Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het
veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de
vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam
te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts
en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend
hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de
verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel
vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden
op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde
en tot steen verschroeide vlakte.
Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van
den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren,
en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een
soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de
wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P'a mow, het Woud van het Water,
waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde.
Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te
kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het
was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in
oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode
krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken,
hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden
even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van
alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht.
Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt,
steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten
wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam "Nanap neaw"
toe. Die twee woorden beteekenden "oude hoofdman". Daarmede was stellig
de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene
stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een
groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten
vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner
moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet
geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang,
sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn
minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier,
als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden
blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten;
ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te
zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos;
toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: "De boom werpt
in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest,
deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden
droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?"
Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf
niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend
verwijt in.
"Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel
de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen," antwoordde de
Groote Wolf.
"Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de
onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer
dragen mag?"
"Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de
handen van honderd andere blanke mannen."
"Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand."
"Die is het!"
"Oef!" ontsnapte het aan de lippen van den oude, en "oef!" klonk het
ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: "Dus heeft de Groote
Wolf dien beroemden blanke gezien?"
"Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en
den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben
gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen."
De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen;
vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd;
maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen
schok aan hun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging
onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering
en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van
spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was.
"De Groote Wolf kan vertellen!" zei hij.
Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed
zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te
stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de
grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen:
"En wat wil de Groote Wolf nu doen?"
"Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden
overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog
eer de dag van morgen aanbreekt."
De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn
wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp.
"Nog eer de dag van morgen aanbreekt?" vroeg hij. "Zijn dat woorden
van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en
beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan,
om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen
ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de
Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen
heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een
kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die
woorden van den Grooten Wolf?"
"De blanken moeten aan den martelpaal!" antwoordde een der hoofdmannen.
"Wij moeten hen levend vangen!" sprak de tweede.
"Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!" was
het oordeel van den derde.
"Mijn broeders hebben goed gesproken," prees de oude. "Wij zullen
die honden levend grijpen."
"De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn,"
waarschuwde de Groote Wolf. "Old Shatterhand duwt den kop van
een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem
onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is
een groot krijgsman...."
"Maar een Apache," viel de oude hem driftig in de rede. "Behooren de
Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij
is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de
bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die
beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben
krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste
recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd
krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen."
"Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps
nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?"
"Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te voren
gedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven
van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij
u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed
bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij
goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de
manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven,
zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen,
zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen."
Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het
andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de
driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden
te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen
konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering
wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke
gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen
stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor
de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old
Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem,
zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben.
Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was,
maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden
onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht,
waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden
zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog
niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De
Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de
nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering
van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die
paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif
alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte
zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: "Hier is
een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden."
De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van
zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen
streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie
bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon
doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd
terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met
salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen,
dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien
merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was,
van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de
Roodhuiden was.
Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun
geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De
blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in
het geheel niet tot een gevecht kon komen.
Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drie
Engelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen
voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het
raadzaam voorzichtiger te zijn.
Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit
voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die
gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder
ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd
voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje
werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er
geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf
stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het
oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman
had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk
een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog;
en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden.
Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te
volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig
bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand
na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de
Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier
anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen;
hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid,
met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem
zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat
onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem
van den canon doordrong.
Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der
zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan
het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar
dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan
de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen,
en kropen aan den anderen kant verder--een niet zeer gevaarlijke
tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van
het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken
afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend,
en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de
Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij,
gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en
voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht
in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter
zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel
met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden
bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over,
om nu den grooten slag te gaan slaan.
De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee
schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar
het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen
zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil
van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam,
ook zijn manschappen het water te laten oversteken. Dit geschiedde
inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde
aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een
honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het
bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen,
dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten
bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander
lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde
toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van
onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn.
"Voorwaarts!" klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden
verstaan wordende stem van den Grooten Wolf.
Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet
een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat
nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij
elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich
behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer,
wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den
slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk
een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den
slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden,
eer zij nog goed wakker waren geworden.
En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun
oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder
geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden,
hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke
stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst
werd.
Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de
duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie
afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins
te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd,
zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old
Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote
tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de
anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen,
en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu
verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht
van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar
hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten
echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende
vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden
door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk
was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken,
half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been
dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling
gelukt was.
Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen
daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de
steken en schoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden
gekwetst en eenigen zelfs gedood waren.
"Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!" zei
de hoofdman grimmig. "Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam
snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en
niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel
aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen
der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren."
"Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?" vroeg
er een. "Dat gaat vanzelf af, en doodt hem, die het aanraakt, en nog
vele anderen bovendien."
"Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat
geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?"
Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen
de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen
antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden,
opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en
die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen,
om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat
was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen;
maar de karabijn zag men nergens.
De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old
Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien
lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind
weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout,
maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die
twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke
eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der
anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer
zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige
oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op
zijn gemak was: "Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van
hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij
mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt."
Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de
Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen
uur verstreken.
"Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel
aanschouwen!" had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in
zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals
reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een
schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien
weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die
schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest
worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan,
om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen
praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe
duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de
rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid,
en zij hadden elkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst
volstrekt niet ontbrak aan stof.
Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een
gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken.
"Luister!" fluisterde Frank zijn neef (?) toe. "Hebt gij óók iets
gehoord?"
"Ja, ik heb óók iets gehoord," antwoordde de Tante zacht. "Wat kan
dat geweest zijn?"
"Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn."
"Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen
op de been zijn--naar het gescharrel met de voeten te oordeelen,
op zijn minst wel een paar honderd...."
Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en
hoorde men hun stemmen.
"Verduiveld, er wordt gevochten!" vervolgde Hobble-Frank. "Ik geloof
warendig dat wij overrompeld zijn."
"Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker," antwoordde Droll; "dat
moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is."
Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen
weergalmde de oorlogskreet der Indianen.
"God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!" riep Frank. "Er op
los, er op los! Gauw, gauw!"
Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar
deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei
met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was:
"Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu
bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen
bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst
afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij,
wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en
voorwaarts kruipen."
Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan
den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat
hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was
te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten
van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen
weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der
rotsspleet was de baan vrij.
"Gauw achter mij en het water over!" fluisterde Droll.
Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank
volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard
lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. "Old
Shatterhand's Henry-karabijn!" Dat was zijn eerste gedachte. En hij
nam het geweer mee.
Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de
overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok
hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht
gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun
voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat
de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den
rotswand en het water zoo smal, dat Droll aanried: "Wij moeten weer het
water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn."
Zij waadden naar den overkant. Tot hun geluk bevonden zij zich reeds
ver beneden de plaats, waar de schildwacht gestaan had. Zij liepen,
of beter gezegd zij draafden verder, zich telkens tegen den rotswand
of tegen op den grond liggende steenen stootende, totdat zij de
stemmen van de Indianen niet meer hoorden: toen hield Hobble-Frank
zijn metgezel staande, en zei op een toon van verwijt: "Blijf toch
eens een oogenblik stilstaan, duizendsapprements-kerel! Waarom zijt
gij eindelijk weggehold en hebt gij mij schandelijk meegetroond? Dat
strijdt immers tegen allen plicht en kameraadschappelijkheid! Hebt
ge dan geen ambitie meer in je lijf?"
"Ambitie?" antwoordde Droll, door zijn zwaarlijvigheid bijna buiten
adem van het loopen. "Die heb ik nog genoeg in mijn lijf; maar wie
er de ambitie in wil houden, dient vóór alle andere dingen zijn lijf
in veiligheid te brengen. Daarom ben ik maar gauw weggekuierd."
"Maar dat mocht gij toch eigenlijk niet!"
"Ei! Waarom mocht ik dat dan niet doen?"
"Wel, omdat het onze plicht was onze vrienden te redden."
"Ei, ei! Vertel mij dan eens hoe gij dat reddingswerk aangelegd
zoudt hebben."
"Wel, wij hadden ons op de Roodhuiden moeten werpen, en hen moeten
wurgen en doodsteken."
"Hihihihi! Wurgen en doodsteken," lachte Droll met zijn onnavolgbaar
eigenaardig lachje. "Weet gij wat wij daarmee uitgericht zouden
hebben? Niets anders, dan dat ze ons óók gevangengenomen zouden
hebben."
"Gevangengenomen? Verbeeldt gij u dan, dat onze kameraden maar
gevangengenomen zijn, en niet doodgeschoten, doodgestoken of
doodgeslagen?"
"Neen, omgebracht zijn ze nog niet; dat staat vast bij mij, dat weet
ik zeker."