komen in dat alledaagsche zelfde koekoek-éénzang!" zei hij. "Mijn oude
geweer heeft al zoolang in een hoek gestaan en er zoo reikhalzend naar
verlangd om weer eens een verstandig woord te mogen spreken. Ik denk,
dat het vandaag wel gelegenheid daartoe vinden zal. Maar heb ik u goed
verstaan? De naam, dien gij mij genoemd hebt, komt mij niet onbekend
voor, sir! De roodharige kornel? En noemde u hem niet Brinkley? Ik
heb eens een Brinkley ontmoet, die valsch haar droeg, dat rood was;
maar zijn natuurlijk haar was donker van kleur. Die ontmoeting heeft
mij bijna mijn leven gekost."
"Waar en wanneer is dat geweest?" vroeg Old Firehand.
"Dat is twee jaar geleden; het was hooger op, aan den Grand River. Ik
was met een kameraad, een Duitscher, die Engel heette, boven aan
het Zilvermeer geweest; wij wilden naar Pueblo, en dan over den
Arkansas-weg naar het Oosten, om daar de noodige werktuigen en
gereedschappen te halen voor een onderneming, die ons millioenen had
kunnen inbrengen."
Old Firehand luisterde met alle aandacht.
"Heette die man Engel?" vroeg hij. "Een onderneming, die u millioenen
had kunnen inbrengen? Mag ik ook iets naders daarvan weten?"
"O ja, waarom niet? Wij beiden hadden elkaar wel de stiptste
geheimhouding beloofd; maar de millioenen zijn op niets uitgedraaid,
doordien het plan nooit tot uitvoering gekomen is. En daarom, dunkt
mij, ben ik niet langer tot geheimhouding verplicht. Het betrof,
namelijk, het ophalen van een verbazenden schat, die in het water
van het Zilvermeer verzonken ligt."
De ingenieur liet een kort, ongeloovig lachje hooren. Daarom vervolgde
de opzichter; "Het moge ongelooflijk klinken, sir! maar niettemin
is het waar. Gij, Mr. Firehand! zijt een der beroemdste Westmannen,
en zult heel wat beleefd en ondervonden hebben, dat, indien u het
vertellen wilde, niemand zou willen gelooven. Misschien zult gij
althans niet lachen om hetgeen ik vertel."
"Dat kan niet in mij opkomen," antwoordde de jager op een ernstigen
toon. "Ik ben gaarne bereid u wel degelijk te gelooven; daartoe heb
ik mijn goede redenen. Ik heb zelfs voor de vaste waarheid gehoord,
dat er op den bodem van het meer een schat bedolven ligt."
"Is het tòch waar! Nu, dan zal ik ten minste niet door u voor iemand
gehouden worden, die zich alles laat wijsmaken, of die anderen
sprookjes zoekt te vertellen. Ik zou er, dunkt mij, een eed op durven
doen, dat die schat er werkelijk ligt. De man, die het mij verteld
heeft, kan niet gelogen hebben."
"Wie was dat dan?"
"Een oude Indiaan. Ik heb nog nooit een tweede gezien zoo stok-,
stok-oud. Het was letterlijk een levend geraamte, zoo was hij
uitgeteerd, en vertelde ons zelf dat hij ver, ver over de honderd
zomers doorleefd had. Hij noemde zich Hawi-kolakatho, maar deelde ons
eens in vertrouwen mee, dat zijn naam eigenlijk Itatsjitatli was. Wat
die Indiaansche namen beteekenen weet ik niet."
"Maar ik weet het wel," zei Old Firehand. "De eerste naam behoort tot
de Tonkawa-taal, de tweede tot de taal der Azteken, en de beteekenis
van beide namen is dezelfde, namelijk: de groote vader. Vertel verder,
Mr. Watson! Ik ben uiterst verlangend om van u te hooren, hoe gij
met dien Indiaan in kennis gekomen zijt."
