De kerel uitte daar een argwaan, die niet in den wind geslagen mocht

worden. Old Firehand begreep, dat de machine daar niet moest blijven

staan. Het was een gewone kleine locomotief voor bouwmateriaal, met

wagens er aan vastgehaakt, waarin doorgaans de baan-aarde vervoerd

werd. In die wagens moesten de werklieden overgebracht worden. Daarmee

kon nu niet gewacht worden tot omstreeks middernacht; maar, om den

argwaan van den tramp te verschalken, diende dit hoe eer hoe beter

te gebeuren. Old Firehand kroop dus achteruit, en sloop naar het huis

van den ingenieur, aan wien hij meedeelde wat hij gehoord had.

"_Well!_" zei deze, "dan dienen wij hen dadelijk weg te sturen. Maar

de spionnen zullen hen in de wagens zien klimmen."

"Neen. Wij zullen aan de werklieden bevel geven weg te sluipen,

en even voorbij de bocht, die de weg maakt--dat is ongeveer een

kwartier gaans--moeten zij aan den kant van den weg blijven wachten

tot de ledige trein komt, die hen zal opnemen. Daar het geluid van de

stoomfluit zoo ver niet doordringt, en de baan een kromming maakt,

zullen de spionnen niet kunnen hooren en ook niet kunnen zien, dat

de trein daar stilhoudt."

"En hoeveel man houd ik hier?"

"Twintig zijn voldoende, om uw huis te beschermen en de twee gevangenen

te bewaken. Uw maatregelen kunnen in een half uur genomen zijn; dan

vertrekt de bouw-trein. Ik sluip weer naar de spionnen om te hooren

wat zij zeggen."

Al spoedig lag hij weer achter de twee tramps, die nu niet met

elkander spraken. Hij kon evengoed als zij het terrein overzien,

en gaf zich alle moeite om eenige beweging onder de bewoners te

ontdekken, doch tevergeefs. De werklieden verwijderden zich zoo in

het geheim en voorzichtig, dat de spionnen er hoegenaamd niets van

bespeurden. Overigens waren de lichten, die in de woonverblijven en

hutten brandden, ten eenenmale ontoereikend om de daarbuiten liggende

ruimten zoo te verlichten, dat men de gestalten van menschen duidelijk

zou hebben kunnen onderscheiden.

Daar zag men een lantaarn, die een hel schijnsel wierp, uit het huis

van den ingenieur op de rails aankomen. De drager van die lantaarn

riep, zoo luid dat het ver in het rond duidelijk verstaan kon worden:

"De leege bouw-trein naar Wallace af! Men heeft de wagens dáár noodig."

Het was de ingenieur, die deze woorden riep. Hij was, zonder een wenk

van Firehand ontvangen te hebben, zelf zoo scherpzinnig geweest na

te denken, op welke wijze hij het best de achterdocht van den spion

kon ontgaan. Hij had daarom een afspraak gemaakt met den machinist,

en deze antwoordde even luid: "_Well_, sir! Blij dat ik eindelijk weg

kan, en niet langer mijn kolen voor niet behoef te verbranden. Hebt

u in Wallace nog iets te doen?"

"Neen dank je! De ingenieur zal denkelijk zijn kaartje zitten te

spelen, als gij daar aankomt. Zeg hem goedennacht van mij. En nu:

_Good road_ (= goede reis)!"

"_Good night_, sir!"

Eenige keeren schril gefluit van de stoomfluit, en de trein zette

zich in beweging. Toen het geraas er van niet meer te hooren was,

zei de eene spion tegen den anderen:

"Weet gij nu, waaraan gij u met die locomotief te houden hebt?"

"Ja, nu ben ik gerust. Die brengt leege wagens naar Wallace, die men

daar noodig heeft. Mijn achterdocht is ongegrond geweest. Trouwens,

alle argwaan is hier onzin. Het plan is zóó goed aangelegd, dat het

bepaald gelukken moet. Wij konden eigenlijk nu al wel opkrassen."

