"Dat zou mij gerust kunnen stellen."

"Welnu, laat het u dan geruststellen. Gij hebt toch hooren schieten?"

"Ja."

"En wie hebben dan geschoten? De Indianen?"

"Neen, want wat ik gehoord heb, waren revolverschoten."

"Dus, de Indianen hebben hun geweren in het geheel niet gebruikt;

zij zijn dus van plan geweest om de bleekgezichten bij levenden lijve

gevangen te nemen, om hen later des te beter te kunnen martelen. Daarom

ben ik op den loop gegaan. Nu zijn wij beiden gered, en kunnen wij

voor de onzen meer doen, dan wanneer wij ons óók gevangen hadden

laten nemen."

"Daar hebt gij gelijk in, neef! daar hebt gij gelijk in. Nu is er een

zware steen van mijn hart gevallen. Zou er ooit van den wereldberoemden

Hobble-Frank gezegd kunnen worden, dat hij het hazenpad heeft

gekozen, terwijl zijn kameraden zich in levensgevaar bevonden? Neen,

dat nooit! Liever werp ik mij in het heetste strijdgewoel, en hak

om mij heen links en rechts als een razende Hoefland. Het is in één

woord afschuwelijk! Wie had in zijn stille, vredelievende temperament

ooit kunnen denken, dat zoo iets gebeuren zou. Ik ben er letterlijk

kapot van!"

"Ik ben er ook van ontsteld, erg ontsteld; maar toch, er dadelijk

den kop bij laten hangen, dat doe ik niet. Zulke mannen als Winnetou,

Firehand en Shatterhand mag men niet eer verloren geven, of ze moeten

eerst werkelijk verloren zijn. En ze zijn toch ook niet geheel alleen,

maar er zijn mannen bij hen, die haar op de tanden hebben. Wij moeten

het dus maar bedaard afwachten."

"Dat is gemakkelijk gezegd. Maar welke Indianen kunnen het geweest

zijn?"

"Utahs natuurlijk. De groote Wolf is niet in zijn bivak teruggekeerd;

maar hij heeft vast geweten, dat zich nog andere Utahs in de nabijheid

bevonden, en die zal hij er bijgehaald hebben."

"De schobberd! En kort te voren heeft hij de vredespijp met ons

gerookt! Van welken kant kan hij toch gekomen zijn?"

"Ja, als ik dàt wist, zou ik meer weten, dan ik nu weet. Daar

hooger-op in het bivak zal hij zich stellig niet ophouden, maar hij

zal de gevangenen verder weg laten brengen. Daar wij niet weten welke

richting, mogen wij hier niet blijven staan; wij moeten weg, veel

verder weg, tot wij een plaats vinden, waar wij ons goed verschuilen

kunnen."

"En dan?"

"Dan? Nu, wij zullen wachten tot het dag geworden is; dan onderzoeken

wij de sporen, en loopen zoo lang achter de Indianen, tot wij weten,

wat wij voor onze vrienden doen kunnen. Maar nu, opgerukt! Kom!"

Hij nam Frank weer bij den arm, en raakte daarbij de karabijn aan.

"Wat?" vroeg hij. "Hebt gij twee geweren?"

"Ja. Het eene heb ik gevonden, toen wij naar het water kropen: dat

is het geweer van Old Shatterhand, zijn Henry-karabijn."

"O, dat is goed, dat is heerlijk! Dat kan ons van groot nut wezen. Maar

kunt gij er wel mee schieten?"

"Natuurlijk kan ik dat. Ik ben al zóó lang bij Old Shatterhand, dat

ik het evengoed ken als hij zelf. Maar nu vooruit! Als de Roodhuiden

op den inval komen om naar de beneden-rivier te rijden, dan halen

zij ons in, en dan zijn wij verloren. Maar ik moet mijn dierbaar

leven nog een poosje zien te behouden, om het voor mijn vrienden te

kunnen opofferen. Wee den Indianen, en wee het geheele wilde Westen,

als er van een van onze vrienden een haar op zijn hoofd gekrenkt

wordt! Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen

en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele

wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals

ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd

een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en

diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld."

"Of gekregen," antwoordde Droll, terwijl hij zijn kameraad voorttrok.

