de kornel u meegenomen had om te gaan jagen, begon Engel na te denken,
dat gij, die geen wapenen bij u had, den Roodbaard ook bitter weinig
van dienst zou kunnen zijn. Daar moest hij dus een ander oogmerk mee
gehad hebben. Gij beiden had den kornel al niet erg vertrouwd; en nu
begon Engel, die veel van u had leeren houden, bang te worden, dat u
een ongeluk boven het hoofd kon hangen. Die angst liet hem al spoedig
rust noch duur, en eindelijk besloot hij, uw spoor, dat duidelijk
genoeg te herkennen was, te volgen. De ongerustheid verdubbelde zijn
schreden, en eer er ongeveer een uur verstreken was had hij u in
zooverre ingehaald, dat hij u zien kon. Juist toen hij den hoek van
een boschje omsloeg, kreeg hij u in het oog; maar wat hij zag, deed
hem terstond weer achteruitdeinzen. Terwijl hij het bloed in zijn
aderen voelde stollen, gluurde hij door de takken van het geboomte
heen. De Roodbaard stiet u neer met zijn mes, en knielde toen, om zich
te vergewissen dat de wond doodelijk was. Toen stond hij weer op, en
bleef een oogenblik stilstaan, als iemand die in beraad staat wat hij
doen wil. Wat moest Engel nu doen? Den goed gewapenden moordenaar te
lijf gaan om uw dood te wreken, die volstrekt geen wapentuig bij zich
had? Dat zou waanzinnig geweest zijn. Of moest hij wachten, totdat
de kornel zich verwijderd zou hebben, en zich dan naar u toe spoeden,
om te zien of er nog leven in u was? Ook dat niet! U was toch bepaald
dood, want anders zou de schobberd u nog wel een por hebben gegeven;
en dan was de Roodbaard stellig op Engel's spoor gekomen, en zou hem
vervolgd hebben, om ook hem naar de andere wereld te zenden. Neen,
had de schurk u vermoord dan lag nu bepaald Engel aan de beurt, zoodat
deze begreep, dat het eenige, dat hem nu te doen stond, was: zich zoo
gauw mogelijk te redden door de vlucht; hij maakte dus rechtsomkeert,
en vlood, eerst terug op het spoor waarlangs hij gekomen was; en
vervolgens, zoodra het terrein gunstig was, sloeg hij zijwaarts een
oostelijke richting in. Maar al te spoedig echter zou hij tot de
ontdekking komen, dat de moordenaar zich niet lang in den omtrek van
zijn schanddaad had opgehouden, maar teruggekeerd was, en het spoor
van den vluchteling gevonden had. Engel had een hoogte beklommen,
en zag, toen hij even omkeek, dat de Roodbaard hem dicht op de hielen
zat. Wel bevond die zich nog in het dal beneden, doch hoogstens slechts
op een afstand van tien minuten gaans. Aan de andere zijde der hoogte
strekte zich de open prairie uit. Engel spoedde zich de hoogte af,
en liep toen al rechtuit, zoo hard hij maar kon. Eerst na verloop
van een kwartier waagde hij het even stil te blijven staan en om te
zien. Hij zag den vervolger veel dichter achter zich dan daarstraks,
en zette het opnieuw op een loopen. Die parforce-jacht duurde nog
wel een uur, totdat Engel eindelijk boschgroei vóór zich zag. Nu
dacht hij, dat hij gered was. Maar de heesters stonden tamelijk ver
uit elkander, en daartusschen lag welig gras, waarin het spoor van
de voeten duidelijk bleef staan. De vluchteling was eigenlijk een
uitmuntend hardlooper; maar de ontberingen in den afgeloopen strengen
winter hadden de krachten zeer doen afnemen; de vervolger kwam hem
hoe langer hoe dichter op de hielen. Toen hij weder omkeek, zag hij
hem op hoogstens honderd passen afstands achter zich. Dit spoorde
hem aan tot het inspannen van zijn laatste krachten. Hij zag water
vóór zich. Dat was de Orfork van den Grand River. Daar snelde hij op
aan; doch eer hij den oever bereikt had, knalde er een schot. Hij
voelde een stoot als van een stevige vuist in zijn rechterzijde,
snelde verder, en sprong in het water, om naar den anderen oever
over te zwemmen. Links van zich zag hij echter de uitwatering van
een beek, die zich in de rivier ontlastte. Op die beek zwom hij aan,
en zwom die een eind weegs in, tot hij een kreupelbosch gewaarwerd,
welks dichte takken, die door daaraan hangend gebleven spoelgras nog
ondoordringbaarder voor het oog waren geworden, van den oever af in
het water neerhingen. Hij glipte daartusschen, en bleef er staan,
want zijn voeten voelden daar grond. Gij kunt denken, dat hij van
opgewondenheid beefde als een riet!"
