"Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw

hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden

van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs

het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn

begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij

absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er

oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde

neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op,

asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar

te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek

laten zal ik u niet!"

De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in

een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In

weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en

zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het

moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande,

partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen.

Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen

voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig

bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll

was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet

op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch

gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar

kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid

hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk

ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden

Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen

op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten

neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd,

om een uur te slapen.

Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte,

waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom,

en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden

moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee

te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat

doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van

brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een

wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te

herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind

weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij

dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: "Het oogenblik

schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?"

"Ja, hij is hier vlak bij, de eerste."

"Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij

óók geboeid zijt."

"En gij?"

"Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou."

"Dat is gevaarlijk."

"Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn,

als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!"

Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een

voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo

erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat

men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der

schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer

dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken

van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten.

Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen

rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar

zijn buurman toe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf

aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam

vastgebonden waren.

"Frank, gij?" vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op

een toon van verwondering. "Waar is Droll?"

"Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou."

"God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt

bij mij hebt kunnen komen."

"Wist ge dan, dat wij komen zouden?"

"Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk,

dat je niet onder de gevangenen was."

"Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij

gepakt konden worden!"

"_Pshaw!_ De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen

was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug,

en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb

mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten,

dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen."

"Dat is kras! Dat is veel gedurfd!"

"Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!"

"Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet

tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en

verplichtingen niet punktueel nagekomen?"

"Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!"

"Ja, zonder ons was u happa geweest."

"Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren

geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter

hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je

niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten

helpen. Zie maar eens hier!"

Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien.

"Deze hand heb ik reeds losgemaakt," vervolgde de jager; "de andere

zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein,

verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn,

zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden

hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld,

die daarginds bij de hoofdmannen liggen ..."

"Weet gij dat óók?"

"Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid

had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en

daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe

gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen

zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?"

"Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij."

"Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?"

"Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar

het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar

wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het

dag was, het spoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij

voor u konden doen."

"O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch

gevonden hebt?"

"Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het

toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het

ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn

geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen."

"Gij wordt ironiek."

"Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben,

dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen

heen met u te assimileeren."

"Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw

leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt

gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het

kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn

buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken."

"En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de

wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink."

"Neen, dat niet; wij blijven hier!"

"Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij

dat redding?"

"Ja."

"Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel

voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den

hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!"

"Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar

de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan,

dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand

zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen

vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden

konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij

moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen."

"Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik

heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch

gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden

te verstaan heb."

"De hoofdmannen."

"O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!"

"Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij

maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons

niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de

schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen."

Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman,

deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in

omloop. Daarop ging Old Shatterhand's bevel zacht van mond tot mond,

dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur

uitgebluscht had.

"Het vuur uitgebluscht?" bromde Frank. "Hoe wilt gij dat klaren?"

"Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het

worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten."

Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het

vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen,

waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij

op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd,

en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal

heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik

uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was,

eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun

waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen

stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was

de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou.

De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het

was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste

martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden

sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen

zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der

schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten

der bevrijden op zich aanstormen--eenige seconden later waren zij op

den grond geworpen, ontwapend en geboeid.

Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder

zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de

schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen,

zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige

blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de

hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken

met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit,

en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al

de anderen deed aansnellen.

Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid

verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden,

indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde,

dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun

aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou.

Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en

leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen

stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het

heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen,

bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de

harten der hoofdmannen doorboren.

"Blijft daar!" riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. "Ik zal met

de bleekgezichten spreken."

"Met u hebben wij niets te maken," voegde Old Shatterhand hem toe. "De

anderen kunnen spreken."

"Waarom _ik_ niet?"

"Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens."

"Ik zal waarheid spreken."

"Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te

houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken,

als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar

gij zijt de mijne; en nu gebied _ik_ u precies hetzelfde. Als gij

spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes

door uw hart.--Hoe is uw naam?"

Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde:

"Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met

u spreken."

"Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben,

en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van

u verlangen."

"Wat verlangt gij dan? De vrijheid?"

"Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten

ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!"

"Wat moeten die?"

"Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw;

want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen

hun geduld te verliezen."

"Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal."

Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel

werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand's bevel te voldoen. In

de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om

alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er

niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk

noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten

aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den

grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te

vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets

anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden,

had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij

die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol

ontzetting riep hij uit: "Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft

het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het

niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!"

"Het toovergeweer, het toovergeweer!" hoorde men de stemmen der

verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen.

Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart.

"Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen,

die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra

de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf

krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen

houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die

allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren."

"Oef! Dat is te veel van ons gevergd," antwoordde Vuurhart. "Dat

kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van

zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan."

"Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten

wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te

laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen

geweest, en toch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen

roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen,

daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer

wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is

geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd

en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren."

"Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze

macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak;

en nu zijn _wij_ de geknevelden, en gij schrijft aan _ons_ de wet

voor!"

"Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn

voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij

het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier

zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele

anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden

krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun

plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!"

Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg:

"Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar

toe te rijden?"

"Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken,"

antwoordde Old Shatterhand. "Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan

de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als

wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij

ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen

bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd

gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen

te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!"

Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er

geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of

andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart

liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord

feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de

verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid

waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid

naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide,

bijna fluisterende stem hooren: "Mai iwe!"

Die twee woorden beteekenen: "Kijk hierheen!" Ze waren niet

toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken;

ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest

zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg

gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen

beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand

en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van

waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder

hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een

paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het

als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op

elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds

door hen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel

van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart.

De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al

de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich

daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes

gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den

rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die

vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk

op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie,

volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de

omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis,

evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een

stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer

dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk

mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen.

Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen

acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het

dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde,

zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens

geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen

hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en

naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den

hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere

tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden.

Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was;

maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen

van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin

nog knapper was dan zij.

Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien

tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee

Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren

klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden,

dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart

merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem

ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke

richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug,

om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche

opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen,

die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het

meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam

naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem

nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend:

"De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder

gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?"

"Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin,

van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg."

"Nu, wat hebben zij gezegd?"

"De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de

Sampietsje-Utahs, wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben

Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden."

"Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen."

"Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen,

loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (=

Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie-

en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te

verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op

die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen,

dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen

terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te

waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen

hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak

verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers

in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is."

"Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode

broeder daarvan?"

"Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één

groot gebrek."

"En dat is?"

"Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij

wat ons te doen staat."

"Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn

een omweg van minstens een dagreis of vier te maken."

"Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet

in handen van de Utahs vallen."

"Is dat mogelijk?"

"Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben

ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd

dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen,

doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons,

en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden

is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere

keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan

de keus wel niet twijfelachtig zijn."

"Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?"

"Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter

den rug hebben."

"Maar den Grooten Wolf?" vroeg Old Shatterhand. "Zullen wij dien óók

weer vrijlaten?"

"Wilt gij hem dooden?" vroeg Winnetou.

"Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade

schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten,

als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft

hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel,

dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet

alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden,

dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te

houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor

alle andere Roodhuiden."

De schat in het Zilvermeer · 第 42 / 51 段