"Zwijg!" zei deze. "Gij Altenburgers zijt maar kaas-Saksen, maar

wij aan de Elbe zijn de echte. Zoo lang een menschelijke lip van

beschavingsgebeurtenissen spreekt, zijn Moritzburg en Perne altijd de

sublieme geweest van alle excentrieke grootheid en fatsoenlijkheid. Bij

Leipzig werd Napoleon verslagen; en te Räcknitz bij Dresden verloor

Moreau allebei zijn beenen--de twee eenige, die hij had; aan de

Weisseritz ligt de bakermat van de stoutmoedigheid, die ik in mijn

boezem consumeer, en ik zou dus den Roodhuiden maar aanraden, het bij

mij niet tot den climax van mijn verbolgenheid te laten komen. Ik ben

geadstringeerd in mijn toorn en incapabel in mijn gramschap. Morgen,

morgen spreek ik verder met u, morgen, als de eerste straal der zon

_dos à dos_ met het laatste schijnsel van de duisternis neerschiet

op het bloedige slagveld!"

Hij balde zijn vuist en schermde er dreigend mee achter zich. Nog nooit

van zijn leven was hij zoo opgewonden en verwoed geweest als op dit

oogenblik; dat openbaarde zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in

de manier, waarop hij in weerwil van de duisternis voorwaarts stormde,

als gold het den vijand in te halen, die echter achter hem was.

En toch was de richting, die de twee ingeslagen waren, de juiste en

voor hen de geschikte om bij de Roodhuiden te komen, zooals hun later,

tot hun verrassing, zou blijken. Om niet door de Indianen ingehaald te

worden, verhaastten zij hun schreden zooveel als bij de heerschende

duisternis mogelijk was. Met het water rechts en den rotswand links,

liepen zij altijd zuidwaarts, tot ongeveer een uur later, toen de

canon een richting naar het oosten nam. Boven den daardoor gevormden

hoek scheen aan hun rechterhand en tot hun verwondering de maan,

zoo, dat zij die, toen zij een blik naar omhoog wierpen, helder

aan den hemel konden zien staan, doordat hier een zijcanon in den

hoofdcanon uitliep. Droll bleef stilstaan, en zei: "Halt! Hier moeten

wij overleggen, waarheen wij ons wenden zullen, rechts of links."

"Daarover behoeven wij ons geen oogenblik te bedenken," antwoordde

Frank. "Wij moeten het zijdal in."

"Waarom?"

"Omdat wij met absolute consecratie veronderstellen kunnen, dat

de Roodhuiden in den hoofdcanon zullen blijven. Als wij ons in den

zijcanon verschuilen, trekken zij ons voorbij, en dan kunnen wij hen

vroeg met obligatore hypnologie op hun achterste hielen zitten. Vindt

ge dat óók niet?"

"Hum! Het idee is niet kwaad, te meer daar de maan vlak boven het

zijdal staat, zoodat wij zien kunnen wat wij doen."

"Ja, Luna straalt mij troost in mijn hart, en kust mij de bruisende

stroomen mijner tranen uit het van woede verdroogde gemoed. Wij

zullen haar liefelijk schijnsel volgen; misschien brengt het ons

naar een plaats, waar wij ons goed verschuilen kunnen, hetgeen in

onze imponderabele positie de hoofdzaak is."

Zij sprongen het water over, en gingen den zij-canon in, waar nu

geen water liep; er waren echter kenteekenen genoeg die aanduidden,

dat de gansche bodem van het smalle dal in een ander jaargetijde

een stroombed vormde. Hun richting was nu regelrecht westwaarts. Zij

moesten diep den canon in, om door de Indianen toch niet ontdekt te

worden. Wel een half uur lang waren zij in die richting voortgegaan,

toen zij, eensklaps alleraangenaamst verrast, stil bleven staan. De

rotswand, namelijk aan hun rechterhand, hield plotseling op, om met

een van het noorden komenden wand een scherpen hoek te vormen. Daar

lag nu vóór hen, niet een open terrein, maar een woud, een echt woud,

zooals geen vreemde hier had kunnen vermoeden. Boven slechts weinig

kreupelbosch vormden de kruinen der hooge boomen zulk een dicht

loofdak, dat het licht der maan er slechts op enkele plaatsen even

doorheen kon dringen. Dit was het Woud des Waters, waar de Utahs hun

legerkamp hadden opgeslagen.

