Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde

zijn hoofd, en zei: "Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd,

en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de

boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van

de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men

de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de

beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich

tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn,

en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!"

"Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang,

en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze

mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet

dezelfde zijn."

"Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en

mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan

zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de

Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde

natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft,

om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke

beschaving, maar van haar verlangt, dat zij in een ommezien

tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke

maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen

ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit,

om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn. _Good b'ye, Sir!_"

Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen,

weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft

nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had

hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal

vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij

thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is

"Broeder Jonathan" aan het verstand te willen brengen dat hij geen

grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot

oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te

voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder

ergens medelijden te hebben gevonden.

Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen

ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans

de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder

wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: "Daar

ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen,

dan zullen wij er in vijf minuten zijn."

De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier

ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten

scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar

Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan,

dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een

zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden

begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van

zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon,

doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn

metgezellen hem te volgen.

Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje,

en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste

gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten,

in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht,

ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn,

wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard

door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij

stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken

viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer

belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een

ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar

Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet,

verloren geweest zijn.

Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open

vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde

rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: "Hier

is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen,

en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben

wij ook, zooals gij ziet."

Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn,

dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar

werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om

hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te

maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en

ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij

hier veilig waren.

Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd

dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer

in het midden.

Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon

te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen

keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den

anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg

over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat

hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen

overrompeling te vreezen had.

Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand

nam er een stuk van.

"Hum!" bromde Hobble-Frank. "Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger

in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten

vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik

hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen

zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren."

"Maar 't is geen hond!" zei Jemmy. "Gij hebt immers gehoord, dat

dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een

keffende stem heeft."

"Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog

erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen

er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot

vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien."

Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar

zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond,

en zei kauwende: "Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl,

maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees

dat er van die twee honden niet veel over zal blijven."

"Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren," antwoordde

Jemmy. "Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten."

"Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór

den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen,

ben ik voorshands alweer tevreden."

"Morpheus heet hij," verbeterde Jemmy.

"Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet

krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe

zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een

zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels

zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er

van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig:

In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis,

en eet uw prairie-hond liever zonder praatjesmakerij, die met een man

van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel;

maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen,

dan word ik allicht een beetje kitteloorig!"

Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest,

opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette

niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging

van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank.

Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een

groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van

twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan.

De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters,

die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand

en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun

paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij

te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen

waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos

uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten

tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof,

die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd,

en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen

doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats.

"Wat denkt gij van dit spoor, Knox?" vroeg een der twee. "Zouden wij

misschien Roodhuiden voor ons hebben?"

"Neen," antwoordde de andere zeer bepaald.

"Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?"

"De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander,

zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander."

"En met hun hoeveel zijn zij?"

"Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!"

"Behalve wanneer het soldaten zijn."

"_Pshaw!_ Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten

zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig

verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit

ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen,

dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?"

"Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch

somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed

heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door

de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten

overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van

ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn

tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen."

"Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding;

en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen

troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust

meer te maken."

"Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren."

"Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den

benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk,

zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan

als vanzelf."

"En waarin bestaat dat middel?"

"Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons

kunnen aansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan,

en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden,

die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt

hebben om hun oorlogstuig op te graven."

"En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?"

"Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen."

Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij

spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen

zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden,

bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den

roodharigen kornel.

Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de

twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond,

trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol

onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg

gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te

weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal

aanhangers te werven. Dat waren natuurlijk allen menschen zonder middel

van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder

hen bevonden zich ook Knox en Hilton, de twee, die nu op het bosch

aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden,

dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel

monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten

zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La

Veta over de Rocky Mountains gaan, en de andere helft zou de richting

naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te

komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten

die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op

zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en

hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het

ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero

hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt

hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit

van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een

troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en

verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden

zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen,

en de twee aanvoerders, Knox en Hilton, waren de eenigen, die het

geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen.

Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar

aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten

zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij

tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was.

Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden

zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden

slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden.

"Dus, jagers, begrepen?" fluisterde Knox tegen Hilton.

"Ja," antwoordde deze. "Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan

komen!"

"Dan laat gij mij maar antwoorden."

Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar

bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in

de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het

hoofd tot de voeten.

"_Good day_, messieurs!" groette Knox. "Is het ons vergund, hier bij

u een weinig uit te rusten?"

"Ieder eerlijk man is ons welkom," antwoordde Old Shatterhand,

terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen

hun paarden opnam.

"Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt," zei

Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen,

goed doorstond.

"Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb

leeren kennen."

"Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven."

De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden

stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het

gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken

er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen

tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen

te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden,

werd dus zwijgend doorgebracht.

De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch

aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old

Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest;

maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de

in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze

zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een

bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want

zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan,

langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen.

De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan

de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De

meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en

boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte,

die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer

van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn

gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan

het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De

voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren,

zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een

paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat

dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door

zijn waarschuwende handbeweging tot de grootste stilte aanmaande,

moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje

voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort

eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende,

zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den

Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: "Er is hier een bleekgezicht

geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te

loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de

boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken."

De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old

Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote

Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur

later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij

floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te

voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk,

waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden.

"Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen," sprak hij tot hen. "Dat

zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten

vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen

mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij

zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links,

totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop

de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden

zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te

bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het

dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven

hier om de vastgebonden paarden te bewaken. _Howgh!_"

Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde

beteekenis als onze woorden: "Het zij zoo" of "basta" of "daarmee

afgepraat!" Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee

te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld.

Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch

in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord

werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte

uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte

te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht

hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte

van de Indianen, was dat mogelijk.

De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof

zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen

verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: "Nu hebben wij gegeten

en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór

den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken."

"Ja," merkte Jemmy aan. "Maar vóór alles dienen wij toch elkander te

leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen."

"Juist!" zeide Knox, met een vriendelijk hoofdknikje. "Als ik vragen

mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?"

"Wij rijden naar de Elk-bergen."

"Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis

gezamenlijk doen."

Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy,

om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als

hij den tijd daartoe gekomen achtte.

"Dat vind ik niet kwaad," antwoordde de dikke. "En waar wilt gij dan

verder heen?"

"Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers

te zoeken."

"Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen

wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers,

beverjagers?"

"Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton."

"Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die

niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik."

"Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven

ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan

een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er niets tegen,

dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?"

"Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden."

"Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?"

"Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman

rechts..."

"Stellig den langen Davy?" viel Knox hem schielijk in de rede.

"Juist! Dat hebt gij goed geraden."

"Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke

Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En

die kleine master hier aan uw linkerhand?"

"Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig

genoeg blijken zal."

Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker,

en deze vervolgde: "En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb,

is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel,

dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken."

"Old Shatterhand?" riep Knox, met alle kenteekenen van aangename

verrassing. "Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?"

"Waarom zou dat niet waar zijn?" antwoordde de genoemde.

"Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen

doet, kennis met u te maken."

Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig

Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf:

"Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij

bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen."

Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet

zag, en antwoordde ijskoud: "Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is

het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen."

"Waarom niet, sir?"

"Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen

genoegen kan doen kennis te maken."

"Hoe bedoelt ge dat?" vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door

zulk een onverbloemd antwoord. "Ik houd het er voor, dat gij schertst,

sir!"

"Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk

een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers."

"Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen

laten welgevallen?"

"Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?"

"Kent gij ons dan?"

"Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn."

"Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch,

met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij

ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?"

"Waarom zou ik dat niet kunnen?"

"Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt

niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen,

dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?"

"_Pshaw!_ Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in 's

hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden

van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag

heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden

zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer

is dat geweest?"

"Vier dagen geleden."

"Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?"

"Ja."

"Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een

leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de

open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het

bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt

gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen,

goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen."

De schat in het Zilvermeer · 第 29 / 51 段