vuur. Misschien wilden zij wachtposten

inspecteeren. Zij meden de andere vuren, en kwamen daardoor dichter

bij den rotswand.

"Ha!" zei Old Shatterhand. "Zij komen dicht hier voorbij. Wat denkt

gij, Firehand? Willen wij hen inrekenen?"

"Levend en wel?"

"Dat zou een meesterlijke vangst zijn! Gauw op den grond, gij den

eerste, en ik den tweede!"

De beide hoofdmannen kwamen dichterbij. Zij liepen achter

elkander. Daar doken eensklaps twee gestalten achter hen op--twee

duchtige vuistslagen, en de getroffenen lagen op den grond.

"Goed zoo!" fluisterde Old Firehand. "Die twee hebben wij. Nu gauw

naar onze schuilplaats met hen!"

Ieder nam den zijnen op. Winnetou ontving de opdracht, om te blijven

wachten, en toen spoedden die twee zich naar die verborgen zaalruimte

in de rots. Daar leverden zij de nieuwe gevangenen af, lieten die

binden en hun een prop in den mond steken, en keerden toen naar

Winnetou terug, doch niet zonder eerst bevel te geven, dat niemand

uit deze schuilplaats mocht komen, er gebeurde wat er gebeurde,

voordat zij terugkeerden.

Winnetou stond nog op dezelfde plaats. Het was nu minder noodig de

drie andere hoofdmannen te beluisteren; maar wel was het dringend

noodzakelijk, uit te visschen waar de roodharige kornel zich met zijn

kornuiten bevond. Om dat te ontdekken, moest men de gansche legerplaats

omsluipen. De drie onverschrokken mannen gingen dus langs den rotswand

gestadig verder, al de vuren aan hun linkerhand latende liggen.

Naar dien kant konden zij goed zien; naar voren was het donker;

dáár was het dus zaak, voorzichtig te wezen. Waar de oogen niet

voldoende waren, moesten de handen helpen om op den tast verder te

komen. Winnetou sloop, als gewoonlijk, voorop. Eensklaps bleef hij

stilstaan, en liet een half onderdrukt, verschrikt "Oef!" hooren. De

andere twee hielden insgelijks halt, en luisterden in de grootste

spanning. Toen alles rustig bleef, vroeg Old Shatterhand zacht:

"Is er onraad?"

"Neen, maar toch een mensch!" antwoordde de Apache.

"Waar?"

"Hier bij mij, vlak voor mij, in mijn hand."

"Houd hem goed vast! Laat hij niet schreeuwen!"

"Neen, hij kan niet schreeuwen; hij is dood!"

"Hebt gij hem gewurgd?"

"Hij was al dood; hij hangt aan den paal!"

"Wat? Misschien wel aan den martelpaal?"

"Ja. Zijn scalp is hij kwijt, en zijn lichaam is vol wonden. Hij is

al koud, en mijn handen zijn nat van het bloed."

"Dan zijn de blanken al dood, en misschien is hier de

martelplaats. Laat ons even zoeken!"

Zij tastten om zich heen, en in minder dan tien minuten tijds vonden

zij een twintigtal lijken, allen afgrijselijk verminkt en aan palen

en boomen vastgebonden.

"Ontzettend!" zuchtte Old Shatterhand. "Ik dacht, dat ik die menschen

nog zou hebben kunnen redden, althans van zulk een barbaarschen

dood! Gewoonlijk wachten de roodhuiden tot den volgenden dag; maar

hier hebben zij zich den tijd niet gegund, schijnt het."

"Het jammerste is," merkte Old Firehand aan, "dat die teekening nu

verloren is."

"Nog niet. Wij hebben die twee hoofdmannen als gevangenen. Misschien

kunnen wij die voor de teekening uitwisselen?"

"Als het papier nog bestaat, en niet reeds verscheurd is."

