nagemaakten klerk en zijn kameraad gelukken zou den machinist en
den stoker vrees aan te jagen; toen zij nu den trein zagen stoppen,
begonnen zij te jubelen van blijdschap, en verdrongen elkander naar
den achtersten wagen. Ieder wilde de eerste zijn. Maar de kornel
wist wel wat het noodigste was. Hij ging naar de locomotief, keek om
den hoek van den eenen beschuttenden wand even naar boven, en vroeg:
"Alles richtig, boys?"
"_Well!_" antwoordde de eene werkman, die den machinist de revolver
op de borst hield. "Zij hebben eieren voor hun geld moeten kiezen. Zie
maar, kornel! Als zij zich durven verroeren, geven wij vuur."
Old Firehand stond als sidderende van angst tegen den waterbak gedrukt,
en voor hem stond de andere werkman met zijn revolver. De kornel werd
volkomen verschalkt. "Mooi zoo!" zei hij. "Gij hebt uw taak goed
gedaan: gij zult er extra voor beloond worden. Blijft nog boven,
tot wij klaar zijn; en dan, als ik het sein geef, kunt gij van de
locomotief afkomen; dan behoeven deze brave menschen niet van angst
te sterven, en kunnen zij doorrijden."
Hij verwijderde zich in den donker weer van de locomotief. Hij had
niet anders gedacht, dan zijn beide tramps te zien, te meer daar de
werkman, die hem geantwoord had, zeer goed de stem van den zoogenaamden
klerk had nagebootst. Toen hij weg was, boog Old Firehand voorover,
om de plaats waar men stond te overzien. Hij zag geen mensch staan;
maar in de wagens heerschte een verschrikkelijk rumoer. Hij hoorde,
dat zij aan het vechten waren, om de groote geldkist machtig te worden.
"Vooruit! Vooruit!" gebood de jager aan den machinist. "En niet
langzaam, maar zoo hard als we maar kunnen, want anders komen ze de
wagens, weer uit."
De trein zette zich weer in beweging, zonder dat de machinist de
stoompijp deed fluiten.
"Halt, halt!" schreeuwde een stem. "Schiet de honden
neer! Schiet! Schiet!"
Men kon de woorden verstaan, maar den klank der stem kon men niet
herkennen. Daardoor wist Old Firehand niet, dat het de kornel was,
die dat riep.
De in de wagens zijnde tramps schrikten, toen de trein hoe langer
hoe harder begon te rijden. Zij wilden er uitspringen, maar dat was
bij de snelheid, die de machinist aan de vaart gaf, niet te doen. Old
Firehand moest het vuur opporren. De vlammen wierpen hun schijnsel op
hem en op zijn bijstanders. De voordeur van den voorsten wagen werd
geforceerd, en Woodward kwam daar te voorschijn. Hij zag de locomotief
vóór zich, en het helder beschenen gelaat van den jager, bij wien de
twee nagemaakte tramps zeer vertrouwelijk stonden te kijken.
"Old Firehand!" bulderde hij zoo hard, dat het boven het geraas der
ijzeren wielen en het gepoef der locomotief uitklonk. "Die hond is
het! Rijd naar de hel."
Meteen greep hij het pistool uit zijn gordel en schoot. Maar
Firehand wierp zich met de snelheid eener gedachte op den grond, en
bleef ongedeerd. Doch in het volgende oogenblik glinsterde ook zijn
revolver en Woodward, in zijn hart getroffen, stortte achterover in den
wagen terug. Anderen verschenen aan de opengebroken deur, maar werden
insgelijks terstond door zijn kogels getroffen. Ook de twee werklieden
richtten hun revolvers op de deur, en schoten, totdat het gelukt was
de beschuttende wand in zijn dwarsvouw te brengen tusschen den wagen en
de locomotief. Nu mochten de tramps schieten zoo hard als zij wilden.