"En van overspanning en angst!" voegde Watson er bij. "Neem mij niet
kwalijk. Vertel verder asjeblieft."
"De kornel had nu insgelijks den oever bereikt. Daar hij Engel niet
zag en de rivier niet zeer breed was, dacht hij, dat zijn slachtoffer
naar de overzij was gezwommen, en ook hij ging te water. Maar daar
hij zijn vuurwapenen en zijn schietbenoodigdheden droog moest houden,
ging dat zeer voorzichtig, en duurde het vrij lang eer hij, op zijn rug
zwemmende en die voorwerpen boven water houdende, den oever bereikte
en in het kreupelhout verdween."
"Hij is bepaald teruggekeerd," zei Humply-Bill. "Toen hij aan
de overzijde geen spoor vond, moest hij vooronderstellen, dat de
vluchteling nog aan deze zijde van de rivier was."
"Juist," knikte Droll. "Hij zocht eerst aan de overzij van de rivier
een goed eind weegs af, en toen keerde hij terug, om ook aan deze
zijde te zoeken; en dat bracht hem in de war. Tweemaal ging hij
de schuilplaats voorbij: maar den verscholene zag hij niet. Deze
bleef nog lang luisteren, maar van den moordenaar zag of hoorde hij
niets meer. Toch bleef hij in het water staan, totdat het donker
was geworden; toen zwom hij over en liep den ganschen nacht door,
regelrecht westwaarts, om zoo ver mogelijk uit de voeten te komen."
"Was hij niet gekwetst?"
"Ja, hij was door een schampschot getroffen aan zijn bovenlijf, onder
den arm. In zijn staat van opgewondenheid, en bij de kilheid van het
water, had hij zijn kwetsuur niet zoo gevoeld, of er althans minder
acht op geslagen: maar op zijn marsch begon de wond te steken. Hij
stopte die dicht, zoogoed als hij kon, totdat hij des morgens
verkoelende bladeren vond, die hij er oplegde en van tijd tot tijd
ververschte. Hij was dood-af van vermoeidheid, en had een razenden
honger, dien hij zocht te stillen met wortels, die hij niet kende
maar die hij toch at. Zoo sleepte hij zich voort, totdat hij tegen den
avond een eenzaam kamp bereikte, waar men hem gastvrij ontving. Hij was
zoo afgetobd, dat hij hun niet vertellen kon, wat hem wedervaren was;
hij verloor zijn bewustzijn. Toen hij uit zijn bewusteloozen toestand
ontwaakte, lag hij in een oud bed, en wist niet hoe hij daarin gekomen
was. Toen vernam hij, dat hij bijna veertien dagen lang in ijlende
koortsen had gelegen, en dat hij van niets anders geijld had dan van
moord, bloed, vlucht en water. Nu eerst vertelde hij zijn wedervaren,
en vernam hij, dat de cow-boy een roodharigen man ontmoet had, die
hem had gevraagd of er een vreemde in het kamp aangekomen was. De boy
had dien man vroeger eens in Colorado Springs gezien, en wist, dat hij
Brinkley heette; hij hield hem voor iemand, die niet te vertrouwen was,
en had daarom zijn vraag ontkennend beantwoord. Zoo was Engel den naam
van den moordenaar te weten gekomen, want hij vooronderstelde wel,
dat die aan hem vroeger een valschen naam opgegeven had. De wond begon
te heelen, en toen werd hij op een keer meegenomen naar Las Animas."
"Dus niet naar Pueblo," zei de opzichter; "anders zou ik, toen ik
later daar kwam, zijn spoor misschien wel gevonden hebben. Wat deed
hij vervolgens?"
