"Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien

hebben."

"Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik

reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En

nu verder: Waar hebt gij uw zadels?"

"Die hebben ze ook gestolen."

"En het paardetuig?"

"Dat ook."

"Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!" riep

Old Shatterhand, vol minachting lachende. "Dus gij hebt zadels en

paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u

alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn

paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?"

"Die hebben wij van een Roodhuid gekocht."

"En de paarden ook misschien?"

"Neen," antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen

zou kunnen staande houden--die zou al te groot, al te onbeschaamd

geweest zijn.

"Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog

niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?"

"Die hebben wij gekocht van Fort Dodge."

"Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas

zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een

paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen,

ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet

beslagen zijn?"

"Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons

verkocht heeft."

"Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!"

"Wat dan?"

"Gestolen!"

"Sir?" riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte

met de hand naar zijn gordel.

"Laat de messen maar zitten, of ik sla u beiden neer als een paar

kegelpoppen," dreigde Old Shatterhand. "Of denkt gij, dat ik niet

gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?"

"Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien

rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij

ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel

te vellen."

"Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander

blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden

behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft."

Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid

van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden

in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam

ten laatste zijn toevlucht tot grofheden.

"Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch

gehouden," zei hij. "Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie

zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig

zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen

om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik

begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en

om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren,

zullen wij opbreken."

Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op,

vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: "Gij blijft hier!"

"Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?"

"Natuurlijk!"

"Hebt gij dan iets over ons te zeggen?"

"Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen."

"Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche

dressuur!"

Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en

men kon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was,

als hij moeite deed om te schijnen.

"Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur,"

antwoordde de jager, "Dat uw paarden aan de Utah's toebehoord hebben,

blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?"

Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren

gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht

trok. Zij hielden namelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich

om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen,

als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan.

"Ja, wat kan dàt zijn?" riep ook Jemmy. "Er zijn Roodhuiden in de

nabijheid."

Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den

omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: "Wij zijn omsingeld,

stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is;

en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen."

"Wat dan?" vroeg Davy. "Moeten wij ons verweren?"

"Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets

te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!"

Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap,

zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton,

eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg.

"Nu gauw de rots op!" gebood Old Shatterhand; "dààr zijn wij gedekt,

hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten." De kolossale

steenmassa's waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden,

als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf

voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden

waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken,

waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der

twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De

hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch

hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee

andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde;

daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen.

Nu deed "de Groote Wolf" aan zich zelf de vraag, wat hij, in de

gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen,

die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven,

en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren

zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen,

en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden

tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de

overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die

verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien,

dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het

wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs;

maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan

gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen,

waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep

dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich,

om met hen te beraadslagen.

De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of

juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een

luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en

de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed

hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg,

kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom

staande, riep: "De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld,

en kunnen naar beneden komen."

Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De

Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog

geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: "Als de blanke mannen

niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!" Daarop gaf Old Shatterhand

nu ten antwoord: "Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan,

dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?"

"Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden

geroofd hebben."

"Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier;

die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat

zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij

zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer

gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen."

"Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!"

"Neen."

"Ik geloof u niet."

"Wie zijt gij? Hoe is uw naam?"

"Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs."

"Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is

de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn,

en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen

doen boeten."

"Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u

onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is

uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?"

"Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden

niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een

muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons

voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens

bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat

is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der

Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf

daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag

hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der

Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten

noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe

(= de doodende hand) genoemd."

De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte

duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den

jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de

stem van den Grooten Wolf zich weer hooren: "Het bleekgezicht wil ons

wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij

weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting

staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te

ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt."

"Hoe dat zoo?" vroeg de jager.

"Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed

benomen, om u aan ons te vertoonen."

"Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst

dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele

gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier

man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen,

dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!"

Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste

punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de

hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit

de kogel hem raken kon.

"Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!" klonken luid verscheiden stemmen

(= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel).

Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien

hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe:

"Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu,

dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?"

"Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel

verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan."

"Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere

mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn

dood ontzettend aan u gewroken worden."

"Wij zijn niet bang voor wraak."

"Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor

zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en

mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is

hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem

zoekt te dooden?"