"Wel, dat is eigenlijk niets bijzonders of avontuurlijks. Ik had mij
in den tijd verrekend, en was te lang in de bergen gebleven, zoodat ik
door de eerste sneeuw overvallen werd. Ik moest dus boven blijven en
hier of daar een plaats trachten te vinden, waar ik, zonder van den
honger om te komen, zou kunnen overwinteren. Ik, moederziel alleen,
rondom ingesneeuwd, dat was me een toestand! Gelukkig kwam ik nog tot
aan het Zilvermeer, en ontwaarde daar een steenen hut, uit welke rook
opsteeg; toen was ik gered. De bewoner van die hut was de bedoelde
oude Indiaan. Hij had een kleinzoon en een achterkleinzoon, genaamd
de Groote Beer en de Jonge Beer, die...."
"O, Nientropan-hawi en Nientropan-homosj?" viel Old Firehand hem in
de rede.
"Juist, dat waren hun namen in het Indiaansch. Kent gij die twee, Sir?"
"Ja. Maar vertel verder, vertel verder!"
"De twee Beren waren naar de Wazatej-bergen gegaan, en moesten dus daar
het voorjaar afwachten. Door het vroege invallen van den winter was
het een volslagen onmogelijkheid voor hen, door de massa's sneeuw heen
te komen, en van daar naar het Zilvermeer. Zij verkeerden natuurlijk
in de grootste ongerustheid over den ouden man; want zij wisten niet
beter of hij was daar moederziel alleen, zoodat hij onvermijdelijk zou
moeten omkomen. Gelukkig vond ik, toen ik bij hem kwam, reeds een ander
daar, die ook de wijk in zijn hut genomen had, namelijk den straks
reeds genoemden Duitscher, die Engel heette. Doch ik zal het maar een
beetje kort maken: wij besloten dat wij met ons drieën den ganschen
winter maar bij elkander zouden blijven. Voor hongerlijden behoefden
wij niet bang te zijn: er was wild in overvloed. Maar de koude had
den ouden man zóó aangepakt, dat nauwelijks de eerste zachtere dagen
gekomen waren, of wij moesten hem begraven. Hij had ons lief gekregen,
om ons zijn dankbaarheid te toonen, deelde hij ons het geheim mede
van den schat in het Zilvermeer. Hij was in het bezit van een zeer
oud leder, waarop een nauwkeurige afbeelding de plaatsen aanwees,
waar de schat bedolven lag, en hij vergunde ons een kopie daarvan
te maken. Toevallig had Engel papier bij zich, want anders hadden
wij er met geen mogelijkheid een kopie van kunnen maken, en het stuk
leder wilde de oude man ons niet geven: dat bewaarde hij voor de twee
Beren. Op den dag waarop hij stierf, heeft hij het kort voor zijn
dood begraven; maar waar, dat weten wij niet; en uit eerbied voor
zijn nagedachtenis hebben wij er ook niet naar willen zoeken. Toen
hij onder zijn grafheuvel lag, zijn wij van daar vertrokken. Engel
had de kopie-teekening in zijn jachtbuis genaaid."
"Dus hebt gij niet op de terugkomst van de twee Beren gewacht?" vroeg
Old Firehand.
"Neen."
"Dat is zeer verkeerd van u geweest."
"Dat zal ik niet tegenspreken; maar wij hadden maandenlang in de sneeuw
gezeten, en waren verlangend om weer menschen te zien. Nu, wij kwamen
dan ook al spoedig onder menschen; maar welke? Wij werden door een
troep Utah-Indianen overvallen en letterlijk van alles beroofd. Zij
zouden ons ook stellig vermoord hebben; maar zij kenden den ouden
Indiaan, die hoog bij hen in eere stond; en toen zij hoorden, dat
wij ons het lot van den ouden man aangetrokken en hem na zijn dood
begraven hadden, schonken zij ons het leven, gaven ons althans onze
kleeren terug, en lieten ons verder ongemoeid onzen weg gaan. Maar onze
wapens behielden zij, waarmee zij ons eigenlijk een grooten ondienst
deden, daar wij zonder wapenen aan allerlei gevaren blootstonden,
tot zelfs aan het gevaar van honger om te komen, uit gebrek aan
voedsel. Gelukkigerwijze, of beter gezegd ongelukkigerwijze, troffen
wij den derden dag een jager aan van wien wij wat vleesch kregen. Toen
hij hoorde dat wij naar Pueblo wilden, gaf hij voor dat hij ook daar
naar toe ging; en hij vergunde ons, ons bij hem aan te sluiten."