De dalgrond, dien dit woud vulde, liep regelrecht van het Noorden naar

het Zuiden, parallel met den niet veel verder dan een halfuur gaans

verwijderden hoofdcanon. Tusschen dien canon en het woud had men

twee wegen van gemeenschap, twee zijdalen: een noordelijk, waarvan

de Groote Wolf gebruik had gemaakt, en een zuidelijk, door hetwelk

Droll en Frank thans waren gekomen. Die twee van het oosten naar het

westen loopende zijdalen vormden met den hoofdcanon en het woud een

rechthoek, welks binnenvlak uit het hooge, urenlange rotsgevaarte

bestond, waarin het water loodrechte en verscheiden honderden voeten

diepe wegen had ingevreten.

"Een bosch, een woud, met echte bosschages en boomen, als was het door

een koninklijk Saksischen opperhoutvester aangelegd!" zei Frank. "Beter

konden wij het nooit treffen, want dat verschaft ons een schuilplaats,

zoo mooi als er ooit een in een boek beschreven is. Vindt gij dat

óók niet?"

"Neen!" antwoordde Tante Droll. "Dit woud komt mij verdacht voor,

of beter gezegd beangstigend. Ik vertrouw het niet."

"Hoe zoo dat en waarom dat? Denkt gij bijgeval, dat hier beren hun

nachtelijk difficiel opgeslagen hebben?"

"Dat niet zoo bijzonder. Voor beren behoeven wij hier niet bang te

zijn, geloof ik; maar wel voor andere creaturen, die precies even

gevaarlijk zijn."

"Wat voor creaturen dan?"

"Indianen."

"Dat is onnoozel; dat is wezenlijk ijselijk onnoozel."

"Nu, het zal mij plezier doen als ik abuis heb, maar mijn vermoedens

zullen wel juist uitkomen, zooals ik denk."

"Wilt ge dan de vriendelijkheid hebben, mij die vermoedens logisch

te expliceeren?"

Zij stonden beiden aan den rotshoek, waar de schaduw viel, en hielden

hun oogen scherp gericht op den zoom van het woud, die door de maan

werd beschenen. Daarbij vroeg Droll: "Wie zal wel beter weten, dat

hier een woud is, wij of de Roodhuiden?"

"De Indianen natuurlijk."

"Zouden zij niet evengoed weten als wij, dat men zich in het woud

het best verschuilen kan?"

"Natuurlijk."

"Heb ik u niet reeds gezeid, dat hier in de nabijheid Indianen

moeten zijn?"

"Ja, want bij hen heeft de Groote Wolf zijn hulptroepen gehaald."

"Waar zullen die snaken nu zitten? In den naakten, kalen canon,

of in het gemakkelijke woud?"

"In het woud natuurlijk."

"Goed; dan moeten wij hier ook bijzonder op onze hoede wezen. Ik ben

overtuigd, dat wij reden hebben om zeer voorzichtig te zijn."

"Dus, gij zijt van idee, dat wij het woud moeten mijden?"

"Neen; maar wij moeten oppassen. Ziet gij bijgeval iets verdachts?"

"Neen, hoegenaamd niets."

"Ik ook niet. Wij zullen het dus maar eens probeeren. Gezwind naar

de overzij, en dan in het kreupelhout neergedoken, en geluisterd,

of er leven in de kist is. Vooruit maar!"

In een wip waren zij de door het maanlicht beschenen kleine open ruimte

over. Bij de boomen gekomen, doken zij neer om te luisteren. Zij

hoorden niets; geen blaadje bewoog zich; maar Droll zoog de lucht

in, en vroeg zacht: "Frank! snuif even de lucht in! Ik ruik rook. En

jij niet?"

"Ja, maar de reuk is bijna niet te bespeuren. Het is maar een half

zweempje van een kwartspoor van rook."

"Doordat het niet dichtbij is. Wij moeten de zaak onderzoeken, en er

naar toe sluipen."

Zij namen elkander bij de hand, en gingen langzaam en voorzichtig

voorwaarts. Het was donker onder het dichte loofdak, en zij moesten dus

meer op het gevoel afgaan dan op het gezicht. Hoe verder zij kwamen,

des te merkbaarder werd de rooklucht; zij vorderden trouwens slechts

langzaam. Bij Hobble-Frank scheen er intusschen eenige bedenking tegen

de gevaarlijke onderneming te rijzen, want hij vroeg fluisterend:

"Zou het maar niet beter zijn als wij den rook rook lieten en ons

niet totaal nutteloos blootstelden aan een gevaar, dat mij niet

comprimeeren kan?"

"Een gevaar is het zeer zeker," antwoordde Droll; "maar wij moeten

het wagen. Misschien kunnen wij onze vrienden redden."