Intusschen was de trein verder gereden. De machinist hield goed de
lichten op de baan in het oog. Er verliep een half uur, en in het
oosten begon het licht te worden. Toen liet hij de stoompijp fluiten,
niet in korte tempo's maar in een lang gerekt gehuil, waaraan geen
einde scheen te komen. Hij naderde de brug, en wilde de daar wachtende
mannen van de nadering van den trein verwittigen.
Die mannen stonden sedert lang op hun post. Even vóór middernacht
waren de dragonders uit Fort Wallace aangekomen; die hadden zich nu
aan weerszijden van de rivier onder de brug geposteerd, om iederen
tramp, die het wellicht daarboven mocht weten te ontkomen, beneden
te vatten. Daar, waar de brug begon, stond Winnetou met de rafters en
jagers. Aan de andere zijde van de brug, aan weerskanten van den ingang
van den tunnel, stonden drie vierden van de gewapende baanwerkers, en
aan den uitgang van den tunnel wachtte het overige vierde gedeelte. Bij
dezen bevond zich de opzichter, die de niet zonder gevaar zijnde taak
op zich genomen had, om binnen in den tunnel de locomotief van den
trein te gaan afhaken. Toen hij het gehuil van de stoompijp hoorde,
gebood hij aan zijn mannen: "Het vuur aanmaken!"
Terwijl aan dat bevel terstond gevolg werd gegeven, doordien men den
hoop hout en kolen, die voor den mond van den tunnel lag in brand stak,
sloop hij behoedzaam den tunnel in, om, zich tegen den muur houdende,
den trein af te wachten.
Deze was met verminderde vaart de brug over gekomen, en naderde den
tunnel. Old Firehand zag de daar geposteerde manschap, en riep hun toe:
"Achter ons het vuur aanmaken!"
Een oogenblik later hield de trein stil. De locomotief stond juist
waar de opzichter die verwacht had.
"Slechts een oogenblik!"
Bij deze woorden kroop hij tusschen de machine en den eersten wagen,
haakte die beide van elkander af, en snelde toen den tunnel uit. De
locomotief volgde oogenblikkelijk; de wagens bleven staan; en de voor
en achter brandende vuren werden door de werklieden midden op de baan
geschoven, nadat men de spoorstaven haastig met steenen bedekt had,
om die te beveiligen voor de vuurhitte.
Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig is geweest
om het hier te vertellen, en wat meer zegt veel te gauw, dan dat de
tramps zoo spoedig hadden kunnen beseffen in welk een toestand zij
zich bevonden. Zij waren al niet op hun gemak geweest toen de trein
zoo ijselijk hard reed. Zij hadden nu gehoord, dat Old Firehand
op de locomotief stond, en wisten dus, dat hun plan verijdeld was;
maar zij hielden zich verzekerd, dat zij daar, waar de trein stil
zou houden al ware dat op een druk station, hun vrijheid terug zouden
krijgen. Zij waren goed gewapend en zóó talrijk, dat wel niemand het
hart zou hebben hen gevangen te willen houden. Nu stond de trein stil,
en daarop hadden zij gewacht. Maar toen zij uit de zijraampjes keken,
grijnsde hen een onderaardsche duisternis aan. Zij verdrongen elkander
om aan het portier van den achtersten wagen te komen en uit den trein
te stappen, doch kregen een gewaarwording alsof zij door een nauwen,
donkeren koker in een ontzaglijk groot vlammend, knetterend vuur
staarden. En zij, die zich in den voorsten wagen bevonden, zagen,
dat de locomotief verdwenen, en daarvoor een knapperend en krakend
kolenvuur in de plaats getreden was. Een hunner kwam op de juiste
gedachte.
"Een tunnel, een tunnel!" riep hij verschrikt; en "een tunnel, een
tunnel! wij zitten in een tunnel!" riepen al de anderen hem na. "Er
uit! Wij moeten er uit!"