"Was dat de roodharige Brinkley?"
"Ja. Hij noemde zich wel anders; maar ik ben later te weten gekomen,
dat hij zóó heette. Hij hoorde ons uit, en wij vertelden hem alles;
alleen de bijzonderheden van den schat en van de kopie-teekening, die
Engel bij zich had, verzwegen wij hem; want zijn uiterlijk boezemde
ons eigenlijk niet veel vertrouwen in. Het is misschien gek van mij,
maar ik heb altijd een soort van afkeer gehad van menschen met rood
haar, ofschoon mijn gezond verstand mij zegt, dat zich onder die
lieden waarschijnlijk niet meer schurken bevinden dan onder anderen,
wier hoofd met haar van een andere kleur begroeid is. Overigens heeft
onze geheimhouding ons niet veel gebaat. Daar hij alleen wapentuig
had, ging hij dikwijls uit om te jagen, en dan zaten wij, Engel
en ik, alleen, en spraken wij bijna over niets anders dan over den
schat. Op zekeren dag is hij tersluiks teruggekomen, en heeft ons
gesprek afgeluisterd. Toen hij den volgenden morgen weer uitging om
vleesch te maken, zei hij tegen mij, dat ik met hem mee moest gaan,
want dat vier oogen meer zagen dan twee. Na verloop van een uur toen
wij ons ver genoeg van Engel verwijderd hadden, zei hij mij, dat hij
alles afgeluisterd had, en dat hij ons de kopie-teekening zou afnemen,
om ons te straffen voor ons wantrouwen. Meteen trok hij zijn mes,
en viel op mij aan. Ik verweerde mij als een wanhopige, maar dat was
tevergeefs; hij stiet mij het mes in de borst!"
"Schandelijk!" riep Old Firehand. "Zijn plan was, om vervolgens ook
Engel te vermoorden, en zoodoende alleen in het bezit van het geheim
te komen."
"Juist. Gelukkig had hij mij niet in mijn hart getroffen, maar zich
toch verbeeld, dat ik dood was. Toen ik weer tot bezinning kwam,
lag ik naast een grooten plas bloed op de knieën van een Indiaan,
die mij gevonden had. Dat was Winnetou, de hoofdman der Apachen."
"Wat een geluk! Toen was u in goede handen. Die man schijnt overal
te zijn!"
"In goede handen was ik, dat is waar. De Roodhuid had mij reeds
verbonden. Hij gaf mij water; en ik moest hem, zoo goed als mijn
zwakte toeliet, vertellen wat er gebeurd was. Daarop liet hij mij
alleen liggen, en ging het voetspoor van Brinkley na. Toen hij
ruim twee uur later terugkwam, vertelde hij mij hoe hij gevaren
was. De moordenaar was regelrecht teruggegaan, om ook Engel van kant
te maken. Deze had echter, doordien Brinkley mij medegenomen had,
achterdocht gekregen, en was ons achternagegaan. Wat er nu gebeurd was,
dat zeiden de sporen duidelijk. Hij had het beoogde moordbedrijf van
verre gezien; maar hij was te ver van mij af, en de moordenaar was zóó
snel te werk gegaan, dat hij den tijd niet gehad had, om mij te hulp
te snellen. Hij begreep zeer goed, dat hij nu zelf in gevaar was;
en geheel ongewapend zijnde, vond hij het raadzaam, om zonder een
oogenblik te verliezen te vluchten. Toen Brinkley mij vervolgens voor
dood liet liggen en terugkeerde, vond hij het spoor van den gevluchte,
en ging dien achterna. Maar Engel is hem toen toch ontkomen, zooals
ik later gehoord heb."
"Ja, hij is het ontkomen," knikte Old Firehand.
"Hoe?" vroeg de opzichter. "Weet gij dat, sir?"
"Ja; maar daarover later. Vertel eerst maar verder."
