precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief
en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor
onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel
moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en
oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen
de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te
doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om
aan tegenweer te denken."
"Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons
allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik
hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen."
"Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat
onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid,
en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het
waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had
ik dan ook al de dollars alleen."
"Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke
gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk
maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald
zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten
te spelen?"
"Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat
achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen
brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt
niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet
of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet
mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden."
"Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met
een brief stuur...."
"Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?" viel de klerk hem in de
rede. "Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik
weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het
huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven,
en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg."
"Goed!"
"Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen,
waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te
loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben;
er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij
gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten
minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een
regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij
legt er een steen boven op--daar zal niemand erg in hebben."
"Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet
te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen."
"Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen,
of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten
moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten
zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan
komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar
eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik,
dat ik het daar vinden kan. Begrepen?'
"Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?'
"Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het
plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want
anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is
geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!"
De ander zei ook "goedennacht", en spoedde zich weg. Het raam werd
zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en
schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te
klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem:
"Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur."
"Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!"
Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk
geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem
alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak
uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander
gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen.
Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor
hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer
moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer;
maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het
moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken,
en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was,
en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt
was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch
dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan
het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen,
dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist
afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte
zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer
dat over zijn schouder hing.
"He, Humply-Bill!" zei hij op een toon van bevreemding. En ter
opheldering liet hij er op volgen: "Er is stellig onverwachts iets
bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop,
dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo
te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan
u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij."
De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill
het huis binnen.
"Neem mij niet kwalijk sir!" zei hij. "Ik lees daar op dat bord,
dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?"
"O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen."
Hij bracht hem in Old Firehand's kamer, die den kleine ontving met de
vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. "Wees
gerust, sir! het is geen doodwond," antwoordde Bill. "Misschien is
het integendeel iets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij
dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik
ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op
een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid
naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan
hebben opgemerkt."
"Goed!" knikte Old Firehand. "En wat is er gebeurd?"
"Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u
bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote
blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden
man in hun midden te zien...."
"Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig
niet heel goed verscholen?"
"Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij
juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen
zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats
van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden,
begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets
af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet
terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde,
maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets
wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken
ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de
nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon
wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet:
er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van
hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten
en dol maakte van blijdschap."
"Aha, Faller!"
"Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen
dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden."
"Dat is richtig."
"Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik,
waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter
meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat
hij naar hen toe is, om het hun te vertellen."
"Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een
deel van ons plan."
"Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop
besloten is?"
"Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te
weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn."
"Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten,
want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van
uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond
wel te hooren was. Faller heeft een slecht paard, en zal dus stellig
pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat
Winnetou mij naar u toe gezonden heeft."
"Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij
weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij
onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel
meedeelen."
Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop
men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill
luisterde aandachtig, en zei toen: "Uitstekend sir! Ik denk dat alles
precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben
het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één
kleinigheid na."
"En dat is?"
"De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te
Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein
altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel,
dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein
te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de
schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun
bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten
afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen
op de openliggende lijn te stoppen."
"Weet gij ook waar?"
"Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den
weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen
de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten
worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?"
"Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke
gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot
een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee
spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer
in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden
post moeten vatten?
"Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug."
"Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan
volgt de rest vanzelf."
Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin
maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar
Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de
bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere
plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken,
en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was.
Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan,
inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En
een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den
ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog,
en deze hield zich even bij de regenton op.
"Ontvang hem op uw kantoor," zeide Old Firehand, "en houd hem daar aan
den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen,
dat hij terugbrengt."
De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen
gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij
zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die
tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte;
hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De
inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij
vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam
toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den
ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn
linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand
op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg:
"Weet gij wie ik ben, master Faller?"
"Neen," was het antwoord.
"Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen
gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?"
Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver
uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde
om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: "Wees zoo goed,
sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is;
maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug."
De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een
stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig
touw, aan de leuning van den stoel vast.
"Sir?" sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit;
"wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!"
"Zwijg!" gebood de jager, meteen de revolver grijpende. "Als ik uw
geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u
een kogel door den kop!"
De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer
bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem,
om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan,
maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield
zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou
kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag
het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar
van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl
van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende
schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde.
"Master Haller! wilt gij even binnenkomen?" vroeg hij hem.
De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het
gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare
verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn
kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde
zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem
verried van zijn inwendige ontroering. "Wat is dat voor een papier,
dat gij daar in uw zak gestoken hebt?" vroeg Old Firehand.
"Een oud winkelzakje," antwoordde de tramp.
"Zoo? Laat het mij eens even zien!"