Er volgde een ontzettend geschuif en gedrang, zoodat zij die aan
de portieren waren, niet konden uitstappen, maar er letterlijk
uitgeworpen werden. De tweede viel neer op den eerste, de derde
tuimelde neer op den tweede, en zoo vervolgens. Het was een warboel
van menschen-gedaanten, van armen en beenen, van geschreeuw en
verwenschingen en vloeken, en dat ging niet zonder dat menigeen
gekwetst werd. Er waren er zelfs, die naar hun wapens grepen, om
zich te verweren tegen hen, die zich aan hen vastklemden of die op
hen lagen.
En aan de duisternis, die door de voor en achter aan den tunnel
brandende vuren en door de wagon-lampen niet eens draaglijk verlicht
werd, paarde nu de dikke, zware kolendamp, die door den ochtendwind
in den tunnel gedreven werd.
"Voor den..... (er volgde een vloek)! Ze willen ons doen stikken!" riep
een krijschende stem. "Er uit! Er uit!"
Tien, twintig, vijftig, honderd kelen schreeuwden het hem na, en in
waren doodsangst drong, dreef, duwde en worstelde alles op de beide
uitgangen van den tunnel aan. Maar daar knetterden en kraakten de beide
vuren welker felle vlammen den ganschen uitgang versperden. Wie er uit
wilde moest door het vuur springen en was vooruit verzekerd, dat zijn
kleeren in brand zouden geraken. Dat beseften de voorsten: zij keerden
zich om, en wilden terug; maar de gansche menschenzwerm achter hen
bleef opdringen en wilde niet wijken. En daardoor ontstond er in de
nabijheid van de beide vuren een verwoede worsteling tusschen lieden,
die zoo kort te voren nog kameraadschappelijk eensgezind waren geweest
in het nastreven van helsche plannen. Het tunnel-verwulfsel kaatste
het gebrul en getier vertienvoudigd terug, zoodat het daarbuiten klonk
alsof alle duivelen uit de hel waren losgebroken, om daarbinnen feest
te vieren.
Old Firehand was om de rots heen naar het voorste vuur geloopen.
"Wij behoeven niets te doen," riep een der baanwerkers hem toe. "De
beesten verscheuren elkander. Hoor maar, sir! Uitmuntender plan,
dan het uwe is, had nooit uitgedacht kunnen worden."
"Ja, zij hebben het erg te kwaad met elkander," antwoordde hij. "Maar
het zijn menschen, en vermoorden mogen wij hen niet. Maak den ingang
een beetje vrij van het vuur!"
"Wilt gij er dan in?"
"Ja."
"Om Godswil, doe dat niet! Zij zullen u aanvliegen en u wurgen!"
"Geen nood! Zij zullen blij zijn, als ik hun de kans bied om zich
te redden."
Hij hielp zelf mee het vuur ter zijde te schuiven, zoodat er tusschen
de vlammen en den tunnelmuur een opening kwam, groot genoeg voor één
man om er doorheen te springen. Hij deed den sprong, en nu bevond
hij zich in den tunnel, hij alleen, tegenover al die dollen en
razenden. Wel nooit in zijn leven was zijn onverschrokkenheid zóó
duidelijk als thans; maar stellig ook nooit in zijn leven was zijn
zelfvertrouwen grooter geweest dan op dit oogenblik. Dikwijls had
hij bij ondervinding gehad hoe somwijlen de moed van een enkel man
in staat is, om duizenden te verbazen en als het ware te verlammen.
"_Hallo, silence!_" weerklonk zijn forsche stem boven het geschreeuw
van honderd kelen uit, en allen zwegen stil. "Hoort wat ik u zeg!"
"Old Firehand!" riepen er eenigen, verbaasd over zijn weergalooze
onvervaardheid.