"Neen. De kornel heeft order gegeven, dat wij hier moeten blijven

tot van nacht twaalf uur, en daaraan hebben wij te gehoorzamen."

"Nu, óók goed! Maar als ik hier tot twaalf uur moet zitten te

koekeloeren, begrijp ik niet waarom ik al dien tijd mijn oogen open

zou moeten houden. Ik ga lekker een dutje doen."

"Ik ook; dat is het verstandigst. Later zal er niet veel tijd, en

misschien ook niet veel trek zijn om rust te nemen."

Old Firehand maakte schielijk dat hij wegkwam; want de twee spionnen

stonden op om een plaatsje te zoeken, waar zij hun uiltje zouden kunnen

knappen. Hij zocht den ingenieur op, om hem een pluimpje te geven over

de manier, waarop hij den bouwtrein had laten vertrekken, en beiden

begaven zich in huis, waar zij onder een glas wijn en het rooken van

een sigaar het uur verbeidden, waarop zij moesten opbreken. Er waren

nu nog twintig baanwerkers hier gebleven, en dat was overvoldoende,

want vijandelijkheden had men hier niet te wachten.

De overige werklieden waren, overeenkomstig de hun gegeven bevelen,

weggeslopen. Buiten Sheridan wachtten zij op elkander, en begaven

zich toen gezamenlijk naar het hun aangeduide punt. Daar bleven

zij wachten tot die trein kwam, die hen opnam, en die hen naar den

Eagle-tail bracht, waar hij halt hield. Dat de tramps zouden kunnen

bespieden wat er nu zou gebeuren, was onmogelijk; want zij waren van

daar reeds opgebroken. En de rivier noodzaakte hen bij hun rit op

zulk een afstand van de spoorlijn te blijven, dat zij niets gewaar

konden worden van hetgeen daarop voorviel.

Old Firehand had met zijn geoefenden scherpen blik een bijzonder

geschikt terrein uitgekozen. De spoorweg moest over een rivier, die

daar tusschen hooge oevers aan weerszijden doorliep. Daartoe was er

een hulpbrug gelegd, voorzien van de noodige spoorstaven, die aan de

overzijde terstond aansloten aan de lijn door een tunnel van omstreeks

zeventig meters lengte. Eenige schreden vóór die brug stopte die trein,

die niet, zooals de twee spionnen gedacht hadden, louter uit de ledige

wagens bestond: de twee achterste wagens waren volgeladen met droog

hout en met kolen. Nauwelijks was de trein tot staan gekomen, of

uit de rondom heerschende duisternis van den nacht kwam een klein,

dik kereltje, die er uitzag als een vrouw, op de locomotief aan,

en vroeg met een schel fluitstemmetje aan den bestuurder: "Wat komt

gij nu reeds hier doen, sir? Brengt gij misschien de werklieden nu al?"

"Ja," antwoordde de gevraagde, terwijl hij de zonderlinge gestalte,

die juist in het schijnsel van het vuur stond, verwonderd opnam van

het hoofd tot de voeten: "Maar wie zijt gij?"

"Ik?" lachte het dikke ventje. "Ik ben Tante Droll."

"Een tante! Sapper de malle mosterdpot! Wij hebben hier wat anders

te doen, dan praatjes te maken met vrouwen en oude tantes!"

"Nu mijn goede man! maak u maar zoo dik niet: dat is niet goed voor

uw zenuwen. Tante ben ik maar voor bijzaak; dat zullen ze u later

wel vertellen. Op wiens last komt gij nu reeds hier?"

"Op last van Old Firehand, die twee door de tramps afgezonden spionnen

beluisterd heeft. Die zouden argwaan gekregen hebben als wij pas later

afgereden waren, zooals eerst het plan was. Behoort gij tot de lieden

van dien beroemden master?"