"Verscheurd? Neen, daar ben ik niet bang voor. De Roodhuiden hebben de

belangrijkheid van zulke papieren leeren inzien. Een Indiaan vernietigt

tegenwoordig liever alles, dan zulk een papier, dat hij bij een blanke

vindt, vooral wanneer er in plaats van drukletters schrijfletters op

staan. Maak u dus nog niet ongerust. Overigens begrijp ik zeer goed,

waarom zij zich zoo gehaast hebben met het afmaken van deze kerels."

"Zoo, waarom dan?"

"Om plaats te krijgen voor ons. Onze komst is hun bericht. Wij zijn

er nog niet, bijgevolg verwachten zij ons tegen morgenochtend vroeg

stellig; en komen wij dan nog niet, dan zullen zij verspieders naar

ons uitzenden."

"De boodschappers, die afgezonden zijn om onze komst te melden, zullen

er zijn, maar de Yampa-Utahs nog niet," zei Winnetou als zijn gevoelen.

"Neen, die zijn er nog niet. Het heeft stellig wel eenige uren geduurd,

eer zij het gewaagd hebben onze rustplaats over te steken, en de

rots-engte binnen te dringen. Misschien komen zij pas morgenochtend

vroeg; want het laatste gedeelte van den weg is zóó slecht, dat het

in den nacht niet.... Hé, hoort gij dat? Daar zijn zij waarlijk! Daar

komen zij!"

Een eind weegs bovenwaarts verder van de plaats, waar de drie stonden,

deed zich eensklaps een luid jubelgeschreeuw hooren, dat van de

benedenzijde terstond beantwoord werd. De Yampa-Utahs kwamen in weerwil

van de duisternis en van den slechten weg, dien zij stellig zeer goed

moesten kennen. Het was een gebrul en gehuil, dat den blanken hooren

en zien er van verging. Er werden stukken brandend hout uit de vuren

getrokken, waarmede de reeds hier kampeerenden de nieuw aankomenden te

gemoet togen. Het bosch werd helder licht en vol beweging, zoodat het

drietal in het grootste gevaar verkeerde, opgemerkt te zullen worden.

"Wij moeten maken dat wij wegkomen," zei Old Firehand. "Maar

waarheen? Voor en achter ons is alles vol menschen."

"In de boomen!" antwoordde Old Shatterhand. "In het dichte gebladerte

zijn wij veilig, en kunnen er wachten tot de opgewondenheid eenigszins

tot bedaren is gekomen."

"Goed, dan maar een boom in! O, Winnetou is reeds boven."

Ja, de Apache had geen tijd verloren met eerst te vragen. Hij klom een

boom in, en verschool zich in den dichten bladerdos. De twee anderen

volgden zijn voorbeeld, en klommen ieder in een dichtbij staanden boom.

Nu zag men bij het schijnsel der vuren en fakkels, de Yampa-Utahs en

hun volgelingen komen. Zij stegen van de paarden af, die weggebracht

werden, en vroegen, of Winnetou en de blanken aangekomen en gevat

waren. Die vraag verwekte groote verwondering. De Yampa's wilden

maar niet gelooven, dat de genoemden niet aangekomen waren, want zij

waren immers hun spoor gevolgd. Er werd links en rechts gevraagd,

allerlei vermoedens werden geopperd, maar het ware van de zaak bleef

een raadsel.

Het was voor de andere Utahs een hoogst gewichtige tijding, dat

Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou zich in de nabijheid

bevonden. Uit de verschillende uitroepen, uit de opgewondenheid die

deze mededeeling bij hen teweegbracht, konden die drie mannen ontwaren

in welk een roep zij bij deze Roodhuiden stonden.