"Ja, dat ben _ik_!" antwoordde hij. "En gij hebt het ondervonden, waar
_ik_ ben, komt geen weerstand-bieden te pas. Als gij niet stikken wilt,
legt dan hier uw wapenen neer en komt dan den tunnel uit, maar één voor
één. Ik zal buiten bij het vuur staan, en commandeeren. Wie naar buiten
springt zonder mijn commando af te wachten, wordt oogenblikkelijk
neergeschoten. En wie iets van zijn wapentuig bij zich houdt, krijgt
ook terstond den kogel. Wij zijn talrijk genoeg, baanwerkers, jagers,
rafters en soldaten, meer dan genoeg, om mijn bedreiging ten uitvoer
te brengen. Overlegt het met elkander! En als gij een pet of een
hoed naar buiten werpt, zal dat voor ons het teeken zijn, dat gij u
overgeeft. Doet gij dat niet, dan zijn honderd geweren op de vuren
gericht om niemand door te laten."
Het had hem, door den rook, moeite gekost de laatste woorden goed
verstaanbaar uit te brengen, en meteen sprong hij snel weer den tunnel
uit, om niet wellicht het mikpunt te worden van een of ander schot. Die
voorzichtigheid was verstandig, maar eigenlijk noodeloos. De indruk,
dien zijn verschijning op de tramps gemaakt had, was van dien aard, dat
niemand hunner het gewaagd zou hebben zijn geweer op hem aan te leggen.
Nu gaf hij aan zijn baanwerkers bevel hun geweren op de opening
van den tunnel aan te leggen, ten einde de tramps, als die een
poging mochten doen om zich door de massa heen te slaan, te
ontvangen met peloton-vuur. Men kon hooren dat zij met elkander
beraadslaagden. Verscheiden stemmen spraken luid, alle tegelijk. De
omstandigheden lieten hun niet toe, hun beraadslaging lang te rekken,
want de rook, die in den tunnel drong, belemmerde hun ademhaling meer
en meer. Tegenover een man als Old Firehand hadden zij den moed geheel
verloren; zij wisten, dat hij er de man naar was om te doen wat hij
zei: de dood door stiklucht werd hoe langer hoe dreigender, en zij
zagen geen anderen uitweg tot redding, dan zich over te geven. Er
kwam een hoed uit den tunnel vliegen over het vuur heen, en terstond
daarop werden de tramps door de roepstem van Old Firehand verwittigd,
dat de eerste hunner uit den tunnel mocht komen. Hij sprong er uit,
en moest dadelijk de brug over, waar hij door rafters en jagers in
ontvangst werd genomen. Men had zich ingevolge het zoo goed geslaagde
plan, dat eigenlijk afkomstig was uit het brein van Winnetou voorzien
van touwen, koorden en riemen, en zoodra de eerste tramp over de
brug was, werd hij gekneveld. Zoo ging het al zijn kameraden, die
na hem kwamen. Zij werden in zulke tusschenpoozen uit den tunnel
gelaten, dat men telkens den tijd had om den vorige te knevelen. Maar
alles ging toch zoo snel in zijn werk, dat er nog niet ten volle een
kwartier verloopen was of al de tramps bevonden zich in handen van de
overwinnaars. Maar nu bleek het tot teleurstelling en verdriet der
laatsten, dat zij den roodharigen kornel nog niet hadden. Toen men
aan de gevangenen naar hem vroeg, vernam men van hen, dat de kornel
met een twintigtal anderen in het geheel niet in den trein geweest
was. Zekerheidshalve doorzocht men goed den ganschen tunnel en al
de wagons; maar men vond hem niet, zoodat men veronderstellen moest,
dat de gevangenen de waarheid gezegd hadden.
Zou dan juist die kerel, op wien het voornamelijk gemunt was geweest,
den dans ontspringen? Neen! De gevangenen werden aan de bewaking
van de soldaten en van de baanwerkers toevertrouwd, en Old Firehand
en Winnetou reden met de jagers en de rafters terug, om het spoor
van den vermiste te ontdekken, ter plaatse waar de trein halt had
gehouden. Daar aangekomen, zond Old Firehand vier rafters verder naar
Sheridan, om zijn paard en zijn jachtkostuum, en de twee nog geboeid
daar liggende tramps naar den tunnel te laten brengen. Hij wilde niet
zelf naar Sheridan terugkeeren, maar met zijn gezelschap dadelijk mee
vertrekken naar Fort Wallace, waarheen de tramps gebracht werden,
omdat zij daar onder militaire bewaking beter geborgen waren dan
ergens elders. De vier boodschappers kregen natuurlijk ook in last,
om aan den ingenieur mede te deelen in hoeverre de uitvoering van
het plan gelukt was.