"Ja, maar ga maar niet drossen van angst; het zijn altemaal oomes:

de eenige tante, die er bij is, ben ik."

"O neen, _miss_ of _mistress_! Bang voor u ben ik volstrekt niet. Maar

waar zijn de tramps nu?"

"Die zijn weg; ruim drie kwartier geleden zijn zij opgebroken."

"Dus dan kunnen wij nu het hout en de kolen lossen?"

"Ja. Laat uw mannen weer instappen; en ik, ik kom bij u op de

locomotief staan, om u de noodige wenken te geven."

"Gij? Wenken geven aan mij? Gij zijt toch niet benoemd tot commandant

van dit legerkorps?"

"Ja, dat ben ik juist, als gij het niet kwalijk neemt. Ziezoo! hier

ben ik. Nu laat gij uw ijzeren paard langzaam over de brug loopen,

en dan zoo stoppen, dat de kolenwagens aan den ingang van den tunnel

te staan komen."

Toen Droll "Ziezoo, hier ben ik" zei, was hij meteen in een oogwenk

op de locomotief geklommen. De werklieden, die toen de trein stopte

uitgestapt waren moesten nu weer instappen. De machinist keek het

dikke kereltje nog eens aan met een blik, die duidelijk verried, dat

het hem moeite kostte om aan de voorschriften van die twijfelachtige

tante te gehoorzamen.

"Nu, hoe zit het er mee?" vroeg Droll gebiedend.

"Zijt gij dan werkelijk de man wiens bevelen ik te volbrengen heb?"

"Ja. En als gij dat niet oogenblikkelijk doet, zal ik het u leeren. Ik

heb geen trek, om tot op den jongsten dag hier op de brug te blijven

plakken."

Hij trok zijn bowie-mes, en richtte het op de maagstreek van den

machinist.

"Verduiveld, gij schijnt een lastige kitteloorige tante te zijn,"

riep deze uit. "Maar juist nu gij uw mes trekt moet ik u niet voor

een bondgenoot, maar voor een tramp houden. Kunt gij mij bewijzen

wie gij zijt?"

"Praat toch geen verderen onzin," antwoordde de dikzak, nu op een zeer

ernstigen toon, terwijl hij het mes weer in zijn gordel schoof. "Wij

bevinden ons aan de overzijde, achter den tunnel. Dat ik de brug over

en u tegemoet gekomen ben moet u toch bewezen hebben, dat uw komst

mij bekend was, en dat ik dus niet tot de tramps kan behooren."

"Ja, nu geloof ik u. Wij zullen voortrijden."

De trein ging de brug over en reed zóó ver den tunnel in, dat de twee

achterste wagens daarbuiten bleven staan. Nu sprongen de werklieden

weer er uit, en losten den inhoud van een der stortwagens. Daarop

reed de trein verder, den tunnel door, zoodat de nog volgeladen

wagen vóór den uitgang van den tunnel leeggestort kon worden. Die

stortwagens zijn zoo ingericht, dat, terwijl het onderstel met de

wielen op den grond blijft staan, de daarop rustende bak neerduikelt,

den inhoud leegstort, en dan weer in zijn vorigen stand teruggebracht

kan worden. De werklieden stapten uit, om voor en achter den tunnel

de kolen en het hout zoo op te stapelen, dat alles gemakkelijk aan

het branden gemaakt kon worden, en dat de spoorstaven niet beschadigd

konden worden door het vuur. De machinist stoomde nog een eind weegs

verder, stopte toen, en reed vervolgens terug.

