Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook

des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks

de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg

een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf

gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds

zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter

aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren

hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder

dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek

gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen

was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal

jaren geleden een lichtgrijze "cylinder" was geweest. Misschien had

die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was

vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval,

totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den

tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig

beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had

hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van

dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik

touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee

revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden

zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen

kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een

mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat

het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het

voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over

zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen,

waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was

kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom

van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat

die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen

beleefd hadden.

De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer,

zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van

het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil

dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter

in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd

bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit

kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van

de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk

niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij

was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer

bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte.

Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet

anders bekend, dan onder de namen "Lange Davy" en "Dikke Gemmy". Die

twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder

dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher

en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze

twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich

ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als

die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast

elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een

legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden

te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen,

en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen

en likken elkander te liefkoozen.

Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier

ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet

enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren

bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters

zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan

kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst

afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die

in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: "Dus zullen

wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog

hier vandaan?"

"Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen," antwoordde

de gevraagde.

"Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al

sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik

ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt

gij dat ook niet?"

"Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen

wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden."

"O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar

ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste

buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar

sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad;

ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg,

ga ik bepaald dood!"

"Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen."

"Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een

gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden

is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een

ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?"

"Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel,

en rijd met de anderen maar langzaam door."

"Zoo?" zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. "Hebt _gij_

al iets in het oog? _Ik_ zie nog niemendal."

Hij nam de teugels van Old Shatterhand's paard, en reed met Davy en

Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een

aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie

van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende

stem genoemd worden. Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar

zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met

ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij

op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en

bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel

weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander

stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren

niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is,

maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij

echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren

om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op

alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen

nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te

houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter

niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen

en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet

hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist

Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de

zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen

te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide

in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van

een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen,

namelijk, om dichterbij te komen.

Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen,

en zei op een toon van bezorgdheid: "Heerejéminie! Wat zal ons nu

overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als

iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!"

"Belladonna, wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.

"Zwijg!" gebood de kleine. "Belladonna beduidt niemendal. Het heet

Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel

weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik

heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!"

Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter

elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een

draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te

rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden

geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te

paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen:

"Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan

zal ik u vriendelijk bedanken, sir!"

"Waarom dat?"

"Zulk spul lust ik niet."

"Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?"

"Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen."

"Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar

is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?"

"Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!" antwoordde Frank

terwijl bij met zijn tong smakte; "òf ik dat gegeten heb! Dat's een

vleeschje voor koningen en prinsen!"

"Zoo, vindt gij dat?" vroeg Old Shatterhand glimlachende.

"Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen

tweede bestaat."

"En duizenden trekken er den neus voor op!"

"Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij

Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste

natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook

en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin

korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den

Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen,

als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon-

en feestdagen gebraden sikjes."

"Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt."

"Lapijn? Wat is dat voor een ding?"

"Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De

eigenlijke naam is konijn."

"O, karniekl! A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste

plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis

altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch

als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!"

"En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden

zeggen."

"Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders

vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste

vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje,

dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet."

"Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik

ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien,

dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker

als uw karniekl."

"Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!"

"Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u,

dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?"

Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten

bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of

het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers

reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep

gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters

waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform:

het waren soldaten.

Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar

zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en

kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando

van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd,

hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een

somberen blik, en vroeg: "Waar komt gijlieden vandaan, boys?"

"Wel heb ik ooit!" prevelde Hobble-Frank. "Zullen wij ons nu met het

woord _boys_ (= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien

dat wij tot den goeden stand behooren."

"Wat fluistert gij daar?" riep de luitenant op strengen toon. "Ik

wil weten waar gij vandaan komt."

Frank, Jemmy en Davy keken naar Old Shatterhand, wat die doen of

zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: "Uit Leadville."

"En waar wilt gij naar toe?"

"Naar de Elk Mountains."

"Dat is een leugen!"

Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond

het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd

op denzelfden bedaarden toon:

"Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?"

"Ja."

"Welke reden dan?"

"Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort."

"Daarin vergist gij u."

"Ik vergis mij niet. Ik ken u."

"Zoo? Wie zijn wij dan?"

"De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen."

"Ei! En als wij het nu eens niet doen?"

"Dan neem ik u mee!"

"En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?"

"Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat

wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren

naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!"

"Meent gij dat?" vroeg Old Shatterhand met een glimlachje. "Probeer

dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!"

Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van

pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver

uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur

te geven.

"Wat...." riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen

naar zijn gordel grijpende. "Ik...."

"Halt!" viel Old Shatterhand's geweldige stem hem in de rede. "Hand

weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!"

In oogenblikken als dit--indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen

hier het geval niet was--komt het er maar op aan, wie het eerst zijn

wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op,

om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van

de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte

niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want

dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn

onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij

verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van

vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich

overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden

dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in

de hoogte.

Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed

gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te

zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand's

doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: "Zoo! Wat

denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?"

"Schiet maar toe!" antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht

was. "Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft."

"_Pshaw!_ Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen

aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige

schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen

omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij

daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij

zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees

altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet

gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, met _boy_

aanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet

overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders

allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de

derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij

denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar

hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te

moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals

op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist:

wij zijn geen _boys_, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen

weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten."

Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug;

zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook

de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van

schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: "Hoe hebt gij het

hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen? Weet gij wel,

dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?"

"De macht?" vroeg Old Shatterhand lachende. "Den lust, ja, dat

begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk

genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij

het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog

belachelijker zoudt maken dan daareven."

"Wacht! nu zal ik u wel....."

Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den

gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag

gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand,

die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel

als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen,

nogmaals lachende, uitriep: "Spreek verder, sir: U wilde nog iets

zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert,

gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!"

Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht,

behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo

verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en

driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam.

"Wat ... (alweer met een vloek)!" schreeuwde de officier; doch hij

waagde het niet een vinger te verroeren: "Wat begint gij nu? Laat

mij los."

"Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij

met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te

verbeelden. Voor zooveel man, als gij hier bij u hebt, zijn wij

volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan

zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en

hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal."

Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het

paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij:

"Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?"

"Neen!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij

gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten

blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een

allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel

getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch

na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op

zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. "Ik ken zoo min

den persoon als zijn naam," bromde de officier.

"Dus niet?" zei de jager. "En toch ben ik overtuigd, dat gij ons

kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft

men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak

vóór u."

"Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel

eens gehoord?"

"Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?"

"Juist!"

"_Pshaw!_ Dat geloof ik niet."

"Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest

gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan

bewijzen dat het waar is."

"Old Shat.....!" riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede

achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing

aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in

de keel blijven steken.

Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-,

of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één

"O!" van verbazing dat over hun lippen kwam.

"Ja, Old Shatterhand!" zei deze. "Kent gij dien naam?"

"Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt

gij.....gij die man zijn, sir?"

Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak

nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het

geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl

eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op

volgen: "_Behold!_ Is dat niet een Henry-karabijn sir?'

"Natuurlijk!" zei Old Shatterhand met een bevestigend

hoofdknikje. "Kent gij die soort van geweren?"

"Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige

beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest

zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was,

dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als

deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem

vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand

moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit."

"Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het

geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet;

de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen."

"Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand,

die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier

op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag

doodslaat?"

"Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan

twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen,

maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn

vuist. Wilt gij er van gediend zijn?"

Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier,

en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere

sprong schielijk achteruit, en riep: "Dank u sir! dank u. Ik wil u

veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één

hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij

mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk

niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden

scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben,

ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even

verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere

eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn."

"Waar naar toe?"

"Wij moeten naar Fort Mormon."

"Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen

gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting,

om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen."

"Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat

sir?"

"Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van

daar gaan wij naar de Book Mountains."

"Dan moet ik u waarschuwen sir!" zei de officier die nu een toon

aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber

van zijn korps stond.

"Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?"

"Voor de Roodhuiden."

"Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens

weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De

Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken,

en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert

jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen

opwekken."

"Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger

verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun

strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort

Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden."

"Zoo? Daarvan weten wij nog niets."

"Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan

dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het

territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand

bij de Roodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar

toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben

alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen."

"Waarom dat?"

"Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs

overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de

Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij

verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De

aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun

handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den

volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen

volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens

gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook

slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes

bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar

Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor

ieder paard een ander, voor de andere verloren voorwerpen ineens een

som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden

en een geweer."

"Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?"

"Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden

het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is

onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks

opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het

territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten,

om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten

omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die

tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt."

"En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?"

"Alles wat zij buitmaken."

De schat in het Zilvermeer · 第 28 / 51 段