"De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand

alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En

daarom zal hij zich nu óók laten zien."

Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale

gestalte duidelijk te zien kwam.

"Is Old Shatterhand nu voldaan?" vroeg hij.

"Neen!"

"Wat verlangt hij dan nog meer?"

"Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat

uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand,

die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet

komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke

krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen."

"Wilt gij niet liever bij ons komen?"

"Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den

andere halverwegen tegemoet te komen."

"Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut

blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen."

"Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden

alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan

waart gij natuurlijk een verloren man."

"Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat

is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de

groote blanke jager gewapend zijn?"

"Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat

het vrij, te doen zooals gij goedvindt."

"De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en

vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!"

De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras,

en wachtte toen Old Shatterhand af.

"Gij waagt te veel," antwoordde Jemmy hem. "Zijt gij inderdaad

overtuigd, dat gij het durft besteken?"

"Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen

te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik

argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik

hem vertrouwen."

"En wat moeten wij ondertusschen doen?"

"Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem

aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word."

Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander

aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand

den hoofdman de hand toe, en zei: "Ik heb den Grooten Wolf nog nooit

gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging

de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij

dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te

kunnen begroeten."

De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand

aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de

voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: "Laat ons gaan

zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen

de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke,

dien ik als vriend begroeten kan."

Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover

hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en

Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten

zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand's

mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem

had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de

rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had

het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy,

ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren

nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier

van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften,

waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden.

Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen

beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken,

en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen

kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den

blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat,

maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de

breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te

duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere

voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals

hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek,

toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte:

"De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte

is daaraan niet geëvenredigd."

Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen

van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt

niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als

een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand:

"Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van

mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte

van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid,

is daaraan niet geëvenredigd?"

"Dat zou een beleediging zijn," antwoordde de Roodhuid met

vlammenschietende oogen, "waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel

te geven den strijd te beginnen."

"Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn

gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen,

maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik

ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u

spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen,

voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet

tot een gewenscht doel kunnen leiden."

Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den

Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad,

des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op

dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin

hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen.

"Er is maar één doel en geen ander," verklaarde de Groote Wolf.

"En dat is?"

"Uw dood!"

"Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan."

"Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!"

"Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts

overvallen hebben?"

"Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan

teruggehouden hebben."

"Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?"

"Omdat gij met hen meegereden zijt."

"Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij

zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en

toen ons spoor hebben gevolgd."

"Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons

in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van

onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze

bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd,

om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te

vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de

tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is,

iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed

moeten wij houden, en gij zijt een blanke."

"Maar een blanke, die onschuldig is."

"Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet

onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn,

dan onze tegenstanders en moordenaars?"

"Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een

vriend der roode mannen ben."

"Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de

onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten,

vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en

zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal

dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en

rechtvaardiger te handelen."

Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de

gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar

toch antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf denkt slechts aan

zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter

dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen

en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten

strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal

des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen

geweest zijn."

"Wij--dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie

metgezellen? Wie zijn dat dan?"

"De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen;

maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord:

den dikken Jemmy en den langen Davy."

"Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien,

en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar

juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der

blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze

afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij

zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde

mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u

kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes

zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche

land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe

reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer

geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende

bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult."

Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote

onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter

niets daarvan blijken, en antwoordde: "Uw bedoeling is zeer goed,

en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen,

zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn."

"Ik belach hen; zij kunnen komen!"

"Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij

honderdtallen zult kunnen tellen?"

"Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet

gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen

zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa,

van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks,

van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van

de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs:

zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!"

"Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke

krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan,

waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!"

"Wie dan alzoo?"

"Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand."

"Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder

prairie-honden is," erkende de hoofdman. "Maar dat zou ook de eenige

zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen."

"O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts

één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult."

"Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook

moeten sterven; hij is onze vijand."

"Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders."

"Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen

zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die

tegen ons opgehitst."

"Weet gij dat al?"

"De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan

het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den

stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand

beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt."

"En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de

krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der

krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas,

Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas

en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die

allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets

anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en

de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke

vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?"

De schat in het Zilvermeer · 第 30 / 51 段