"Winnetou was op een rit naar het noorden. Hij had geen tijd, om
zich weken lang met mij bezig te houden, en hij bracht mij in een
legerplaats der Timbabatsj-Indianen, met wie hij op een vriendelijken
voet stond. Die hebben mij verpleegd tot ik geheel hersteld was,
en toen brachten zij mij naar de dichtstbij gelegen nederzetting,
waar ik op de menschlievendste wijs ontvangen werd, en alle mogelijke
hulp vond. Ik heb daar een halfjaar lang allen bedenkelijken arbeid
verricht, ten einde zooveel te verdienen, dat ik in staat was om naar
het oosten te komen."
"Waar wilde u dan naar toe?"
"Naar Engel. Ik ging uit van de vooronderstelling, dat hij ontkomen
was. Ik wist, dat hij in Russelville, Kentucky, een broeder had,
dien wij van plan geweest waren op te zoeken, om daar de noodige
toebereidselen te maken voor onzen tocht naar het Zilvermeer. Toen ik
daar aankwam hoorde ik, dat die broeder naar den Arkansas vertrokken
was, maar geen mensch wist mij te zeggen naar welke plaats. Bij zijn
buurman had hij een brief achtergelaten voor zijn broer, als die
naar hem mocht komen vragen. En die was dan ook werkelijk gekomen,
en had den brief in ontvangst genomen, waarin natuurlijk wel de nieuwe
woonplaats opgegeven was. Daarop was Engel vertrokken; en de buurman
was sedert dien tijd gestorven. Ik ging dus naar Arkansas; en ik heb
den ganschen staat doorzocht, maar tevergeefs. Doch in Russelville had
Engel het avontuur verteld en mijn moordenaar Brinkley genoemd. Hoe
en waardoor hij dien naam te weten gekomen was, is mij onbekend. Nu
weet gij alles, messieurs! wat ik u te vertellen had. Als het met
dien naam Brinkley is zooals ik vermoed, dan zal het een genot voor
mij wezen, als ik dien schobbejak in mijn handen krijg. Ik geloof,
dat ik met pleizier de rekening met hem vereffenen zal."
"Er zijn er meer, die datzelfde plan hebben," merkte Old Firehand
aan. "Maar een ding is mij nog niet duidelijk. Gij hebt daarstraks
gezegd, dat het roode haar van dien Brinkley valsch haar was. Hoe
kunt gij dat weten?"
"Dat is zeer eenvoudig. Toen hij mij aanviel en ik mij verweerde, greep
ik hem bij zijn kop. Ik zou hem stellig op den grond getrokken hebben
en overwinnaar gebleven zijn, als de scalp op zijn kop vastgezeten
had; maar ik hield het losse pruikje in mijn hand. Van dat vluchtige
oogenblik mijner verbazing maakte hij gebruik, om mij het mes in de
borst te stooten. Zijn eigen haar, zooals ik nog zien kon, was donker."
"_Well!_ Er valt niet aan te twijfelen; gij hebt te doen gehad met den
roodharigen kornel. Het gansche leven en streven van dien kerel schijnt
een aaneenschakeling te zijn van misdaden en moorden. Wij willen hopen,
dat het ons van nacht gelukt, daaraan voorgoed een einde te maken."
"Dat hoop ik van ganscher harte met u. Maar gij hebt mij nog niet
gezegd hoe wij ons bij den ophanden zijnden aanval verweren moeten."
"Dat behoeft gij nu nog niet te weten. Gij zult het vernemen zoodra
het tijd is. Voorloopig hebben de werklieden zich rustig te houden;
zij kunnen er zich op voorbereiden, dat zij van nacht niet veel zullen
slapen. Ook moeten zij vooral hun wapenen in orde brengen. Nog vóór
middernacht moeten zij plaats nemen in een trein, die hen naar de
plaats der ontknooping zal brengen."
"_Well_, sir! dan begrijp ik, dat ik verder niets meer behoef te
vragen. Uw bevelen zullen stipt ten uitvoer gebracht worden."
Toen de opzichter zich verwijderd had, vroeg Old Firehand aan den
ingenieur, of hij niet een paar werklieden had, die, wat lichaamsbouw
en voorkomen betrof, eenigszins geleken op de twee gevangen tramps,
en die moed genoeg zouden hebben om op de locomotief de plaats van
de twee tramps in te nemen. Charoy dacht een oogenblik na, en zond
toen zijn neger uit, om de twee personen te halen, die hij voor die
taak het geschiktst achtte.