"Hij verbond zich als voerman bij een handels-karavaan, die volgens
oud gebruik over den Arkansas-weg naar Kansas City ging. Toen hij
daar zijn loon ontving, had hij de middelen om zijn broeder op te
zoeken. In Russelville aangekomen, hoorde hij, dat zijn broeder van
daar vertrokken was; maar van zijn naasten buurman ontving hij een
voor hem achtergelaten brief, waarin stond, dat hij hem in Benton,
Arkansas, zou vinden."
"O, daar! En Benton is juist een der weinige plaatsen waar ik niet
geweest ben," zei Watson. "Maar hoe stond het met de teekening,
die hij bij zich droeg?"
"Die was in het water van den Orfork erg beschadigd, en Engel moest
die kopieeren. Natuurlijk vertelde hij alles aan zijn broer, en die was
volkomen bereid, om den tocht met hem te ondernemen. Ongelukkigerwijze
bleek al spoedig, dat alles wat hij had uitgestaan, niet, zooals
men gehoopt had, zonder nadeelige gevolgen zou blijven. Engel begon
te hoesten, en werd van dag tot dag in het oog loopend magerder. De
dokter verklaarde, dat hij de vliegende tering had; en acht weken na
de aankomst bij zijn broer was hij een lijk. Het lange staan in het
koude voorjaars-water had hem ten doode gedoemd."
"Dus heeft de kornel dan toch Engel's dood op zijn geweten!"
"Als hij anders maar niets op zijn geweten had! Er zijn er verscheiden
hier onder ons, die met dien veelvuldigen moordenaar een rekening te
vereffenen hebben. Maar luister, wat er verder gebeurd is! Engel,
namelijk de broer, was een welgesteld man, die zijn akker bebouwde
en bovendien een winstgevenden handel dreef. Hij had twee kinderen,
een jongen en een meisje. Het huisgezin bestond uit de ouders, die twee
kinderen en een knecht voor alles, die, wanneer het noodig was, ook het
werk van een meid deed. Op zekeren dag nu is een vreemdeling bij Engel
gekomen, die zich uitgaf voor reeder van kanaalbooten; hij vertelde
dat hij als goudzoeker fortuin gemaakt had. Bij die gelegenheid is
ter sprake gekomen, dat hij destijds een jager gekend had, die Engel
heette, en dat die óók een Duitscher was. Daarmee werd natuurlijk de
broer bedoeld; en toen is er zóóveel te vertellen geweest, dat daarmee
de gansche namiddag en de avond verliep, zonder dat de vreemdeling
aan heengaan dacht. Hij werd natuurlijk uitgenoodigd om den nacht
over te blijven, hetgeen hij na eenige plichtplegingen aannam. Op
het laatst heeft Engel ook den dood van zijn broer en de oorzaak
daarvan verteld, en de teekening uit het kleine hoekkastje gehaald
en die aan den vreemdeling laten zien. En eindelijk is men naar bed
gegaan. De ouders en de kinderen hadden hun slaapplaatsen boven in
een kamer, aan de rechter-achterzijde van het huis, de knecht in een
kamertje ook daar, maar aan de linkerzijde. Aan den gast had men de
mooie voorkamer gegeven. Beneden was alles gesloten, en Engel had de
sleutels, zooals hij iederen avond deed, mee naar boven genomen. Nu
was kort te voren het zoontje, Fred, jarig geweest, en die had voor
zijn verjaardag een tweejarig veulen ten geschenke gekregen. De
jongen had nog niet lang te bed gelegen, of hij herinnerde zich,
dat hij door al het praten en door de vele lotgevallen, die hij had
hooren vertellen, dien avond vergeten had zijn paard te voeren. Hij
stond dus weer op, en verliet, zeer zacht om niemand wakker te maken,
de slaapkamer. Beneden schoof hij den grendel van de achterdeur en
ging het erf over naar den stal. Licht mee te nemen had hij niet
noodig geoordeeld; trouwens, de lantaarn stond in de keuken, en die
was gesloten. Hij moest dus in den donker voederen, zoodat dit iets
langer duurde dan gewoonlijk. Hij was er nog niet klaar mee, toen
hij zich verbeeldde een noodkreet te hooren. Hij vloog den stal uit,
het erf op, en zag licht in de slaapkamer. Dat licht verdween, en
kwam dadelijk weer te voorschijn in het kamertje van den knecht. Daar
deed zich een verschrikkelijk leven hooren; de knecht schreeuwde om