Men vond de plaats, waar de tramps gebivakkeerd hadden om den trein
af te wachten. Niet ver van daar waren de paarden vastgebonden
geweest. Na lang zoeken en nauwlettend beoordeelen van de vele voet-
en hoef-indrukken bleek het, dat werkelijk een twintigtal tramps
ontkomen waren. Die hadden even zooveel paarden medegenomen, en
natuurlijk de beste viervoeters; de overige hadden zij naar alle
richtingen uiteengejaagd.
"Die kornel is met sluw overleg te werk gegaan," zei Old Firehand. "Had
hij al de paarden meegenomen, dat zou een groote last geweest zijn voor
zulk een kleine bende, en het door zooveel paarden achtergelaten spoor
zou voor een kind te herkennen geweest zijn. Door de achtergebleven
paarden links en rechts uit elkander te jagen, heeft hij ons het
zoeken naar zijn spoor zeer moeilijk gemaakt, en daardoor heeft hij
zelf veel tijd gewonnen. En daar hij in elk geval niet de slechtste
dieren gehouden zal hebben, komt hij ons zoo snel vooruit, dat wij
moeite zullen hebben om den verloren afstand in te halen."
"Mijn blanke broeder vergist zich misschien," antwoordde Winnetou. "Dat
bleekgezicht heeft stellig deze streek niet verlaten zonder zich eerst
te vergewissen hoe het met zijn kornuiten afgeloopen is. Als wij nu
zijn spoor volgen, zal dat ons bepaald naar den Eagle-tail brengen."
"Ik ben overtuigd, dat het vermoeden van mijn rooden broeder juist
is. De kornel is van hier weggereden, om ons te beluisteren. Hij
zal nu weten, waaraan hij zich te houden heeft, en nu zal hij zich
in allerijl uit de voeten gemaakt hebben. Maar wij zijn hier gekomen
om naar hem te zoeken, en daardoor hebben wij den kostbaarsten tijd
te loor laten gaan."
"Als wij snel terugkeeren, zullen wij hem misschien nog wel kunnen
inhalen."
"Neen. Mijn broeder moet bedenken, dat wij hem niet terstond kunnen
volgen. Wij moeten eerst mee naar Fort Wallace, om daar onze
verklaringen af te leggen. Daar is vandaag deze geheele dag mee
gemoeid, zoodat wij pas morgen die twintig tramps achterna zullen
kunnen gaan."
"Dan zullen zij ons een geheelen dag vooruit zijn!"
"Ja; maar wij weten waar zij naar toe willen, en wij verliezen er dus
volstrekt geen tijd mee, als wij hun spoor volgen. Wij gaan regelrecht
naar het Zilvermeer."
"Denkt mijn broeder dan, dat zij nu nog daar naar toe willen?"
"O ja, stellig."
"Nu, nadat zij hier zulk een nederlaag geleden hebben?"
"Ja, in weerwil daarvan."
"Maar nu hun plan hier zoo totaal mislukt is, zullen zij nu hun
voornemen maar niet liever opgeven?"
"O neen! Zij willen geld hebben, om daarmee hier of daar inkoopen te
doen. Doch die inkoopen zijn niet zoo bepaald noodig. Leven kunnen
zij van het wild dat zij schieten. Wapenen hebben zij, kruit en lood
ook. En mochten zij aan het laatste behoefte krijgen, dan hebben zij
onderweg wel gelegenheid, om het zich op een eerlijke of oneerlijke
manier te verschaffen. Ik ben overtuigd, dat zij naar het Zilvermeer
zullen gaan."