Toen zij kwamen, zag Old Firehand terstond, dat de keus van den
ingenieur vrij gelukkig uitviel. Wat grootte en vorm der gestalten
betrof geleken zij vrij wel op de twee gevangenen; en wat het gelaat
betrof, liet het zich voorzien dat in de nachtelijke duisternis
niemand het onderscheid zou opmerken. Het eenige dat nog een
bezwaar kon opleveren, was: dat het stemgeluid niet al te veel moest
verschillen. Daarom nam Old Firehand de twee werklieden mee naar de
kamer van Hartley, en nam voor de leus de twee tramps nog even in het
verhoor. De twee werklieden werden daardoor in staat gesteld om de
stemmen der gevangenen te hooren en die zoogoed mogelijk na te bootsen.
Toen dit alles afgeloopen was, besloot de jager nu eens op verkenning
uit te gaan, om zich te vergewissen of de roodharige kornel wellicht
verspieders uitgezonden had. Hij verliet het huis, en zocht op
de manier der Westmannen den ganschen omtrek af. Dit geschiedde
natuurlijk naar dien kant, van waar dergelijke lieden komen moesten,
dus in de richting naar dien kant van Eagle-tail.
Als een ervaren jager iemand besluipen wil, zonder te weten waar die
zich bevindt, gaat hij niet aan het zoeken in het honderd, maar hij
overlegt bij zich zelf, waar die persoon, de gegeven omstandigheden
goed overwogen, hoogst waarschijnlijk zijn oponthoud gekozen zal
hebben. Zoo deed ook Old Firehand. Indien er verspieders gekomen
waren, bevonden zij zich in allen gevalle op een plaats, van waar
de nederzetting der werklieden bij nacht met het minste gevaar en
toch voldoende kon worden gadegeslagen. En zulk een plaats was er op
slechts geringen afstand van het huis van den ingenieur. Men had het
terrein moeten afgraven, en dientengevolge verhief zich vlak naast
het spoor een vrij steil opgaand talud, op welks hoogste punt eenige
boomen stonden. Van daar naar beneden had men het beste overzicht
terwijl men er gedekt was door de boomen. Zoo ergens, dan moesten de
spionnen daar gezocht worden.
Old Firehand wist ongezien aan den anderen kant tot aan den voet van
die kleine hoogte te komen, en kroop toen behoedzaam naar boven. Zoodra
hij daar aankwam, zag hij, dat zijn veronderstelling juist was. Onder
de boomen zaten twee mannen, die zoo zacht met elkander spraken, dat
zij beneden noch gehoord noch gezien konden worden. De stoutmoedige,
onverschrokken jager naderde hen tot op korten afstand. Hij had
hen met beide handen kunnen grijpen. Dat hij zich zoo dicht in hun
nabijheid durfde wagen, was te danken aan zijn grijze linnen kostuum,
dat in de duisternis niet te onderscheiden was van de kleur van den
grond. Het was hem echter niet te doen om hen onschadelijk te maken,
maar integendeel om te hooren wat zij zeiden. Ongelukkigerwijze
was er in hun gesprek juist een pauze ingetreden; en het duurde een
goede poos, eer een der twee zei: "Hebt gij bijgeval iets gehoord
van hetgeen er gebeuren moet als wij hier klaar zijn?"
"Neen, niets met zekerheid," was het antwoord.
"Er gaan allerlei praatjes; maar het ware, geloof ik, weet niemand,
of althans slechts zeer weinigen."
"De kornel is over het geheel niet erg spraakzaam, en vertrouwt om
zoo te zeggen niemand. Als er zijn, die zijn eigenlijk plan kennen,
zijn het stellig slechts de weinigen, die reeds vóór ons bij hem
geweest zijn."
"Bedoelt gij Woodward, die met hem aan de rafters ontsnapt is? Nu,
die schijnt met u nog al op een vertrouwelijken voet. Heeft die u
niets gezegd?"
"Onbestemde aanduidingen, anders niet."
"Maar uit aanduidingen kan men toch gevolgtrekkingen afleiden."