Toen de Yampa's hoorden, dat er ruim twintig blanken doodgemarteld

waren, dachten zij, dat het de gezochten waren, en verlangden zij de

lijken te zien. Men kwam met brandende fakkels, om aan hun verlangen

te voldoen. En nu vertoonde zich aan de drie in de boomen zittenden

een tooneel, dat, bij de ongestadige, flikkerende verlichting, dubbel

afgrijselijk was. De Yampa's erkenden, dat dit niet de lijken waren

van hen, die zij zochten, en koelden hun woede op die doode lichamen

op een manier, die voor geen beschrijving vatbaar is. Gelukkig duurde

dit tooneel niet lang; er werd een einde aan gemaakt op een wijze,

die niet een der Utahs voor mogelijk had gehouden.

Uit het benedeneinde van het dal, namelijk, klonk een langgerekte

gil, een gillende kreet, dien men slechts ééns behoeft te hooren,

om hem nimmer weer te vergeten; met andere woorden de doodskreet van

een mensch.

"Oef!" riep een der onder de boomen staande hoofdmannen

verschrikt. "Wat was dat? De Gele Zon is met de Vier Buffels

daarginder."

Een tweede gegil, gelijk aan het eerste, weergalmde; en dadelijk

daarop knalden verscheiden schoten.

"De Navajos, de Navajos!" schreeuwde de hoofdman. "Winnetou,

Shatterhand en Firehand hebben hen hier gehaald, om zich te wreken. Te

wapen, mannen, te wapen! Werpt u op de honden! Vernietigt hen! Laat

de paarden achter, en vecht te voet achter de boomen!"

Eenige oogenblikken lang holde alles door elkander. Men haalde de

wapenen; men wierp hout op het vuur, om het noodige licht voor het

gevecht te bekomen. Men schreeuwde en brulde; het bosch weergalmde

van het krijgsgehuil. Er knalden aanhoudend schoten, telkens dichter

en dichter bij. Vreemde, donkere gedaanten snelden van den eenen boom

naar den anderen, en lieten hun geweren glinsteren.

De Utahs antwoordden, aanvankelijk slechts met een enkel schot hier en

daar, maar weldra in groepen vereenigd, die in staat waren weerstand

te bieden.

Ja, het waren de Navajos; zij hadden de Utahs willen overrompelen,

maar het was hun niet gelukt de aan den uitgang van het dal geposteerde

schildwachten onschadelijk te maken zonder dat die schreeuwden. De

doodskreten van die schildwachten hadden alarm gemaakt, en nu gold

het, man tegen man te vechten, en de beslissing over te laten niet

aan overrompeling, maar aan dapperheid en meerdere getalssterkte.

De Roodhuid grijpt den vijand liefst in den ochtendstond aan, omdat

men dan--althans bij de toestanden daar te lande--het diepst in

slaap ligt. Waarom de Navajos van dien regel afweken, was moeilijk te

verklaren. Misschien hadden zij gedacht, dat zij het dal onopgemerkt

konden binnendringen, en dat zij dan bij het schijnsel der vuren hun

vijanden gemakkelijk konden doodschieten. Nu dat niet gelukt was,

had hun dapperheid hun niet toegelaten terug te trekken. Zij waren

dus toch voorwaarts gerukt, en vochten nu met groot verlies.

Het bleek dat de Utahs het talrijkst waren; bovendien kenden zij

het terrein beter dan de vijand, en zoo werden dezen, hoewel zij

bij uitstek dapper vochten, langzamerhand teruggedrongen. Men vocht

ver en nabij met vuurwapens en messen of met den tomahawk. Het was

voor de de drie toeschouwers een ongemeen belangwekkend schouwspel:

wilden tegen wilden op de wildst denkbare manier! Hier vochten er

twee die beiden om het hardst wildebeesten-geluiden aanhieven; daar

was een groepje bezig elkander af te maken zonder een kik te laten

hooren. Overal waar er een viel zat de overwinnaar dadelijk op hem,

om hem van zijn scalp te berooven, misschien om een oogenblik daarna

van zijn eigen schedelhuid beroofd te worden.

