De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte

pauze: "Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen

van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is

gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het

dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger

sterft en spoediger vernietigd wordt? De blik, dien gij mij in de

toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer

aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons

te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite, het blijft bij hetgeen

ik gezegd heb."

"Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?'

"Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben

aangekondigd?"

"Ja," antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid

als in verrassing uitriep: "Geef dan uw wapenen maar over!"

"Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!"

"En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!" riep de andere op

een toon van groote verwondering.

"Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons

aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke,

die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?"

"Ja, dat heb ik gezegd," knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar

nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden.

"Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op

dit oogenblik is dat het geval nog niet."

"Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?"

"Zeer zeker denk ik dat."

"Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik

bij mij heb? Over de tweehonderd!"

"Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen,

dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij

te vangen of vast te houden."

"Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel

gaatje waardoor gij ontsnappen kunt."

"Dan zullen wij zulk een gaatje maken."

"Daarbij wordt gij immers gedood!"

"Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven

inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor

zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig

het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt."

Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem

vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach

uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij:

"Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager,

maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?"

"O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?"

"Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het

oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik

niets van; want dat is een onmogelijkheid."

"Wil ik u dat eens laten zien?"

"Ja, laat mij dat eens zien!" riep de hoofdman, als geëlectriseerd

door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover

zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien.

Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden,

moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote

overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste

middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de

Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer,

dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk

te maken.

"Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!"

De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die

terstond weer achteruit, en vroeg: "Mag ook iemand anders dan gij

het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder,

aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen."

Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij

trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over

moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit

te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten

minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde

Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: "De geheimen van

dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer

het zelf maar eens."

Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij

dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine,

onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de

minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep

van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte

stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij

elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een

schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon,

maar stellig den een of den ander moest raken.

Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen

of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar

hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. "Zou ik het wagen, of

zou ik het niet doen?" Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer

gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide

handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt

zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De

nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij

greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand,

dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het

schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De

Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen,

en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was.

"Heb _ik_ hem gekwetst?" vroeg de hoofdman ontsteld.

"Wie anders?" antwoordde Old Shatterhand. "Dat is nu maar gebeurd,

om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens

aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij

gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de

tweede kogel......"

"Neen, neen!" riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een

afwerende beweging maakte. "Het is werkelijk een toovergeweer, en

bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en

met dat schot raakt hij zijn eigen vrienden, of misschien wel zich

zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!"

"Dat is zeer verstandig van u," sprak Old Shatterhand op een ernstigen

toon. "Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één

keer afgegaan is. Het zal louter geweest zijn om u een klein lesje

te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u

eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje

daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal

er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van

elkander af zullen staan."

Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den

haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: "Ga nu

eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare

keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen,

dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart

zou kunnen raken, als ik dat wilde."

De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat

hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden

Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de

schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van dat oogenblik maakte

de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch

bewegenden bol te schuiven.

"Oef! Oef! Oef!" hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad

reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden,

in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet

één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt

hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het

andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een

beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn

voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren

zonder iets te zeggen, en sprak toen: "Ik zie dat gij een uitverkorene

van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord,

maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles,

wat er van verteld wordt, waarheid is."

"Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons

gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij

dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal

in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen

opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven."

"Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult

u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft

te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden

u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen

neer te leggen."

"Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken,

en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier

paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver

zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga

voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor

en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien."

"Wij zullen achter de boomen staan!"

"Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem

u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een

vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u

te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren,

en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen

alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij

niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden."

Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde

lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen

beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: "Als wij niet

gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden

wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen

eed moet men houden."

"Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men

terugnemen."

"Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad."

"Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad."

"Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met

wien zou ik dus te rade kunnen gaan!"

Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die

van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager

kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had

nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste

was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij,

en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen.

Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat

stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat

gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier

in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang

duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan:

"De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan;

meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen

terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft."

"Wacht nog even!" antwoordde de Roodhuid schielijk. "Zult gij ons

niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te

gaan vechten?"

"O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij

behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder

mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd

den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de

overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is;

maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet

dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt

gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs

ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds

tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben,

om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn,

hen hier noodeloos dood te laten schieten."