De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: "Hoe komt het in u
op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet
ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas
over mijn eigen zak, geloof ik."
"Gij kent hem wel degelijk," viel de ingenieur in de rede. "Het is
Old Firehand!"
"Old Fire...." riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste
lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn
wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht.
"Ja, ik ben het!" bevestigde deze. "Hier hebt gij mij stellig niet
verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig
meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!"
Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten,
eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver,
die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier.
"Sir!" vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; "met welk recht
behandelt gij mij zoo?"
"In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een
eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier
als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn
bevoegdheid aan mij opgedragen."
"In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets
onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een
dief behandelt?"
"Als een dief? _Pshaw!_ Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het
betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een
moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein,
waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer
zou worden."
"Sir! versta ik u wel goed?" riep de kerel met een goed gehuichelde
verbazing. "Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?"
"Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd
moet worden."
"Door wien dan?"
"Door u!"
"Door mij?" En de tramp schoot in den lach. "Neem mij niet kwalijk,
Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel
alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers,
een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn."
"Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en
ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij
behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen
hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van
Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein
wilden halen."
Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de
nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van
iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: "Van al die
dingen weet ik niemendal."
"En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af
te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten."
"Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!"
"Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat
hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander
gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord
voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de
roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik
weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps
hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in
den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de
spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet,
om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen,
om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen."
"Sir!" stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst
te verbergen, "als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan
zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden,
waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben
een eerlijk mensch, en....."
"Zwijg!" gebood Old Firehand. "Een eerlijk mensch moordt niet!"
"Wilt gij daarmee zeggen, dat _ik_ gemoord heb?"
"Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende
dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel
vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief
noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor
den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk
te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?"
"Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen," stotterde
de tramp.
"Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij
geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den
pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de
armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden."
Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te
ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem
terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig
vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller
van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht,
waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die
hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep:
"Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den
armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?"
"Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in
handen krijgen!" antwoordde Old Firehand. "De kerels ontkennen alles!"
"Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden
op doen. Ik hoop, dat _mijn_ woord geloofwaardiger is dan het hunne?"
"Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebben
bewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden
hebben!"
"Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?"
"Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar
afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen."
Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter
inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals
Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds
aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer;
zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon.
Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten,
die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag,
en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige
kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten
gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder
of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht
konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet
onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een
geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten,
als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken.
Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen
gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet
meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en
daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds
door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het
station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar
moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt,
waar die zou worden overgenomen.
Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace,
dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden,
om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen.
TIENDE HOOFDSTUK.
AAN DEN EAGLE-TAIL. [2]
De baanwerkers te Sheridan waren meerendeels Duitschers en Ieren. Zij
wisten van al het hiervoren verhaalde nog niets hoegenaamd, daar het
zich wel liet vermoeden, dat de kornel twee of meer verspieders zou
uitzenden, om hen gade te slaan, en die dan allicht uit de gebaren van
het werkvolk konden opmaken en raden, dat men gewaarschuwd was. Toen
echter het uur van uitscheiden dien avond op de komst was, deelde de
ingenieur aan zijn _Overseeer of the workmen_ (= opzichter over het
werkvolk) het noodige mee, en droeg hem de taak op, om zonder veel
opzien te verwekken de werklieden er bekend mee te maken en hun op
het hart te drukken, dat zij zich vooral moesten houden alsof zij
van niets wisten, dat de spionnen, die misschien zouden komen, geen
argwaan konden krijgen.
De opzichter was iemand uit New-Hampshire en had een zeer bewogen
leven achter den rug. Aanvankelijk voor het bouwkundige vak bestemd,
was hij daarin dan ook geen geruimen tijd werkzaam geweest, doch
had het niet tot zelfstandigheid daarin kunnen brengen, waardoor
hij naar een ander middel van bestaan had omgezien, waarin voor een
Yankee geen schande steekt. De fortuin was hem echter ook toen niet
gunstig geweest, waarom hij aan het Oosten vaarwel had gezegd en den
Mississippi overgestoken was, ten einde daar zijn geluk te beproeven,
doch alweer met hetzelfde ongunstige gevolg. Nu eindelijk had hij
hier te Sheridan zijn tegenwoordige betrekking gevonden, waarin hij
van zijn vroeger opgedane kundigheden partij kon trekken; maar ook
hier voelde hij zich niet tevreden. Voor ieder, die eens de lucht
der prairie en van het oerwoud ingeademd heeft, zal het moeilijk,
zoo niet onmogelijk wezen, weer aan een geregelde levenswijs te wennen.
Deze man, die Watson heette, was uitermate in zijn schik, toen hij
hoorde wat er gebeuren zou.