hulp, en er kraakten meubelen. Fred vloog naar den muur, en klauterde
tegen het spalier van den druivenwingerd op naar het raam. Toen hij
daar naar binnen keek, zag hij den knecht op den vloer liggen: de
vreemdeling zat op de knieën boven op hem, hield hem met de linkerhand
bij de keel vast, en in de rechterhand hield hij een revolver, die
hij tegen het hoofd van den knecht aanhield. Er knalden twee schoten,
Fred had willen schreeuwen, maar hij had geen geluid kunnen geven. Van
ontzetting liet hij het latwerk uit zijn handen glippen, en juist toen
de schoten knalden, stortte hij van boven neer op de steenen van het
daar geplaveide erf. Hij was met zijn hoofd naar beneden gevallen,
en had zijn bewustzijn verloren. Toen hij weer tot bezinning kwam,
vroeg hij zichzelf af wat hij doen zou. De moordenaar was stellig
nog in huis, zoodat hij niet naar binnen durfde. Maar hulp moest er
komen. Hij sprong dus over de omheining, en schreeuwde zoo hard als
hij kon, ten einde de moordenaar vrees aan te jagen en van zijn ouders
af te houden, en snelde naar de woning van den dichtstbijwonenden
nabuur, wiens huis, evenals dat van Engel, een eind weegs buiten Benton
stond. De lieden daar hoorden het geroep om hulp, en kwamen al spoedig
naar buiten. Toen zij hoorden wat er gebeurd was, wapenden zij zich in
allerijl en volgden den terugsnellenden jongeling op den voet. Eer zij
echter het huis bereikten, zagen zij, dat het bovengedeelte in brand
stond. De vreemdeling had brand gesticht en zich zoo ver mogelijk uit
de voeten gemaakt. De vlammen hadden zoo snel om zich heen gegrepen,
dat er geen mogelijkheid meer bestond om naar boven te komen; wat op
de gelijkvloers-verdieping stond en lag, werd grootendeels gered. Het
hoekkastje stond opengebroken, en was ledig. De lijken, die niet meer
te bereiken waren, moest men laten verbranden."
"Afschuwelijk! IJzingwekkend!" klonk het uit aller mond, toen Droll
een oogenblik zweeg. Fred Engel zat bij het vuur, hield met beide
handen zijn gelaat bedekt, en weende.
"Ja, wel afschuwelijk, wel ijzingwekkend!" zei Droll. "Het verwekte dan
ook groot opzien en groote ontsteltenis. Er werden nasporingen gedaan
in alle richtingen, maar vruchteloos. De twee broeders Engel hadden
in St. Louis een zuster, de vrouw van een rijken rivier-reeder. Die
loofde tien duizend dollars als premie uit, voor het inhechtenisnemen
van den brandstichter-moordenaar; doch ook dat baatte niet. Toen kwam
zij op de gedachte, zich tot het particuliere detective-bureau van
Harris & Blother te wenden, en dat heeft beter gevolg gehad."
"Beter gevolg?" vroeg Watson. "De moordenaar is immers nog op vrije
voeten! Ik veronderstel natuurlijk dat het de kornel is."
"Ja, op vrije voeten is hij nog," antwoordde Droll; "maar hij is
nu toch reeds zoogoed als in de knip. Ik ben naar Benton geweest,
om daar mijn oogen een beetje beter open te doen dan anderen gedaan
hebben, en...."
"Gij? Waarom gij?"
"Om die vijf duizend dollars te verdienen."
"Het waren er immers tien duizend?"
"Ja, maar het honorarium wordt gedeeld," zei Droll. "De eene helft
krijgen Harris & Blother, de andere helft krijgt de detective."
"He, sir! zijt _gij_ dan een detective?"
"Hum! Ik geloof, dat ik hier enkel te doen heb met eerlijke menschen,
waaronder er niet één is, op wien ik later jacht zal behoeven te maken;
en daarom wil ik u nu zeggen, wat ik tot dusverre verzwegen heb: Ik
ben particulier politie-agent, en wel voor sommige districten van het
verre Westen. Ik heb reeds menigen booswicht, die zich volkomen veilig
waande, overgeleverd aan het galghout, en hoop dat nog lang te kunnen
blijven doen. Ziezoo! nu weet gij het, en nu weet gij meteen waarom
ik niet graag over mij zelf spreek. De oude Tante Droll, over wien
reeds honderden bij honderden gelachen hebben, is, als men hem kent,
volstrekt zoo belachelijk niet. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet
te pas; ik heb nu over den moord te spreken."