"Gij hebt gelijk," antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht

van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man

genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. "Ik zelf kan mijn

eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van

ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons

meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal."

"En als wij nu eens weigeren dat te doen?"

"Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met

kogels te overstelpen."

"Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen

en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij,

wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken,

en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden."

"Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets

zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat

wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij

dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt."

Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar

Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: "Dat is niet zoo

gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden

is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post

vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot

te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op

alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van

roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik

bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend,

en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op

dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien

zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke

voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan

alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren,

of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd

niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien

gij vermijden wilt."

"Oef!" riep de hoofdman onwillekeurig. "Uw woorden treffen evengoed

als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd,

maar ook een meester in de redekunst."

"Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het

uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen

de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor

u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van

uw vijand te moeten zijn?"

De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk

had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde

hij: "Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering

gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten

de wapenen maar beslissen."

"Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en ik

twijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden;

maar niet als gevangenen, dat nooit!"

"Als wat dan anders?"

"Als begeleiders."

"Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten

binden?"

"Neen, in geen geval!"

"Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet

daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw

toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt

uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen

precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover

moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan

het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!"

Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer

zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen

tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast

hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun

handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor

het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met

mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel

van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering

der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf moet

erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen

gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord

geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken."

"Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo

handelen zult."

Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed

wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks

(= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts,

toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei:

"Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!"

"Howgh!" knikte de hoofdman. "Nu is het goed!"

"Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen," verklaarde Old

Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood.

Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem

gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte

gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden

waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar

hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp,

blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde,

en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: "Aan de vier blanken

zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der

oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!"

Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en

Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.

"Neen," antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het

gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd

hadden opgetild, om rond te kijken. "Zij zijn niet dood; zij zijn

niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn,

in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen."

"Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn

voeten!" riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen

schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer

den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo

groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet

eens in hen opkwam.

"Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen," zei de

hoofdman op zeer strengen toon. "Maar de groote Manitou heeft u nu

in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt,

zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle

bleekgezichten in het gebergte het hooren."

De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak

tamelijk goed Engelsch.

"Moorden?" vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te

ontkennen. "Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?"

"Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw

toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt."

Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en

ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet

gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem

beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij

zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als

zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke;

hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden

zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: "Natuurlijk

moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee

komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest."

"Lieg niet!"

"Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u

wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie

wij door u aangezien worden."

"Vlei u niet met die ijdele hoop!" voegde Old Shatterhand hem toe. "Als

gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de

welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen,

mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat

heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen

dezelfde als toen."

Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.

"Maar sir!" riep Knox. "Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten:

ons leven is er mee gemoeid!"

"Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen,

die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik

heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de

bres te stellen."

"Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen,

dan weet ik ook wat _mij_ te doen staat. Gij wilt ons niet redden,

dan sleepen wij u mee in het verderf." En zich nu van Old Shatterhand

afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. "Waarom behandelt

gij de vier met verschooning?" vroeg hij. "Zij hebben immers evengoed

paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij,

en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!"

Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte

een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij

bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op

zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten

eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe:

"Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden

alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te

schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom

zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds

hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven,

om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, nani wietsj!"

Die twee Utah-woorden beduiden: "mijn mes, mijn mes!" Hij riep dat

toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.

"Om Godswil neen!" gilde de bedreigde. "Mij levend scalpeeren,

neen, neen!"

Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als

hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige

vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een

Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam

het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer--drie

vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van

den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in

de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf

gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.

"Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan

onschuldigen daarvan beticht!" riep de Groote Wolf, terwijl hij den

scalp in zijn gordel stak.

Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn

kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg

langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid

te geven.

De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen;

weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden

met riemen geboeid.

Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand

weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche

schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat

hij bereikt had.

"Dat ziet er niet best uit," merkte Jemmy aan. "Hebt gij ons niet

geheel en al vrij kunnen krijgen?"

"Neen, dat was een onmogelijkheid."

"Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht

hadt laten komen."

"Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost

hebben."

"Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die

de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik,

niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben,

ons te na te komen."

De schat in het Zilvermeer · 第 31 / 51 段