"Dan willen wij hun spoor volgen, om ten minste te weten te komen,
waar zij hier vandaan naar toe gereden zijn."
Twintig ruiters laten hoef-indruksels genoeg achter zich; en hier waren
genoeg geoefende oogen, aan wie zelfs een veel minder zichtbaar spoor
niet had kunnen ontgaan. Het spoor van de tramps liep naar de rivier,
en vervolgens altijd langs den rivier-oever naar hoogerop; het was
zoo duidelijk zichtbaar, dat men had kunnen galoppeeren zonder het
uit het oog te kunnen verliezen.
Aan den Eagle-tail, niet ver van de brug af, hadden de tramps halt
gehouden. Een hunner, waarschijnlijk de kornel, was toen, beschut
door het daar staande struikgewas, opgeslopen naar de spoorbaan,
waar hij stellig getuige geweest was van de gevangenneming van de
gansche bende. Na zijn terugkeer hadden zij zich uit de voeten gemaakt.
De jagers en de rafters volgden het spoor nog wel een half uur lang,
en keerden toen, toen zij precies wisten welke richting de vluchtenden
ingeslagen waren, terug naar de brug. De tramps hadden hun koers naar
de Busch-Creek genomen, een bijna zeker teeken, dat zij van plan
waren, zich naar Colorado te begeven, en dan van daar stellig naar
het Zilvermeer.
Ondertusschen waren de vier rafters uit Sheridan teruggekeerd. Zij
hadden ook Hartley en den ingenieur Charoy meegebracht, die insgelijks
naar Fort Wallace wilden, waar hun getuigenis van gewicht was. De
baanwerkers gingen te voet naar Sheridan; als belooning mochten zij al
de wapenen meenemen, die de tramps hadden moeten achterlaten. Voor het
transport van de laatstbedoelden waren er wagens genoeg aanwezig. De
bouwtrein stond ook daar, en zoo ook de "geldtrein", waarin trouwens
geen geld vervoerd was. Zoodra de gevangenen in de wagens geladen waren
stapten de anderen in en de twee treinen zetten zich in beweging. De
dragonders echter keerden te paard naar Fort Wallace terug.
Daar was intusschen het groote nieuws reeds ten deele bekend geworden;
en de bevolking brandde van ongeduld, om te vernemen hoe alles
was afgeloopen. Toen de treinen aankwamen, verdrongen de menschen
elkander om er bij te komen, en de tramps werden ontvangen op een
manier, die hun een voorproefje gaf van hetgeen zij hier later, na
hun veroordeeling, te wachten hadden. Ware hun aantal niet zoo groot
geweest, en had hun escorte het niet weten te beletten, dan zouden
zij stellig gelyncht geworden zijn.
Zij hadden overigens groote verliezen geleden, daar bijna het
vierde gedeelte van hun aanvankelijk aantal dood in den tunnel
gevonden was. Nog heden ten dage vertelt men elkander gaarne, in die
streek, deze vermaarde uitrookerij van de tramps uit den tunnel van
Eagle-tail, waarbij natuurlijk de namen van Old Firehand en Winnetou
met bewondering genoemd worden.
ELFDE HOOFDSTUK.
IN DE KLEM.
Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich
verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras
was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch
boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is
buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder
de aandacht trekken van ieder, die hen zag.
Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste
was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals
die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte
was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van
groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen
en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door
een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd
van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had
opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand,
en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van
ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren
riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee
revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar
schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van
biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten
stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden,
ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van
den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld
lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp,
versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen
vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop
en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te
zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang
en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model,
maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die
"berendooders" genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van
het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde
jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij
een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag.
Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een
blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen
knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een
zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijn
broeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten
in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze
ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn
lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders
denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden
af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank
genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één
been een weinig kreupel liep.