Had men vroeger om den naam van Tante Droll gelachen, nu zag men
hem met geheel andere oogen aan. Zijn bekentenis, dat hij detective
was gaf opheldering van al het vreemde en wonderlijke in zijn
persoonlijkheid. Hij verschool zijn ware ik achter zijn potsierlijk
uiterlijk, om zijn handen des te zekerder te kunnen uitsteken naar
dengene, dien hij wilde vatten.
"Ik wendde mij dus," vervolgde hij, "in de allereerste plaats tot Fred,
en hoorde hem uit. Zoodoende vernam ik al wat er dien avond verteld
en gesproken was. Het hoekkastje was door den moordenaar geopend. Hij
had het niet open durven breken, omdat dit waarschijnlijk de bewoners
des huizes wakker gemaakt zou hebben; hij had hen eenvoudig vermoord,
om in het bezit van die teekening te komen. Hij wilde die natuurlijk
gebruiken, en was dus voornemens, om naar het Zilvermeer te gaan. Ik
moest hem achterna, en nam Fred, die hem gezien had, en die hem dus
herkennen zou met mij mee. Reeds op de stoomboot, toen ik de tramps
zag, was ik nagenoeg zeker van mijn zaak; die zekerheid is van dag
tot dag grooter geworden, en vandaag, hoop ik, zal de dader wel in
mijn handen vallen."
"In _uwe_ handen?" vroeg de oude Blenter. "Wat denkt gij dan met hem
te doen?"
"Wat ik op dit oogenblik voor het beste zal houden."
"Gij zult hem toch niet naar Benton brengen?"
"Misschien wèl!"
"Zet dat maar gerust uit uw hoofd! Er zijn er, die vrij wat meer
recht op hem hebben dan gij. Denk maar eens aan de rekening, die ik
met hem te vereffenen heb."
"En ik!" riep de opzichter.
"En wij andere rafters ook!" klonk het van verscheiden zijden.
"Maakt u maar niet warm; want wij hebben hem nog niet!" antwoordde
Droll.
"Wij hebben hem!" beweerde Blenter. "Hij zal bepaald wel de allereerste
zijn, die in den trein klimt."
"Dat is wel mogelijk; maar ik heb nog geen buffelvleesch te eten,
of ik moet eerst den buffel geschoten hebben. Overigens is het mij
volkomen onverschillig wie hem krijgt. Ik behoef hem volstrekt niet
mee te sleepen. Als ik maar bewijzen kan, dat hij dood is, en dat ik
daartoe het mijne heb bijgedragen, ben ik zoo zeker van de premie
als mijn nachtjapon. Voor het oogenblik heb ik genoeg gesproken,
en ga een poosje slapen. Wekt mij zoodra het tijd is."
Hij stond op, om een afgelegen donker plekje te zoeken. De anderen
echter dachten aan geen slaap. Wat zij gehoord hadden, hield hen nog
lang bezig; en toen werd de ophanden zijnde ontmoeting met de tramps
een thema, dat niet uitvoerig genoeg besproken kon worden.
Winnetou nam geen deel aan dat gesprek. Hij had plaats genomen leunende
tegen de rots, en zat met zijn oogen dicht; maar slapen deed hij
volstrekt niet, want nu en dan gingen zijn oogleden open, en dan schoot
er een scherpe, uitvorschende blik uit, aan een weerlichtstraal gelijk.
Het was omstreeks middernacht, toen de twintig werklieden bij den
ingenieur kwamen, om post te vatten bij zijn huis. Old Firehand
ging Hartley opzoeken. Deze lag te bed, en sliep; maar naast hem zat
Charoy's neger, met een revolver in zijn hand. Hij had in plaats van
den gekwetste, die behoefte aan slaap had, de bewaking van de twee
tramps op zich genomen, en Old Firehand zag, dat hij in dat opzicht
volkomen gerust kon zijn. Hij ging dus terug naar den ingenieur,
en zei tegen dezen, dat hij nu den trein te gemoet zou gaan.
"Dus is nu het gevaarlijke uur gekomen!" zei Charoy. "Zijt gij toch
óók niet een beetje bevreesd, sir?"