"Hier?"

"Ja. Als de Groote Wolf niet in ons bivak blijven wil, zal hij

regelrecht hierheen komen."

"Dat zou een buitenkansje wezen!"

"Een buitenkansje? Nu, dat mag wel zoo zijn. Het kan ons ons leven

kosten."

"Dat hindert niet, als wij onze kameraden maar redden. Nu denk ik al

niet meer aan terugkeeren."

"Goed zoo, neef! gij zijt een ferme kerel. Maar list is beter dan

geweld. Dus voorzichtig maar, voorzichtig maar!"

Zij slopen verder, totdat zij moesten blijven staan, omdat het

schijnsel van een vuur te zien kwam. Ook kon men onbestemde klanken

als menschenstemmen uit de verte vernemen. Het woud scheen zich nu

meer naar rechts uit te breiden. Zij volgden die richting, en zagen

spoedig nog meer vuren.

"Een groot, zeer groot bivak," fluisterde Droll. "Dat zullen de

Utah-krijgslieden zijn, die zich verzamelen voor den veldtocht tegen

de Navajos. Er zijn er op zijn minst verscheiden honderden bijeen."

"Dat hindert niet. Wij moeten dichterbij. Ik wil weten wat er met

Old Shatterhand en de anderen gebeuren zal. Ik moet...."

Eensklaps zweeg hij, want daar vóór hen klonk plotseling een gehuil uit

honderden kelen--geen gehuil van smart of van woede, maar van gejubel.

"O, nu zijn zij met de gevangenen in aantocht," sprak Droll. "De

Groote Wolf komt van het noorden, en wij komen van het zuiden. Nu

moeten wij bepaald weten, wat zij met hen willen aanvangen."

Tot nu toe hadden zij rechtop geloopen, maar nu moesten zij den

vijand gaan besluipen. Zij gingen dus op den grond liggen, en kropen

verder. Reeds spoedig bereikten zij den hemelhoog schijnenden rotswand,

die de oostelijke grens van het woud vormde. Daarlangs slopen zij

verder, vlak naast elkander blijvende. Zij hadden nu de vuren aan

hun linkerhand, en zagen zeer spoedig het kleine meer, waarbij het

vuur der hoofdmannen brandde.

"Een vijver of een meer," fluisterde Droll. "Dat heb ik wel

gedacht. Waar bosch is, moet ook water zijn. Wij kunnen niet verder

voort, want het water loopt tot vlak aan de rots, wij moeten dus weer

naar links."

Zij bevonden zich aan het zuideinde van het meer, waar op den

westelijken oever het vuur brandde, en de hoofdmannen gezeten

hadden. Zij kropen langs den oever voort, totdat zij een hoogen boom

bereikten, waarvan men de onderste takken gemakkelijk met de handen

grijpen kon. Juist werd er nieuwe brandstof op het genoemde vuur

geworpen; de vlam sloeg hoog, en bescheen de gevangen bleekgezichten,

die nu gebracht werden.

"Nu is goed oppassen de boodschap," zei Droll. "Kunt gij in een boom

klimmen, neef?"

"Als een eekhoorn."

"Dan maar gauw den boom in. Als wij boven zijn, hebben wij een veel

vrijer en beter uitzicht, dan hierbeneden."

Zij klauterden naar boven, en zaten al spoedig daar in het gebladerte,

zoodat de scherpste oogen van een Indiaan hen niet konden opmerken.

De gevangenen hadden moeten loopen; aan hun voeten waren zij dus niet

geboeid. Zij werden bij het vuur gebracht, waar de hoofdmannen weer

plaats genomen hadden. Bij hen was natuurlijk ook de Groote Wolf. Deze

Indiaan had de in zijn gordel verborgen adelaarsveeren voor den dag

gehaald en er zijn hoofd weer mee getooid. Hij was overwinnaar, en

mocht dus de onderscheidingsteekenen van zijn rang weer dragen. Zijn

oog rustte met de uitdrukking van een hongerigen panter op de blanken;

maar hij zei nog niets, daar de oudste hoofdman het recht had om het

eerst het woord te nemen.

De blik van Nanap-neaw, den oude, vloog van den eenen blanke naar

den anderen, totdat hij ten laatste aan Winnetou kwam.

"Wie zijt gij?" vroeg hij hem. "Hebt gij een naam, en hoe heet de

schurftige hond, dien gij uw vader noemt?"