"Zeer zeker. Zoo maak ik, bij voorbeeld, uit zijn woorden op, dat de
kornel geen plan heeft, om onzen geheelen troep bijeen te houden. Zulk
een talrijke menigte is hem voor zijn verdere plannen hinderlijk. Waar
veel varkens zijn is de spoeling dun, zegt het spreekwoord. Ik denk
dat hij er de besten zal uitpikken, en dat hij met die keurbende
eensklaps verdwijnen zal."
"Verduiveld! Zouden al die anderen om den tuin geleid worden?"
"Hoe zoo om den tuin geleid?"
"Wel, als de kornel met de weinigen, die hij bij zich behouden wil,
morgen verdwijnt?"
"Dat zou volstrekt geen kwaad kunnen. Ik zou er zelfs blij om zijn."
"Zoo! En ik hoop maar, dat hij zoo iets niet doen zal."
"Heb ik ooit zulk een ezelskop gehoord! Ik dacht niet, dat je zoo
onnoozel was."
"Hoe zoo dat?"
"Het spreekt immers vanzelf, dat wij, gij en ik, niet onder de velen
zullen behooren, die om den tuin geleid worden, en die op hun duim
zullen kunnen fluiten."
"Hebt gij daar eenig bewijs van? Zoo niet, dan zal ik mijn oogen goed
openhouden, en desnoods alarm maken."
"Het beste bewijs voor hetgeen ik zeg is, dat hij u met mij naar hier
heeft gezonden."
"Wat beduidt dat?"
"Zulk een opdracht wordt slechts aan bruikbare mannen gegeven, op wie
men zich verlaten kan. Door ons te kiezen om hier een oog in het zeil
te houden heeft hij ons het allerbeste bewijs van zijn vertrouwen
gegeven. Wat volgt daaruit? Als hij werkelijk plan heeft een der
onzen van zich af te schudden, dan zullen wij niet daartoe behooren,
maar in elk geval tot hen, die hij meeneemt."
"Hum! Die redeneering is zoo kwaad nog niet en stelt mij eenigszins
gerust. Maar als gij denkt, dat ik mee onder de uitverkorenen behooren
zal, waarom laat gij mij dan in het onzekere, en zegt gij mij niet,
wat gij door Woodward van zijn plannen weet?"
"Omdat ik er zelf het rechte ook nog niet van weet. Zooveel heb ik
er echter van begrepen, dat er een tocht ondernomen zal worden naar
hoogerop, het gebergte in."
"He! Het gebergte in?"
"Hum! Ik weet niet of het wel raadzaam is daarover te spreken, maar aan
u wil ik het toch vertellen. Daar, veel hoogerop, heeft in overoude
tijden een zeker volk gewoond--de naam is er mij van ontschoten. Dat
volk is of naar het zuiden getrokken of ze hebben het uitgeroeid, nadat
het van te voren verbazende schatten in het meer heeft laten zinken."
"Gekheid! Wie schatten bezit, neemt die mee als hij naar elders
verhuist."
"Maar ik zeg u immers, dat het best mogelijk is, dat ze dat volk
uitgeroeid hebben."
"Waar bestaan die schatten in? In geld?"
"Dat weet ik niet. Ik ben geen geleerde, en kan dus niet zeggen, of
vroegere volken reeds geld gemunt of banknoten gedrukt hebben. Zulke
banknoten, trouwens, zouden thans natuurlijk hoegenaamd geen waarde
meer hebben. Woodward heeft mij gezegd, dat het een heidensch volk
geweest is, dat verbazende tempels bezat, met afgodsbeelden van gedegen
goud en van massief zilver en ontelbare dito dito gewijde vaten. En
al die rijkdom ligt bedolven in het Zilvermeer, dat daarnaar zijn
naam draagt."
"Moeten wij dat meer dan leegdrinken, om al die kostbaarheden op den
bodem te vinden?"
"Praat toch niet zulken onzin! De kornel zal wel weten hoe hij daarmee
aan moet. Hij moet in het bezit zijn van een teekening, waarop de
plaatsen, waar die schatten liggen, nauwkeurig zijn aangeduid."
"Zoo? En waar ligt dat Zilvermeer?"