Zijn wantrouwen was nu geheel verdwenen. Wat hij zag, verschafte hem de

zekerheid, dat hij zich in het goede gezelschap bevond. De tunnel was

door een hooge rots geboord, waarachter een vuur brandde, dat beneden

in het rivierdal, waar de tramps gebivakkeerd hadden, niet gezien

kon worden. Rondom dit vuur hadden de rafters zich geschaard en al de

anderen, die met Old Firehand naar Eagle-tail waren gekomen. Rechts

en links van de vlam waren twee boomstammen ingeheid, die van boven

uitliepen in de gedaante van tweetandige vorken, waarin een lange,

stevige ijzeren stang, met kolossale stukken buffelvleesch er aan,

bij wijze van braadspit rondgedraaid werd. Toen de trein door den

tunnel kwam, waren alle mannen opgestaan, om de aankomende werklieden

te begroeten.

"Nu, gelooft gij nu, dat ik geen tramp ben?" vroeg Droll aan den

machinist, toen die van de locomotief afkwam en insgelijks op het

vuur aantrad.

"Yes, sir!" knikte deze. "Gij zijt een eerlijk man!"

"En een goed mensch ook! Dat zal ik u dadelijk bewijzen, want ik noodig

u allen ten eten. Wij hebben een vette buffelkoe geschoten, en gij

zult eens proeven hoe goed die smaakt, gebraden _à la prairie_. Wij

hebben er met ons allen overvloedig aan, en ik hoop, dat uw mannen

spoedig klaar zullen zijn met hun werk, om gezamenlijk met ons te

kunnen aanzitten."

Het duurde dan ook niet lang meer, of men begon zich te goed te doen

aan het malsche vleesch. Voor de meesten echter was er geen plaats bij

het vuur. Er hadden zich verscheiden groepjes gevormd, welke bediend

werden door de rafters, die zich de gastheeren voelden. Behalve de

buffelkoe was er nog een goede hoeveelheid klein wild, zoodat er, in

weerwil van het groot aantal der baanwerkers, toch nog eten genoeg was.

Vroeger, voordat de trein gerangeerd werd en de ingenieur aan den

opzichter het bevel kwam brengen om op te breken, had hij hem nog

gezegd: "Old Firehand heeft mij opgedragen u mee te deelen, als

gij iets naders wenscht te vernemen aangaande dien master Engel, uw

vroegeren kameraad, wend u dan tot zekeren Mr. Pampel, een Duitscher,

dien gij onder de rafters zult vinden."

"Kent die hem? Weet die iets van hem?"

"Hoogstwaarschijnlijk wel, want anders zou Old Firehand u niet aan

hem geadresseerd hebben."

Watson herinnerde zich dat, en spitste nu zijn ooren, of hij ook

aan de Duitschachtige uitspraak van een der rafters kon hooren, of

die wellicht Mr. Pampel zijn kon. Het duurde niet lang of hij had

hen hooren spreken; maar hij had er niet één gehoord, die niet het

echte Yankee-Engelsch sprak. De opzichter besloot dus, regelrecht

naar zijn man te vragen. Hij was een der weinigen, die bij het vuur

plaats gevonden hadden. Naast hem zat Tante Droll en Humply-Bill. Hij

wendde zich tot den laatstgenoemde: "Sir! houd mij een vraag ten goede:

Weet gij ook, of zich een Duitscher onder ulieden bevindt."

"O ja," antwoordde Bill. "Zelfs verscheidenen."

"Is het tóch waar? Wie dan, bij voorbeeld?"

"Wel in de allereerste plaats is Old Firehand zelf een Duitscher. En

dan kan ik onze dikke Tante noemen, die naast u zit; en vlak over ons

zit óók nog een Duitscher, Zwarte Tom. Misschien is ook de kleine

Fred, dien gij daar naast hem ziet zitten, onder de Duitschers mee

te rekenen."

"Hum! Wien ik zoek, is onder de aangeduiden niet."

"Zoo! Wien zoekt gij dan?"

"Een zekeren Mr. Pampel."

"Pam--pam--pam--pampel?" riep Bill, terwijl hij uitbarstte in een

schaterend gelach. "_Heavens!_ Wat een naam is dat? Wie kan zulk

een naam over zijn lippen krijgen. Pam--pam--pam--hoe was het ook al

weer? Ik dien het woord nog eens te hooren, eer ik het nazeggen kan."