"Bevreesd?" antwoordde de jager verwonderd. "Zou ik dan dit zaakje
uit eigen beweging op mij genomen hebben, als ik bevreesd was?"
"Of althans ongerust?"
"Ik heb maar één ongerustheid, dat de kornel mij misschien ontsnappen
zal."
"Maar het is mogelijk, ja meer dan waarschijnlijk, dat ze op u
schieten zullen."
"Nog veel waarschijnlijker is het, dat ze mij niet raken zullen. Maak
u om mijnentwil volstrekt niet ongerust, en houdt hier zoolang ik
afwezig ben, den boel maar goed in orde. Het is best mogelijk, dat
de kornel eenige kerels vooruitzendt, die moeten oppassen, dat alles
hier loopt zooals hij wenscht. Doet hij dat, dan zal hij met hen wel
een sein afgesproken hebben om hen te waarschuwen. Houd u dan volkomen
zoo, alsof er niets buitengewoons aan de hand is."
Nu riep hij de twee werklieden, die in plaats van de tramps post
moesten vatten op de locomotief, en ging met hen de baan op, zonder dat
de spionnen, indien die er waren, er iets van gewaar konden worden. De
ingenieur had gezorgd, dat die twee mannen bijna juist gekleed waren
als de beide tramps.
Het was stikdonker; maar de werklieden kenden den weg, en namen den
jager tusschen hen in. Terwijl zij dus in de richting naar Carlyle
voortgingen, prentte hij hun nog eens goed in, hoe zij zich bij al
wat er gebeuren mocht, te gedragen hadden. Zij bereikten de plek, die
telegraphisch bepaald was, en gingen daar in het gras zitten, om de
komst van den trein af te wachten. Het was nog even voor drieën toen
die aankwam en vlak bij hen stilhield. Hij bestond uit de locomotief
met tender en zes groote personen-wagens. Old Firehand stapte in,
en doorliep de rijtuigen. Zij waren ledig. In den voorsten wagen
stond een met steenen gevulde, gesloten kist. Een conducteur was er
niet bij; er waren slechts twee personen op den trein, de machinist
en de stoker. Toen Old Firehand de wagens in oogenschouw genomen
had, ging hij naar die twee, en gaf hun de noodige orders. Doch eer
hij nog uitgesproken had, viel de stoker hem in de rede, en zei:
"Een oogenblikje, sir! ik geloof niet, dat het noodig is uw verdere
bevelen te geven. Ik heb geen trek om daaraan te voldoen."
"Zoo? waarom dat?"
"Ik ben stoker en heb voor het vuur onder den ketel te zorgen;
daarvoor word ik betaald; maar ik ben niet aangesteld om mij te
laten doodschieten."
"Wie spreekt dan van doodschieten?"
"Gij natuurlijk niet, maar ik zooveel te beter."
"Er is geen mensch, die aan schieten zal denken."
"Goed! dan zullen zij steken of slaan; dat komt precies op hetzelfde
neer. Of ik doodgeschoten, gestoken of geslagen of gewurgd word,
dat is alles zoo wat eenerlei. Op geen van al die manieren wensch ik
mijn post te verlaten."
"Maar hebben uw superieuren u dan niet bevolen, te doen wat wij u
hier zullen voorschrijven?"
"Neen; dat kunnen zij niet. Ik heb een vrouw en een huishouden
met kinderen en doe mijn plicht. Met de tramps te gaan vechten, dat
behoort volstrekt niet tot mijn bezigheden. Men heeft mij gezegd, dat
ik tot hier moest meerijden, en dat ik hier zou vernemen wat er van
mij verlangd wordt. Of ik genegen ben om dat te doen, dat hangt geheel
af van mijzelf, en nu heb ik er toevallig hoegenaamd geen trek in."
"Is dat bepaald uw besluit?"
"Ja."
"En gij, sir?" vroeg Old Firehand aan den machinist, die het geheele
gesprek aangehoord had zonder iets te zeggen.
"Ik verlaat de locomotief niet," antwoordde de brave, onvervaarde man.
"Maar ik voel mij verplicht u opmerkzaam te maken, dat u door een of
ander onvoorzien voorval toch wel een ongeluk overkomen kan."
"En u niet, sir?"
"O ja, dat spreekt vanzelf."