"Dat weet ik niet. Daar zal hij niet mee voor den dag komen, denk ik,
voordat hij bepaald heeft wie hij meenemen wil. Het spreekt vanzelf,
dat hij zijn geheim en zijn plannen nu niet lang van te voren gaat
uitbazuinen."
"Neen, dat spreekt. Maar het ding zal nog al gevaarlijk zijn,
vrees ik."
"Hoe zoo dat?"
"Wel, door de Indianen."
"Pshaw! Er wonen daar maar twee Roodhuiden, de kleinzoon en de
achterkleinzoon van dien Indiaan, van wien de teekening afkomstig
is. En die twee zijn met twee looden knikkers van de baan geknikkerd."
"Als dat zoo is, dan verandert de zaak natuurlijk. Ik ben nog nooit
heel hoog het gebergte in geweest, en moet mij dus op hen verlaten,
die er verstand van hebben. Maar in de allereerste plaats, dunkt mij,
hebben wij nu te denken over de onderneming, die op dit oogenblik
voor de deur staat. Zou die gelukken, denkt gij?"
"O, daar is geen twijfel aan! Zie maar eens hoe rustig alles
daarbeneden is. Geen mensch daar zal op de gedachte komen, dat wij,
gij en ik, hier zitten en wat er eigenlijk broeit. En twee van onze
oolijkste en geslepenste snuiters zijn reeds hier, om het noodige
voorwerk te verrichten. Er valt dus aan geen mislukken te denken."
"_Well!_ Als dat werkvolk nu maar zoo wijs is, zich niet met de zaak
te bemoeien; zij zouden ons anders dwingen, van onze geweren gebruik
te maken."
"Daar is volstrekt geen nood voor, want zij weten niets hoegenaamd van
hetgeen er op til is. De trein komt hier aan, houdt vijf minuten stil,
en rijdt dan weer door. Een uur gaans van hier brandt ons vuur. Daar
zetten onze twee kameraden, die op de locomotief staan, den machinist
de revolver op de borst en dwingen hem om te stoppen. Wij omsingelen
den trein; de kornel stapt er in, en neemt...."
"Wacht even!" viel de andere hem in de rede. "Wie stapt den trein
in? De kornel alleen misschien, of althans met slechts weinigen,
en stoomt dan op zijn gemak vooruit, en laat een poos later weer
stoppen. Dan stapt hij den trein uit, neemt het halve millioen mee,
en verdwijnt. Al de anderen zitten hier op hun neus te kijken en
hebben niets. Neen, neen! zoo gaat dat niet aan."
"Wat verbeeldt gij u dan?" hernam de andere gemelijk. "Ik heb u immers
gezegd, als de kornel werkelijk dat in zijn schild voerde, dat wij,
gij en ik, dan onder diegenen zouden behooren, die mee mochten in
den trein."
"Als gij dat zoo voor zeker houdt, wil ik het gelooven, en zal ik het
afwachten; maar ik heb ook gehoord wat anderen zeggen. Men vertrouwt
den kornel niet; en ik ben overtuigd, als de trein stilhoudt, dat
dan eensklaps allen elkander zullen verdringen om er in te komen."
"Nu, mij is het wèl! Ik zou geen kameraad willen benadeelen om mij zelf
te verrijken, en ik zal den kornel waarschuwen, dat hij dat niet moet
probeeren. Als er in dat Zilvermeer zulke verbazende schatten voor
ons te halen zijn, is het onnoodig onze kameraden hier oneerlijk te
behandelen. Wat wij hier op den kop tikken, moeten wij deelen; en als
ieder zijn part heeft, kan de kornel uitzoeken, wie hij wil meenemen
naar het gebergte. En daarmee afgepraat! Ik zou nu wel graag weten
wat die locomotief moet, die daarbeneden staat, het vuur brandt onder
den ketel; dus staat die klaar om af te rijden. Maar waar naar toe?"
"Het is misschien de probeer-machine, die veiligheidshalve vóór den
geldtrein uitgezonden zal worden."
"Neen. Die zou niet zoo lang van te voren klaar staan. De trein komt
immers pas om drie uur van nacht. Het is met die machine niet kausjer;
ik zou wel eens willen weten wat ze daarmee voor hebben."