"Mr. Pampel," herhaalde de opzichter; en nu begonnen allen luidkeels

met Humply-Bill mee te lachen.

Het woord deed de ronde van de eene groep naar de andere, en lokte

overal een uitbundig gelach uit, zoodat er weldra op de gansche

verzamelplaats niet één ernstig gezicht meer te zien was. Niet een? O,

ja wel! Droll's gelaat was onbeweeglijk gebleven. Hij had een groot

stuk lendevleesch van den buffel genomen, sneed groote stukken

daarvan af en stak die in zijn mond en kauwde met zooveel ijver en

onverdeelde aandacht, alsof hij noch den naam, noch het schaterende

lachen hoorde. Toen dit laatste eindelijk tot bedaren kwam, liet de

stem van Bill zich weer hooren: "Neen, sir! Gij zijt bepaald verkeerd

ingelicht; er is niemand onder ons, die Pampel heet."

"En Old Firehand heeft het mij laten zeggen," antwoordde Watson.

"Dan hebt gij stellig den naam niet goed verstaan of niet goed

onthouden. Ik ben overtuigd, dat ieder onzer zich liever een kogel

door den kop zou jagen, dan zich door zulk een naam belachelijk te

maken. Zijt gij dat niet met mij eens, oude Tante?"

Droll hield even op met kauwen, en antwoordde: "Een kogel? Dat zou

niet in mij op kunnen komen."

"Dat kunt gij gemakkelijk zeggen, omdat gij geen Pampel maar Droll

heet. Maar als dit zoo was, ben ik overtuigd, dat gij niet onder de

menschen zoudt gaan."

"Maar ik ben immers onder de menschen gegaan?"

Hij zei dit met zulk een bijzonderen nadruk, dat Bill hem van ter zijde

eens aankeek, en toen vroeg: "Dus gij, gij lacht niet om dien naam?"

"Neen. Ik doe dat niet, om den kameraad, die zich in ons midden

bevindt, en die werkelijk dien naam draagt, niet te beleedigen."

"Wat? Wat zegt gij? Bevindt die Pampel zich werkelijk onder ons?"

"Zeer zeker."

"Verduiveld! Wie is het dan?"

"Ik ben het zelf."

Nu sprong Bill overeind, en riep: "Gij, gij zelf zijt die

Pam--pam--pam!"

Hij kon van den lach niet verder; en de anderen bezaten zoo weinig

zelfbeheersching, dat het gelach opnieuw algemeen was. Niet weinig

werd de vroolijkheid verhoogd, doordien Droll volkomen ernstig

bleef en zoo uitsluitend verdiept in het smakelijk verorberen van

het buffelvleesch, dat hij door bleef kauwen, alsof het gelach en

de oorzaak daarvan hem volstrekt niet aangingen. Maar toen hij zijn

laatste stukje vleesch opgepeuzeld had, stond hij op, keek flink om

zich heen, en riep zoo, dat iedereen hem verstaan kon: "Messieurs! nu

moet de pret uit wezen. Geen mensch kan helpen welken naam hij draagt;

en wie den mijne belachelijk vindt, mag mij dat nu zeggen in ernst,

en dan zijn mes nemen, om eventjes met mij op zij te gaan in den

donker. Dan zullen wij zien wie van ons beiden dan nog lacht!"

Er volgde een diepe stilte.

"Maar, Droll!" zei Humply-Bill vriendelijk, "wie kon denken, dat

_gij_ zoo heet! De naam is inderdaad een beetje potsierlijk. Maar

wij hebben u niet willen beleedigen, en gij moet mij vergeven wat

ik gezegd heb--dat verzoek ik u dringend--ik heb er spijt van. Kom,

kom maar weer bij mij zitten."