"Welnu wat gij durft wagen, zonder er verplicht toe te zijn, moet
ook ik durven wagen, omdat het een staaltje van mijn plicht is."
"Bravo! gij zijt een flinke vent. De stoker kan op zijn gemak naar
Sheridan gaan, en daar onze terugkomst afwachten; ik zal zijn plaats
wel innemen."
"_Well_, dan ga ik maar heen, en wensch u een goeden afloop," prevelde
de stoker, terwijl hij zich verwijderde.
Old Firehand klom met de twee werklieden op de locomotief, en gaf
nogmaals nauwkeurig zijn orders aan den machinist; daarop maakte hij
zijn gezicht zwart met roet. Nu zag hij er in zijn linnen pak precies
als een stoker uit. De trein zette zich in beweging.
De wagens waren naar Amerikaansch model gemaakt. Men moest er van
achteren in den achtersten wagen inklimmen, om in de voorste wagens te
komen; ze waren natuurlijk verlicht. De locomotief was een zoogenaamde
tender-machine, en omringd met hooge, stevige wanden van dik blik, ter
beschutting tegen weer en wind. Dat was in dit geval zeer gelukkig,
want die wanden verborgen de op de locomotief staande personen bijna
geheel en al en bezaten genoeg weerstandsvermogen om pistool- en
geweerkogels er op te doen afstuiten.
De trein bereikte al spoedig Sheridan, en hield daar stil. Er was
niemand anders op het perron dan de ingenieur; hij wisselde met den
machinist de gebruikelijke vragen en antwoorden, en liet toen den
trein verder gaan.
Intusschen waren de twee spionnen, die Old Firehand op de hoogte
van het talud beluisterd had, ter plaatse aangekomen, waar de kornel
zich met de tramps bevond. Zij berichtten hem, dat in Sheridan geen
sterveling eenig vermoeden had van hetgeen er gebeuren zou, hetgeen
groote vreugde veroorzaakte. Toen echter namen zij den kornel ter
zijde, en deelden hem de vrees mee, die zij reeds tegen elkander
uitgesproken hadden. Hij hoorde hen bedaard aan, en zei toen: "Wat
gij mij zegt, weet ik al. Het komt niet in mij op, al die kerels, die
meerendeels geen knip voor den neus waard zijn, bij mij te houden, en
evenmin kan het in mij opkomen, aan hen, die ik niet noodig heb, een
enkelen dollar van dat halve millioen af te staan--zij krijgen niets!"
"Dan zullen zij nemen wat zij hebben willen."
"Dat moet gij afwachten. Ik heb mijn plan."
"Maar zij zullen elkander bijna dooddringen, om maar het eerst in
den trein te komen."
"Dat begrijp ik! Ik ben er zeker van, dat zij den trein zullen
bestormen; maar ik blijf buiten staan, en wacht, totdat de kas uit
den wagen gehaald wordt. Als de trein dan weg is, zullen wij wel zien
wat er gebeurt."
"Hoe staat het dan met ons beiden?"
"Gijlieden blijft bij mij. Doordien ik u naar Sheridan gezonden
heb, heb ik bewezen, dat ik u mijn vertrouwen schenk. Gaat nu naar
Woodward. Die kent mijn plan, en zal u de namen noemen van hen,
die ik van plan ben bij mij te houden."
Zij voldeden aan dat verlangen, en legerden zich bij den genoemde,
die zoowat den rang van luitenant onder den kornel bekleedde. Alles
lag nog in duisternis gehuld; toen het uur begon te naderen, werd er
op zij van de baan een vuur aangemaakt. De tramps vermoedden niet,
dat dit uur zoo laat in den nacht gekozen was tot hun verderf. Om
drie uur was het nog donker; maar toen de trein Eagle-tail bereikte,
brak de morgenstond aan, zoodat men goed kon mikken.
Omstreeks kwartier over drieën hoorden de wachtenden veraf het
rollen van den trein, en kort daarop zagen zij de felle lichten van de
machine. Old Firehand hield het vuurgat gesloten, zoodat hij en de drie
andere personen niet duidelijk gezien zouden kunnen worden. Nauwelijks
honderd passen van het vuur af, gaf de machinist, als gehoorzaamde
hij aan een plotselingen dwang tegenstoom. De stoomfluit gilde,
de wielen krasten en steunden; de trein kwam tot staan.