Hij had stellig verwacht, dat de fiere Apache hem in het geheel niet

zou antwoorden; maar Winnetou zei op bedaarden toon: "Wie mij niet

kent is een blinde worm, die van vuiligheid leeft. Ik ben Winnetou,

de hoofdman der Apachen."

"Gij zijt geen hoofdman, geen krijgsman, maar het kreng van een doode

rat!" voegde de oude hem hoonend toe. "Al deze bleekgezichten zullen

een eervollen dood aan den martelpaal sterven; maar u zullen wij hier

in het water werpen, als aas voor de kikvorschen en kreeften."

"Nanap-neaw is een oude man. Hij heeft vele zomers en winters gezien,

en zeer veel ondervinding opgedaan; maar toch schijnt hij nog niet te

weten, dat Winnetou zich niet ongestraft laat hoonen. De hoofdman der

Apachen is bereid, om alle folteringen te ondergaan; maar beleedigen

laat hij zich door een Utah niet."

"Wat wilt gij mij maken?" lachte de oude hardop. "Uw armen zijn

geboeid!"

"Nanap-neaw moest bedenken, dat het voor een vrijen, gewapenden man

gemakkelijk is, grof tegen een geboeiden gevangene te zijn! Maar

waardig is het niet. Een fier krijgsman zou het beneden zich achten

zulke woorden te bezigen; en als Nanap-neaw dien wenk niet ter harte

wil nemen, zal hij aan zich zelf de gevolgen te wijten hebben."

"Welke gevolgen? Heeft uw neus ooit den stinkenden jakhals geroken,

waarvan zelfs de aasgier een afkeer heeft! Zulk een jakhals zijt

gij. De stank, dien gij...."

Verder kwam hij niet. Er ging een kreet van ontzetting op uit de

kelen van al de Utahs, die in de nabijheid stonden. Winnetou was met

een geweldigen sprong den oude zoo hard tegen zijn lijf aan geloopen,

dat hij hem op den grond deed tuimelen, toen gaf hij hem met zijn hiel

eenige trappen op de borst en op het hoofd, en keerde toen terug naar

de plaats waar hij gestaan had.

Op den algemeenen kreet van ontzetting volgde voor een oogenblik diepe

stilte, zoodat de luide stem van den Apache door allen gehoord werd,

toen deze riep: "Winnetou heeft hem gewaarschuwd. Nanap-neaw heeft

niet willen hooren. Hij zal nu nimmer weer een Apache beleedigen."

De andere hoofdmannen waren opgesprongen, om zich aangaande den

toestand van den oude te vergewissen. Zijn hersenpan was rechts

ingetrapt, en zoo ook een gedeelte van de borstkas. Hij was dood. De

roode krijgslieden drongen naderbij, de handen aan hun messen houdende,

en bloeddorstige blikken op Winnetou werpende. Men zou meenen, dat de

daad van den Apache de Utahs zou hebben aangespoord tot huilende woede;

maar dat was niet het geval. Zij gaven geen uiting aan hun toorn,

te meer daar de Groote Wolf zijn hand terugwijzend ophief, en daarbij

gebood: "Terug! De Apache heeft den ouden hoofdman omgebracht, om zelf

zeer snel en zonder pijniging te sterven. Hij hoopte, dat gij u op

hem zoudt werpen, om hem op staanden voet af te maken. Maar hij heeft

buiten den waard gerekend. Hij zal een dood sterven, zooals nog nooit

iemand er een ondergaan heeft. Wij zullen daarover beraadslagen. Brengt

den ouden hoofdman in zijn deken weg, opdat de oogen van die blanke

honden zich niet verlustigen in de aanschouwing van zijn lijk! Aan

zijn graf zullen zij allen den marteldood sterven. Old Firehand en

Old Shatterhand zullen met den Apache levend begraven worden!"

"Gij leeft niet lang genoeg om mij te kunnen begraven!" riep Old

Shatterhand hem toe.

"Zwijg, hond! tot u iets gevraagd wordt. Hoe wilt gij de dagen kennen,

die ik nog te leven heb?"

"Die ken ik! Het is geen enkele dag meer, want morgen om dezen tijd

zal uw ziel uw lichaam reeds verlaten hebben."

"Zijn uw oogen zoo scherp, dat zij in de toekomst kunnen lezen? Dan

zal ik ze laten uitsteken!"

"Om te weten wanneer gij sterven zult, heeft men geen scherp gezicht

noodig. Hebt gij ooit gehoord, dat Old Shatterhand een onwaarheid

heeft gesproken?"