"_Well_, dat zal ik doen. Haatdragend ben ik volstrekt niet; want

ik weet zelf dat het woord een beetje pampelig klinkt. Maar nu gij

weet, dat het mijn naam is, hoop ik, dat gij mij verder ongemoeid

zult laten."

"Natuurlijk! Dat spreekt vanzelf. Maar waarom hebt gij ons dat tot nu

toe verzwegen? Gij zijt over het geheel iemand, die over zijn vroeger

leven niet graag spreekt."

"Niet graag spreekt? Wie zegt dat? Ik denk zeer graag terug aan den

tijd uit mijn vroegere jeugd; maar ik heb nog nooit gelegenheid gehad

om er over te spreken."

"Dan moet gij dat nu in zien te halen. Van ons allen weet gij wat

wij zijn en wat wij geweest zijn. Wij hebben gedurende den rit allen

vertrouwelijk met elkander omgegaan, en de een kent dus den andere

op een prik; maar van en over u alleen weten wij niets, zoogoed

als niets."

"Omdat het ook niets te beduiden heeft, wat ik te vertellen zou

hebben. Trouwens, mijn geboorteplaats is reeds bekend."

"Ja, Langenleuba in het Altenburgsche. Wat was uw vader daar? Mogen

wij dat weten?"

"O ja, waarom niet!" antwoordde Droll met een glimlachje. "Die was

meer, veel meer, dan de vader van menig ander geweest is. Wij hebben

tot morgenochtend drie uur op de tramps te wachten; er is dus nog

tijd in overvloed, om u met al zijn ambten en waardigheden bekend

te maken. Hij was klokkenluier, kelderknecht, koster en doodgraver,

doopmaals-, bruilofts- en begrafenis-nooder, zeisenslijper, koddebeier

en sergeant-majoor bij de burgerwacht. Daar hebt gij alles."

Men keek hem uitvorschend aan, om te ontdekken of hetgeen hij zei

scherts was of ernst.

"Gij kunt mij gerust gelooven!" verzekerde hij. "Dat alles is

hij werkelijk en warendig geweest; en wie de toestanden in mijn

geboorte-land kent, weet nu meteen, dat mijn vader een doodarme drommel

was en toch in weerwil daarvan, geacht en geëerd werd door zijn

medeburgers. Wij waren met ons twaalven, en hebben er allesbehalve

vet van gesopt, om eerlijk door de wereld te komen en aan ieder het

zijne te geven. Later zal ik wel eens vertellen....."

"Een oogenblik!" viel de opzichter hem in de rede. "Gij voldoet aan

den wensch van de anderen, sir! maar _ik_ ben degene, die naar u

gevraagd heeft. Old Firehand heeft mij uw naam opgegeven...."

"Ja, hij was de eenige, die wist, dat ik zoo heet."

".....omdat ik van u te weten zou kunnen komen," vervolgde Watson,

"wat er geworden is van uw landsman Engel."

"Engel? Welken Engel bedoelt gij?"

"Den jager en vallen-opzetter, die hoog in het gebergte geweest is,

aan het Zilvermeer."

"O, die? Meent gij dien?" vroeg Droll met zichtbare bevreemding. "Hebt

gij hem gekend?"

"Ja, en zeer goed ook. Leeft hij nog?"

"Neen, hij is dood."

"Weet gij dat stellig?"

"Ja, zeer stellig. Waar hebt gij hem leeren kennen?"

"Juist daarboven aan het Zilvermeer. Daar hebben wij een geheelen

winter moeten doorbrengen, want wij zaten er ingesloten door de

sneeuw....."

"Is uw naam dan Watson?" viel Droll hem in de rede.

"Ja, sir! zoo heet ik."

"Watson, Watson! Hoe toevallig! Of neen er bestaat geen toeval! Het

is een bestiering van het Opperwezen! Ik heb u nog nooit van mijn

leven gezien, master! en toch ken ik u reeds evengoed als ik mijn

eigen zak ken."

"Heeft iemand dan over mij tegen u gesproken? Wie is dat geweest?"

