Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere

blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden

een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom

begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben,

dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat

voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf

hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom

eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten,

vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit

hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo

niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst

waagstuk geweest zijn.

Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op.

Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd

te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende,

neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden

vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen.

"Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!" sprak

Davy. "Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen

op de eeuwige jachtgronden."

"Ten minste een of twee of drie van ons." antwoordde Jemmy.

"Hoe dat zoo?" vroeg Old Shatterhand.

"Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te

vergrijpen."

"Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers

bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat

den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te

sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van

hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste

van ons vieren viel."

"Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult."

"Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet

beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren;

en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te

wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang

voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot

onzen dood zullen besluiten."

"Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?"

"Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik

moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen

bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen

geven. Maar onze namen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij

zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor,

dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen

voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons

een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet

leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten."

"Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde

zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de

voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten."

"Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De

blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel

list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren

betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en

het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom,

dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits

de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots

der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen

tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden

wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken."

"Maar," zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, "het

vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve

bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken

als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte,

gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere

drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de

genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben."

"Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden

Elandsvleesch?" vroeg Jemmy.

"Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is,

dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven

te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch

mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op

middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en

ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch

vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land

op te jagen?"

"Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders,"

merkte Jemmy aan.

Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: "Nu wordt het al

te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel

van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude

temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen

van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik

verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen. _Requiriescat

in pänem_!"

Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje

van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg

er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort,

en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd

dan nu en dan door het geknapper van het vuur.

Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden

die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep

deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid

keek naar binnen, en zei: "De bleekgezichten kunnen opstaan en met

mij medegaan."

Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem.

Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode

gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het

feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij

traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden,

wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid

sprak, dan bepaald vijandige gezindheid.

"Wat scheelt dat volkje?" vroeg Frank. "Zij staan mij aan te gapen,

zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil."

"Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op," antwoordde Old

Shatterhand. "Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is

geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij

zullen om ons leven moeten wedstrijden."

"Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt

gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?"

Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag

kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich

zelf dacht.

"Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk

is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu

zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven."

Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht

daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner

was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe,

en zei: "Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten

zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk

de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven."

"Wij zouden dat liever niet willen zien," antwoordde Old Shatterhand.

"Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende

bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen,

en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden."

"Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe

genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet."

"Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt

gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den

dood gestraft."

Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij

zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen,

indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde

hij met tegenzin: "Welnu, wij zullen blijven."

"Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt,

zal u een _eervolle_ dood beschoren zijn."

Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De

andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen

hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en

verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil

beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel

zou aanvangen.

De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de

palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen

ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van

een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was.

Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij

niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten

worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van

kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas

zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend

uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel

met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen,

dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor

reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden.

De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn

borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met

hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de

vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: "Redt mij, messieurs! redt

mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen

zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u

te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?"

"Neen," antwoordde Old Shatterhand; "wij zijn zelf gedwongen hier,

en kunnen niets voor u doen!"

"Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De

Roodhuiden zullen wel naar u luisteren."

"Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed

heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er

voor te dragen."

"Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft

Knox gedaan!"

"Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op

hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat

gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld

hiernamaals!"

"Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!"

Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en

wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn

vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een

teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem

gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende

manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en

schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in

vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat

met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de

Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnen te rammelen en

kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld

waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een

aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had,

verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te

bewegen een goed woord voor hem te doen.

"Nu, ik zal het probeeren," zei deze. "Van den dood zal ik u niet

kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling

wat spoediger ten einde brengen."

Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had

om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid

toe: "Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik

dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het

niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt

heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor

zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun

woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over

u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft

te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt

gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan."

"Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen." Dit

was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven.

"Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen

of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen

vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te

dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op

de straf, die de daders ondergaan zullen."

Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een

dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog

eens tot Old Shatterhand, en zei: "Dit zijn de bloedverwanten van hen,

die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe,

de strafoefening te beginnen."

"Waarin bestaat die?" vroeg de jager.

"In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar

hen geworpen."

Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven,

zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen,

die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg,

maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het

messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de

verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt

moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt

die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de

gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken.

"Den rechterduim!" gebood de Groote Wolf.

De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij

hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee

groepjes, het eene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen

een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste

nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie

vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van

pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat

van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam.

"Den wijsvinger!" gebood de hoofdman.

Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt

moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu

brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen

zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos

om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht,

en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend

gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep

hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden

voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat

zou achten.

Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening

voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de

handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd

ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier,

en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen

duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd

ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun

oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij

blijven aanhooren.

Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van

lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver,

dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of

verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder

gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan

den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen

met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang,

en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit

te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal

is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt,

wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt

de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken,

die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door

hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige

ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het

voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden.

Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van

Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten

uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten

van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden,

werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe

pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich

daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand

zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannen op, en sprak:

"Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de

hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen

dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft,

diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw

aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd."

Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen

en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om

er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in

de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen.

Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een

vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden

zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar

wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen,

voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte

van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken

begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der

Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak:

"Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen

Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want

hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de

eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en

vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!"

Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old

Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het,

een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk

een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af

te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het

voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich,

om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken,

en zei: "De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd;

zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden,

werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke,

die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in

een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn."

Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht,

en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij

zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars

wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door

honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde.

Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts

nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot

nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf,

dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende

menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen;

en toen werd alles weer stil.

"Luister!" zei Jemmy. "Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij

die twee door de honden laten opvreten."

"Het is mogelijk, maar ik geloof het niet," antwoordde Old

Shatterhand. "Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw

overspannen verbeelding. Ook de mijne is in een zeer opgewonden

toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen

hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien."

Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der

terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de

legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden

aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken

rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek

om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok

hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van

schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat

geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige

woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten,

omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn

geweer aan, en mikte.

"Niet schieten!" gebood Old Shatterhand. "De Roodhuiden zouden het ons

zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil

hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag."

Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles

veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den

ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden

afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg,

zijn handen naar omlaag houdende.

"Gij zijt verloren!" riep de Groote Wolf hem toe.

"Wacht het af!" antwoordde de jager.

Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek

wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn

tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht,

en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich

reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het

beest te gemoet--een botsing van hond en mensch.--Old Shatterhand

sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was

gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan,

dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen

adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar

beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den

kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet,

en smeet hem toen op den grond.

"Daar ligt hij!" riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. "Laat hem

vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen."

"Oef, oegh, oegh, oef!" klonk het van de lippen der verbaasde

Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden

zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel,

om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei

op bewonderenden toon: "Mijn blanke broeder is een held! In plaats

van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren,

heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid

had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch

ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de

ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?"

"Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen."

"Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had."

"_Pshaw!_ Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat

denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?"

"Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is

gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?"

"Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik

genegen ben om met u medelijden te hebben."

De schat in het Zilvermeer · 第 33 / 51 段