"Alle bleekgezichten liegen, en gij zijt er ook een."

"De Roodhuiden liegen; dat hebt gij bewezen. Wij waren met ons vieren

blanken, en hebben met vier roodhuiden een wedstrijd gestreden om ons

leven. Indien wij overwonnen, konden wij onze tegenstanders dooden,

en dan zouden wij vrij zijn. Wij hebben overwonnen, en wij schonken

u het leven. En toch hebt gij ons de vrijheid niet gegund. Gij

hebt ons vervolgd en zijt in onze handen gevallen. Wij konden u

het leven ontnemen; dat hadt gij verdiend; maar wij deden dat niet,

omdat wij christenen zijn. Wij hebben de vredespijp met u gerookt, en

gij hebt ons de gelofte gedaan, dat gij tot aan uw dood onze vrienden

en broeders zoudt zijn. Daarop hebben wij u vrijgelaten; en tot loon

daarvoor hebt gij ons overvallen en hierheen gesleept. Wie heeft dus

gelogen, gij of wij? Maar weet gij nog wat ik tegen u gezegd heb,

eer wij tegen den avond in den canon van elkander afgingen?"

"De Groote Wolf is een fier krijgsman, hij onthoudt nooit de woorden

van een bleekgezicht."

"Dan wil ik uw geheugen even opfrisschen. Ik heb u gewaarschuwd,

als gij ook dezen keer weer uw woord niet hieldt, dat het dan uw dood

zou zijn. Gij hebt opnieuw uw belofte geschonden, en bijgevolg zult

gij sterven!"

"Wanneer?" grijnsde de Wolf.

"Morgen."

"Door wiens hand?"

"Door de mijne."

"Gij hebt een gat in uw hoofd, en daar zijn de hersens uitgeloopen!"

"Ik heb het gezegd, en zoo zal het gebeuren. Tweemaal heb ik uw leven

in mijn hand gehad: ik heb het u tweemaal geschonken, en toch hebt

gij mij bedrogen. Een derden keer zal dat niet gebeuren. De roode

mannen zullen ondervinden, dat Old Shatterhand wel toegevend is,

maar dat hij ook weet te straffen."

"Hond! Gij zult geen mensch meer straffen. Gij wordt nu omsingeld,

en van nacht bewaakt. Maar wij zullen nu over u beraadslagen; en

zoodra de dag aanbreekt zullen de folteringen beginnen, die eenige

dagen zullen duren, totdat gij sterft."

De gevangenen werden naar een kleine open ruimte in het woud

gebracht, waar een vuur brandde; een Indiaan zat er bij, om het

te onderhouden. Men bond hen nu ook de voeten bijeen, en legde hen

neer. Twaalf gewapende krijgslieden stonden rondom onder de boomen,

om de wacht te houden. Ontvluchten was dus onmogelijk, scheen althans

een volslagen onmogelijkheid te zijn.

Droll en Frank hadden uit hun verheven schuilplaats alles duidelijk

gezien. De boom, waarin zij zich bevonden, stond ongeveer honderd

vijftig passen ver van het vuur der hoofdmannen verwijderd, zoodat zij

ook het grootste deel der woorden, die gesproken waren, hadden kunnen

verstaan. Nu kwam het er dus op aan, de plaats te ontdekken waar de

gevangenen naar toe gebracht werden, en dan die plaats te naderen.

Juist toen zij uit den boom klommen, werden de buitgemaakte wapenen

en andere voorwerpen bij de hoofdmannen gebracht, die rondom het vuur

zaten, en daar neergelegd. Daar er op die dingen niet bijzonder gelet

werd, kon men veronderstellen, dat er eerst aangaande de verdeeling

beslist zou worden als het dag was, een omstandigheid, die Tante

Droll als een groote geruststelling beschouwde.

Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er

moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden

naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en

Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige,

klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan

een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder

ophouden, nu eens zachter en dan weer harder.

"Weet gij wat dat is?" vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef.

"Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn,

geloof ik."

"Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog 't lijk ijskoud

is geworden.'

"Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen

zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen

bepaald opzoeken."

"Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij

hen toch niet."

"Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De

hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de

plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen

af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is

een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren

zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel,

daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen

en ontwijken."

"Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer

voorwaarts! Ik kruip voorop."

"Waarom gij?"

"Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen

beter afgericht ben dan gij."

De schat in het Zilvermeer · 第 41 / 51 段