"De broeder van uw kameraad Engel. Ziehier! Die jongeling heet Fred

Engel; hij is de neef van uw lotgenoot aan het Zilvermeer, en is met

mij op reis getogen, om den moordenaar van zijn vader te zoeken."

"Is zijn vader dan vermoord?" vroeg Watson, terwijl hij den jongeling

zijn hand toestak en hem vriendelijk toeknikte.

"Ja, en dat eenvoudig om een teekening, die...."

"Alweer een teekening!" viel de opzichter hem in de rede. "Kent gij

den moordenaar? Dat is stellig de roodharige kornel!"

"Ja, die is het, sir! Maar...... die had ook u vermoord, heette het."

"Slechts gewond, sir! slechts gewond. De steek had gelukkig mijn

hart niet geraakt. Maar ik zou stellig door het zware bloedverlies

gestorven zijn, als er niet een ruiter gekomen was, een Indiaan,

die mij verbond en mij toen naar andere Roodhuiden bracht, bij wie

ik blijven mocht totdat ik hersteld was. De ruiter, mijn redder,

is de beroemdste man onder de Indianen en heet....."

Eensklaps zweeg hij; midden in zijn volzin brak hij af, richtte

zich langzaam op, en staarde naar de rots als iemand, die een

bovennatuurlijk visioen heeft. Van de rots kwam met langzame schreden

Winnetou af, die op verkenning was geweest.

"Daar komt hij aan, daar komt hij aan, Winnetou, de hoofdman der

Apachen!" riep de opzichter uit: "Hij is daar, hij is hier! Wat een

geluk! Winnetou! Winnetou!"

Hij snelde op den hoofdman aan, greep zijn handen, en drukte die

aan zijn hart. De Apache keek hem goed in zijn gezicht, en terwijl

diens eigen gelaat in een zachte plooi kwam door een vriendelijk

glimlachje, antwoordde hij: "Mijn blanke broeder Watson! Ik ben bij

de krijgslieden der Timbabatsj geweest, en heb van hen vernomen,

dat gij geheel hersteld en naar den Mississippi gegaan waart. De

goede Manitou moet u zeer liefgehad hebben, dat hij uw wond heeft

laten heelen, want die was veel erger, dan ik u heb durven zeggen,

om u niet ongerust te maken. Ga zitten, en vertel mij eens hoe het

u verder gegaan is tot op den dag van heden."

Er was er niet één, die dacht, dat het nu noodiger was aan de tramps

te denken, dan naar het verhaal te luisteren van de wederwaardigheden

en lotgevallen van den opzichter. Wat Winnetou deed, was stellig

goedgedaan; als hij de aandacht van de eigenlijke hoofdzaak--de

aanwezigheid van zulk een talrijken troep vijanden--afleidde, en die

vestigde op één persoon--den opzichter--dan moest hij daarmee zijn

goede oogmerk hebben en moest hij, die op verkenning was uit geweest,

volkomen overtuigd zijn, dat men volkomen veilig was, en dat men

gerust over iets anders kon spreken dan over de tramps.

Natuurlijk waren allen nieuwsgierig naar het verhaal van een man, wien

Winnetou het leven gered had; en men had wel een speld op den grond

kunnen hooren vallen, toen Watson nu al zijn wedervaren vertelde juist

zooals hij het aan Old Firehand en den ingenieur verteld had. Toen hij

alles verhaald had, wachtte hij geen minuut met de vraag: "En gij,

master Droll, weet gij mij nu te zeggen wat er van mijn kameraad

geworden is?"

"Ja, dat weet ik u te zeggen," antwoordde de dikke. "Er is een lijk

van hem geworden."

"Dus heeft de kornel hem vermoord?"

"Neen, maar wel gekwetst, juist als u; en aan die wond is de arme

drommel gestorven."

"Vertel, vertel, sir!"

De schat in het Zilvermeer · 第 25 / 51 段