"Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten

doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in

overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever

van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten."

"Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de

vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden

natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn."

"En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen,

beroofd zijn geweest."

"De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel

gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De

Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter

elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen,

vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar

een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden

wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad--twee

schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest."

"En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden

zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd

hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk

opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door

hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen,

zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen

hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens

alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren."

"Dat is zeer juist gezien," merkte Hobble-Frank aan. "Ik begrijp ook

niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan

opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt

altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old

Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor

een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig,

dat Davy er ook zoo over denkt."

"Dat spreekt vanzelf," antwoordde deze. "Een gevecht zou onvermijdelijk

tot onzen ondergang geleid hebben."

"Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?" vroeg

Jemmy. "Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten

ons ook als vijanden behandelen zal."

"Dat zou ik hun maar niet raden," dreigde Frank. "Bij die geschiedenis

heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal

ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met

hand en tand tegen verzetten."

"Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen

alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor

zoete koek."

"Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige

zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft

waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig..."

"Astronomischen wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.

"Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen," zei

de kleine driftig. "Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe

noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij

nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles

voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de

viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen

denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan

over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen

geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat

is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen

wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van

het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria."

Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen

van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar

Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen:

"Frank heeft mij goed begrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht

niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen

bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog

wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan

den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met

het tegenwoordige oogenblik."

"En dan is allereerst de vraag," merkte Davy op, "of wij den Roodhuid

kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?"

"Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij

hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging

kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat

ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De

Roodhuiden maken aanstalten om op te breken."

Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden

vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos

was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had

bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het

smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken,

om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was

juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men

verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden

nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen,

dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte

van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.

Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom

van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder de

boomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich

in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

OP DOOD EN LEVEN

De Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in

vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der

bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan

beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden

zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen

duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het

klaarlichte dag.

Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht

met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich

stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de

nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf

aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der

krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers

aan dat bevel, en reden weg.

Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte,

welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander

afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het

thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het

bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water

reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men

in de verte de vuren zag branden.

"Oef!" liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn

stem hooren. "Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw

lot beslist worden."

"Vandaag nog?" vroeg Old Shatterhand.

"Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal

langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den

slaap nieuwe krachten geput hebt."

"Dat klonk niet onakelig!" zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet

door de Roodhuiden verstaan te worden. "Onze doodsstrijd! Hij schijnt

dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt

gij daarvan, oude Frank?"

"Vooreerst nog niemendal," antwoordde de kleine Saks. "Spreken zal ik

eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft

geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een

uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil

ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg

voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als

zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij

mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ik van plan toch ook

een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er

dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal

zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar

de Elize geëxpediëerd heb."

"Bedoelt gij naar het Elyzee?" vroeg de dikke.

"Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu,

en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met

een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken

hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het

minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in

pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven;

de leege vaten klinken het hardst."

Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing

waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd

daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik

van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich

opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen

hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens,

daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende

om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter

wilde beesten bestond.

Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen

vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist

had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele

krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De

bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om

over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De

vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes

bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap

daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat

zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk

heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten.

Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die

bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken

vervaardigde hutten--tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in

welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van

de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van

den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der

Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De

krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de

vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang

om de blanken heen te dansen.

Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het

is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle

eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen

heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt

voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot

nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep

zijn metgezellen eenige woorden toe, waarop zij neerknielden en hun

geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de

knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn

aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil.

"Wat is dat?" riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. "Zijn wij

gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig

gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik

heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben

met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander

beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden

behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden

wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs

indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de

vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij

zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij

honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand

te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem

voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer

gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben,

den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren

laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van

hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die

voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!"

De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager

den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te

treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde

hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar

dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes

trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen

fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden

"Old Shatterhand" en "Geweer des doods" duidelijk gehoord werden. Er

traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan,

en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog

altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old

Shatterhand zich bediend had, sprak hij: "De hoofdman der Yampa-Utahs

is niet trouweloos; hij houdt den calumet der beraadslaging in eere,

en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal

over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang

zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee

anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te

maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van

bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?"

"Ja," antwoordde deze. "Maar ik verlang, dat onze paarden in de

nabijheid van onze tent zullen blijven."

"Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht

Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans

heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door

een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk

ontkomen kan."

"Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten;

gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat

toch doen, dan heb ik er niets tegen."

"Komt dan maar mee."

Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen

zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep,

keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent,

die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden

lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie

adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden,

dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was.

De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik

openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor

het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen,

legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich;

doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een

betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle

kanten ten scherpste bewaakt werd.

Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee

voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord

te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met

water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken

vleesch lagen.

"Oho!" zei Hobble-Frank lachende. "Dat is vast ons avondeten. Een pot

vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten

verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En

buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven

hebben met rattenkruit?"

"Rattenkruit?" lachte de dikke. "Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan

halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel."

"Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat

ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar

schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u

redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen,

waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid

verheven acht boven uw pigment-gestalte."

"Pygmeën-gestalte," verbeterde Jemmy.

"Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!" gebood de kleine. "Breng

mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting,

waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht

aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo

populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare

kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen."

"Ja, braad maar!" knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den

kleine een afleiding te geven.

"Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan

laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de

tent uit mag om aan het vuur te komen."

"Dat zult gij dienen te probeeren!"

"Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden

mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of

dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang

ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft;

_feni, fidi, fidzji_--ik ga er uit!"

Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor

kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd

werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de

open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade.

De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle

schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren

boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende

zilverstreep naar beneden kronkelde, een riviertje, of juister gezegd

een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een

meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken

vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen

was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn;

de omtrek van dat meer was vlak en effen.

Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden

bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om

langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik

op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en

evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun

toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old

Shatterhand en zijn metgezellen.

Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in

de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een

toon van groote zelfvoldoening: "Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd

naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets

om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent

heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien."

"Op welke manier?" vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even

boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte,

en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de

tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht.

"Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder

genoemd mag worden," antwoordde de kleine. "Ik heb eens gelezen, dat

houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren--en dat mankeert ons

hier--maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje

is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds

allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen

en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam

daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen

kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist

daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder,

die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn

als hij het proeft."

"O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan

van uw verstand beroofd!"

"Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog;

en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan

toch al lang overtuigd moest wezen. De asch is een chemisch product,

dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons

elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer

goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten

schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel

ten onder gebracht zou worden."

"Maar," hernam Jemmy hoofdschuddende, "gij zegt zelf, dat de vlam

eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of

aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden."

"Praat niet, maar kauw!" viel Frank uit. "Het is zeer ongezond,

onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep

van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in

de maag in de milt terecht."

"Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog

vleesch?"

Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder

zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een

donkere, vettige laag asch.

"Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?" antwoordde

Frank.

"Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet."

"Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen

gij proeft."

"Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven."

"Neen, die wordt er eerst afgeveegd."

"Doe mij dat dan eens voor."

"Met koninklijk gemak!"

Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren

wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat.

"Dat doet men zoo!" sprak hij triomfantelijk. "Het mankeert u altijd

aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En

nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van

afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat...."

Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn

twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open,

keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan.

"Nu," lachte Jemmy, "bijt maar toe!"

"Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst

als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat

er stil bij."

"Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude

pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij

die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen."

"Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden

door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat

malscher kunnen kloppen?"

"Probeer dat maar eens!" zei Old Shatterhand lachende. "Maar ik,

ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is."

"Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel

vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het

afvegen."

Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar

waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank

was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje

zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er

gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel.

De schat in het Zilvermeer · 第 32 / 51 段