Van de drie hoofdmannen, die nog aan het vuur gezeten hadden, namen

er twee persoonlijk deel aan het gevecht, om door hun voorbeeld de

hunnen aan te vuren. De derde leunde in de nabijheid van het vuur tegen

een boom aan, volgde met scherpe aandacht den loop van het gevecht,

en gaf naar links en naar rechts zijn uitgebreide bevelen. Hij was de

veldoverste, die al de draden der verdediging in handen hield. Zelfs

toen de Navajos verder en verder teruggedrongen werden, bleef hij

staan zonder mee te avanceeren. Hij wilde fier op zijn post blijven,

en liet aan de twee andere hoofdmannen de leiding over om den vijand

te vervolgen.

Het gevecht verwijderde zich meer en meer. Nu werd het voor de drie

onvrijwillige getuigen tijd, om zich in veiligheid te brengen. De

weg naar hun asyl was vrij. Later, als het gevecht misschien

een tegenrichting aannam, of wanneer de Utahs als overwinnaars

terugkeerden, zou het onmogelijk wezen, onopgemerkt naar hun

schuilplaats te komen.

Winnetou kwam uit zijn boom. De twee anderen zagen dat, in weerwil

van de duisternis, en volgden zijn voorbeeld. De hoofdman stond nog

altijd op zijn post. Het oorlogsrumoer kwam nu verreweg uit de verte.

"Nu maken dat wij wegkomen," zei Winnetou. "Later zullen er

vreugde-vuren aangelegd worden, en dan zal het voor ons te laat zijn."

"Nemen wij dien hoofdman mee?" vroeg Old Shatterhand.

"Ja. Wij zullen hem gemakkelijk inrekenen, want hij is alleen. Ik

zal...."

Eensklaps zweeg hij. En wat hij zag was ook wel geschikt om hem

te verbazen, en te maken dat de woorden hem in zijn keel bleven

steken. Er sprong namelijk uit de duisternis, snel als een weerlicht,

een klein, nietig, kreupel kereltje; het zwaaide met een geweer,

en sloeg met een goed gemikten kolfslag den hoofdman ter aarde. Toen

pakte hij den Roodhuid bij den nek, en sleepte hem schielijk weg in

de duisternis. Daarbij hoorde men de bijna gefluisterde, maar toch

duidelijk verstaanbare woorden: "Wat Old Shatterhand en Old Firehand

kunnen, dat kunnen wij Saksen meerendeels ook."

"Dat is Hobble-Frank!" zei Old Shatterhand verwonderd.

"Ja dat is Frank!" bevestigde Old Firehand. "Dat ventje is gek. Wij

moeten hem gauw achterna, om te zorgen dat hij geen domme streken

méér doet."

"Gek is hij niet, dat verzeker ik u. Het is een koddig kereltje,

dat is waar; maar zijn hart zit precies, waar het behoort te zitten,

en lichtzinnig is hij in het geheel niet. Hij is bij mij in de leer

geweest, en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik pleizier aan hem

beleefd heb. Maar wij zullen hem achternagaan, want zijn weg is ook

de onze."

Zij spoedden den kleine achterna, de duisternis in. En zij waren reeds

bijna aan den ingang van hun schuilplaats, toen knalde er vlak vóór

hen een schot.

"Hij is stellig geraakt door een Roodhuid. Wij moeten hem bijspringen

...." wilde Old Shatterhand zeggen, maar hij zweeg, want terstond

hoorden zij de lachende stem: "Domkop! kijk toch uit uw oogen wat gij

doet! Als gij mij raken wilt, schiet dan niet op de maan. Ziedaar! Daar

hebt gij uw competente portie, en nu wensch ik u goedennacht!"

Een geluid als van een zwaren slag--toen was alles stil. De drie

drongen vooruit, en stieten op den kleine.

"Terug!" gebood hij. "Hier wordt geschoten en gestoken!"

"Halt, schiet niet!" waarschuwde Old Shatterhand. "Wat hebt gij toch

hier te zoeken?"

De schat in het Zilvermeer · 第 44 / 51 段