Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling
den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden
voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden
begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos
breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen
zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande
nog niet te verklaren."
Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan
Vuurhart: "De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?"
"Eer ik dat zeggen kan," antwoordde de gevraagde, "dien ik precies
te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt."
"Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij
geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar
het Teywipah."
"En dan?"
"Hooger op naar het Zilvermeer."
"En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos
kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden
dooden."
"Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan
tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen
wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij."
"Is dat waar?"
"Ja."
"Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?"
"Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de
anderen."
"Neem dan uw calumet en steek die aan."
"Neem liever de uwe."
"Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de
uwe slechts wolken van onwaarheid?"
"Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de
pijp der roode mannen is niet te vertrouwen."
Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn
oogen van woede vlammen schoten: "Was ik niet geboeid, dan zou ik
u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid
te betichten?"
"Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft
ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt,
doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus,
er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet,
dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit
spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen."
"Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen."
"Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik
zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen."
Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te
antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven
er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals,
stopte die, en stak die aan.
Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de
vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de
tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen,
indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart
werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de
twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier
hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp,
en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke
belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen.
Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende
voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd,
dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden
de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op
het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden
het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij
moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten
hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid
kon geven om er hun voordeel mee te doen.
De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun
paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee
blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval
de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten
willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon,
uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren
geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken,
waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over
aangaande de gevoelens, die hen bezielden.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN INDIANEN-GEVECHT.
Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht
trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men
dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden
achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren,
liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en
zei: "Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die
Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten
wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?"
"O ja!" knikte Frank. "Het is een streek van genie geweest, zoo
mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de
voornaamste matadors daarbij geweest zijn?"
"Nu?"
"Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen
de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die
jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever."
"Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets
op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als
Winnetou, Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den
martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in
de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog."
"Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan
zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet
onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich
uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet
trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording,
als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone
geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs
het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom,
om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan
goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven,
zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen,
tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente
bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in
dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons
geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche
landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten."
Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf
naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon
te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als
gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die
de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel,
waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters
besloten den trein.
Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was
gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als
de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van
hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en
die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand
uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet
op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde
de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen!
De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer
een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de
donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide
Winnetou zich om en zei: "Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons
volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand
tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken."
Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als
met het oog op Ellen's draagstoel en de hitten, die hem droegen,
doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een
voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een
troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en
dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag.
De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te
eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het
dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de
zonnestralen zoo brandend heet uit de lucht kwamen, dat zij mensch
en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte,
welke plek glooiend afliep.
"Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen,"
zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof
hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend
dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden
rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot
manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger,
totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien
engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water
naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende,
zoodat de dorstige paarden weldra konden drinken. En, opmerkelijk,
deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had
lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het
uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe
langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang,
het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet.
Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend
natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van
den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed;
de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een
grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden
rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden,
regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden
vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje,
evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende
zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras
bijna verschroeide.
Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag
men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding,
waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de
hand. "Die beek," zei hij, "moeten wij volgen naar boven; die loopt
naar het Hertendal."
"Maar hoe komen wij er overheen?" vroeg Butler, die natuurlijk
allereerst om zijn dochter dacht. "De rivier heeft wel geen sterke
strooming, maar schijnt nog al diep te zijn."
"Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare
plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar
stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen
mij volgen!"
Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich
bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen,
ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te
bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan
de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen
volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan
zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever
aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep
hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had.
"Wat is het?" vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. "Heeft
het stroombed zich verlegd?"
"Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden."
Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old
Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het
spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich
nog niet geheel weder opgericht.
"Dat is opmerkelijk!" zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was
gekomen. "Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de
anderen in het water te blijven."
Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor
met hun kennersblik in oogenschouw.
"Het zijn bleekgezichten geweest," zei Winnetou.
"Ja," bevestigde Old Shatterhand. "Indianen zouden achter elkander
gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed
als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager,
die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op
dertig à veertig personen.
"Ik ook," zei Old Firehand. "Maar blanken, hier, onder de tegenwoordige
omstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen,
die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan."
"Hum!" bromde Old Shatterhand. "Ik geloof dat ik het wel raden kan
welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben."
"Nu, wie dan?"
"Den roodharigen kornel met zijn bende."
"Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels
hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton
vernomen hebt. Wij moeten het spoor...."
Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was
gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: "Mijn broeders kunnen
hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest."
Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater,
en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag
er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters
over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep.
"Eer die ruiters er over gegaan zijn," verklaarde de Apache, "is
één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te
onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn
oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de
beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen
mijn broeders mij zeggen."
"Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat
is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft,"
antwoordde Old Firehand.
"Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar
graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen
kornel."
"Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het
voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn."
"Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn," zei Old
Shatterhand; "en dat betwijfel ik."
"Op grond waarvan?'
"In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding,
die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de
sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen;
resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote
troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige
kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren."
"Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop
zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River
naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij
rijden dus de Utahs regelrecht in den mond."
"Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets
daaraan veranderen."
"Oho!" riep Old Firehand. "Wij _moeten_ het veranderen."
"Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?"
"Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen
heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te
weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen."
"Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen
te waarschuwen?"
"Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te
hakken."
"Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!"
Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei
toen op een toon van teleurstelling: "Jammer! Het is reeds vijf uur
geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier
naar het Hertendal?"
"Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid
bereiken."
"Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht
der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar
hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat
dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken,
en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt."
"Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan,"
verklaarde Winnetou. "Te voet is de weg veel korter, daar een
mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden
breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar
wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen."
"Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?"
"Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg
af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen
willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel,
dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien;
dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij
zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en
niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide
blanke broeders verstaan de kunst, om een spoor onleesbaar te maken,
Hobble-Frank en Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het
ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras
oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is,
zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet
gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als
dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar
wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn."
Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk;
terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden
de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De
genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd
passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op,
terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond
achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het
doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit
bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald
denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór
zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek
heen en stegen weer in den zadel.
De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert
het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord
gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom
maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden
zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te
volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich
verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand:
"Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?"
"Ruiters," antwoordde de gevraagde kort.
"Waar zijn die naar toe?"
"Dat weet ik niet."
"Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?"
"Om uw krijgslieden."
"Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?"
"Zij zullen het niet zien."
"Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn
krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters."
"Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen."
"Geloof dat maar niet."
"Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig."
"Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de
hielen zitten?"
"Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal
kampeeren."
Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij
herstelde zich dadelijk, en zei: "Mijn blanke broeder heeft dat
waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt."
"Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee
jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens
evengoed verstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet
bedrogen hebt."
"Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest."
"Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb
ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!"
De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het
spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden
worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen,
dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger
stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het
hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat
hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne
op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun
boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken
zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was,
door hun bewakers heen te breken.
De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar
boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en
boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen,
uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier
haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen,
waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan
eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde
en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was,
hield hij halt, en zei: "Hier hebben wij een uitmuntende plaats om
te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger,
en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders
kunnen afstijgen en de antilopen braden."
"Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid
inhalen!" merkte Old Firehand aan.
"Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in
het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een
man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte
zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet
bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken."
"Maar wat een tijd verliezen wij hier!"
"Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons
nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij
aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel
te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn
broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb."
De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men
hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een
schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden,
de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren,
over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon
het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens
water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had.
Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om
avonturen te zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit
had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om
de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds
schuldig was.
"Willen wij eens wedden?" vroeg hij aan Humply-Bill.
"Waarover?"
"Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?"
"Neen, ik wed niet."
"Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben."
"Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel
weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk,
dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven."
"Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de
grap gaat al aan den gang, zie ik!"
De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij
wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de
rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal
voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal
schreden ver af.