"Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de

tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken

te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen

uitgezonden spionnen met u gesproken hebben."

"Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben."

Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een

ander gevoelen was, en zei: "Ieder krijgsman kan op tweeërlei

manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of

verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich

verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller,

zekerder en ook dapperder."

"Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel

niet weten?" vroeg Old Firehand.

"Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman

der Apachen zich laten dwingen om naar _hun_ plan te werk te gaan,

indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne

te regelen?"

"O, gij hebt dus reeds een plan?"

"Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot

uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan

hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd

voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet

doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als

ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?"

"Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?"

"Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen

om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen,

is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in

den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee

in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen,

in het minst of geringst gemoeid hebben."

"O, nu begin ik het te begrijpen!" sprak Old Firehand. "Welk een

plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw

bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?"

"Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet

hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan,

en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken."

"Hen in een trein lokken?" vroeg de ingenieur. "Waar zou dat toe

dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op

den beganen grond.

"Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten,"

hernam Old Firehand. "Stormen zij daarentegen den trein in, zooals

ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zich

_moeten_ overgeven, zonder ons te kunnen schaden."

"Maar zij zullen den trein niet ingaan!"

"Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas."

"Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?"

Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur

niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging

met de hand; doch Old Firehand antwoordde: "Wie denkt er aan, dat

van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er

geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als

klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen

schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin

een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander

verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens,

dan gaat het _full speed_ (= met vollen stoom) voort met hen."

"Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk

als gij denkt."

"Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen

trein te uwer beschikking?"

"O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid

zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins

aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij

kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker

zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet

aan te twijfelen."

"_Pshaw!_ Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker

speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan

daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De

bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij

niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag

aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar

toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen

slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels

zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken,

want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt

gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?"

"Natuurlijk."

"Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet

zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen

verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand

ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen

kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken."

De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: "Gij

spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar

mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken

wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En

hoe krijgen wij hen er in?"

"Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat

gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid."

"Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens

te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den

trein te doen ontsporen?"

"Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt,

dat er aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve

altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan

zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het

maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een

schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door

vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur

uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik

gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij

geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt

een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord

kunnen hooren, dat er gesproken wordt."

"Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand

te spreken?"

"Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm

uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de

tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk

mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte

eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen

blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendsel _niet_ aan het

werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te

kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren

wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer

de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij

rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen,

en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp

zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk

houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar

aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien,

dat alles naar wensch gaat!"

"Howgh!" bevestigde de Indiaan. "Mijn blanke broeders kunnen nu een

geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als

zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal."

"Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?"

"Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie."

"Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan

gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die

bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens

beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante

Droll is óók bij hen."

"Oef!" riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een

vroolijke plooi kwam. "Die Tante is een ferm, dapper en verstandig

bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken."

"Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen

vinden: Zwarten Tom, Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen,

wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in

mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen."

Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje

aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om

er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen,

waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad

gehouden kon worden; want die lieden mochten nog niet weten,

dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de

inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de

voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de

stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over

den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam

weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was.

De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht

doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet

ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen

werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte

plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte

hij tevreden, en zei: "Dat is goed! De honden zullen sidderen van

angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in

onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen

en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden."

Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het

huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden.

De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen

betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of

men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens

de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel

aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte.

Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar

die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere

mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee

bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het

kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen

van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den

ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles

ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was.

De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen

binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de

een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van

zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk:

"Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe

maakt hij het?"

Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en

antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen,

die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte

nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming

was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn

duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en

zei toen: "Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan,

dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie,

dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom

zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk;

maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook

vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt

gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?"

"Sir!" antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die

blij is, "probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden

over mij zult wezen."

"_Well_, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu

nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in

weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te

beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer

volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur

terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier

bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te

schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld,

dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok

tien slaat 's avonds, wordt mijn deur gesloten."

"Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het

tot nu toe gewend geweest," verzekerde de man, die zichtbaar verheugd

was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij:

"Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou

u ook voor hem misschien eenig werk hebben?"

"Wat soort van werk?"

"Om het even wat, sir!" antwoordde de andere bescheiden. "Ik zal al

blij zijn, als ik maar _iets_ te doen krijg."

"Hoe is uw naam?"

"Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem

aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt."

"Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op

elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op

elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller?

"Ik ben lang _cow-boy_ (= koeien-hoeder) geweest op een boerderij

hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven,

dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij

kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen

boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn

hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop

toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken

om te werken, als u mij eenig werk geven wilt."

"Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf

dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens

aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!"

De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande

raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond,

hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen

den andere zei: "_All right_ (= alles in orde)! Als het einde zoo

mooi is als het begin...."

Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen,

en zei: "Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij

niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal

hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand

in een doek.'

"Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom

hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?"

"Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als

dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien,

en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden."

"Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal

toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met

anderen te houden."

Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het

tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek

tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden

uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde,

maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den

slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger

bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen,

dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan.

Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een

vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland,

ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij

wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van

den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te

voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was

zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon.

Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde

hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen

voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van

een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken

en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de

voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord

worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid

in acht te nemen.

Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de

nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de

nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante

van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open.

"Ezelskop!" bromde fluisterend een gemelijke stem; "maak dat licht

toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan."

"Een ezelskop, die het mij zegt!" antwoordde de klerk. "Waarom komt

gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug."

"Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?"

"Ja, en wat goeds ook!"

"Zoo?"

"Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden

kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze

u zien zullen."

Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van

het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien

nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar

dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman

is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals

gemeenlijk wanneer men wacht, ging zeer langzaam om; maar hij _ging

toch om_. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal

nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in

stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer

openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn

kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak

van voetstappen op den grond.

"Faller!" fluisterde de klerk uit het raam naar beneden.

"Ja," was het gefluisterde antwoord.

"Waar staat gij? Ik zie u niet."

"Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam."

"Is alles donker in huis?"

"Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch

meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?"

"Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te

steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist

gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een

dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op

dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars;

en dat loont de moeite niet."

"En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij

dat dan gedroomd?"

"Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij

niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal

honderd duizend dollars er in!"

"Gekheid!"

"Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van

overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar

dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn."

"Weet ge dat zeker?"

"Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle

ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog

beter te vertrouwen dan zich zelf."

"Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?'

"Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt."

"Is het tòch waar?"

"En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan."

"Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?"

"Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te

Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen

ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan

nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven."

"En die daartoe aangewezen ambtenaar, zult _gij_ dat zijn?"

"Ja. En _gij_ moet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met

mij mee."

"Hoe zoo dat?"

"De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij

moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen,

kreeg ik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat

hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ik _u_

gekozen heb."

"Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet

een beetje vreemd?"

"Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd

persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt

het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten

invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat

spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want

er is een maar bij."

"He! Een maar?"

"Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar

verbonden zijn."

"O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig

genoeg gelegd?"

"Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het

slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke

zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar

het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een

nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar

niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij

de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker

bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo

aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen

dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die

twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg

stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom

moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun

beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter

zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij,

gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen

overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in

hun schild voeren."

"Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te

waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden,

en dan gaan wij met de dollars schuiven!"

"Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de

stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het

hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet

brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen

dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk

lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een

andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen,

en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht

kunnen zijn ... en dat is hier!"

"En denkt gij, dat dàt gelukken zou?"

"O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der

onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak,

dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten."

"Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal

onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend."

"Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen

minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te

hebben. Geef dus uw paard goed de sporen--al rijdt gij het dood,

dat hindert niet!"

"En wat moet ik zeggen?"

De schat in het Zilvermeer · 第 22 / 51 段