De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop

hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet

aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam,

en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op

een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen

vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende

oogen, en zei toen: "Van het zuiden af zijn twee mannen te voet

hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij;

de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters

gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem

een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De

derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar

hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen

in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?"

"Ja, zoo is het precies gebeurd," antwoordde Hartley.

"Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken

broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt

gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest,

die uw arm gekwetst hebben?"

De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor

den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was

en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem

gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen

eensklaps met een doorborenden blik op hem: "Dus heeft uw kameraad

voor uw leven moeten boeten met het zijne?"

De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend:

"Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat

verkoos hij niet."

"Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?"

"Ja."

"En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?"

"Ja."

"Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts

naar de boerderij gewezen?"

"Om hem van den weg af te brengen."

"Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad

getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet

alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat,

dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen;

uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?"

"Neen," antwoordde Hartley met een bevende stem.

"Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht

tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een

goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar

nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars

omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?"

Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist,

dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den

beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: "Ik heb het

u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet

zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben."

"Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt

hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de

gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?"

"Ja."

"En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?"

"Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun

dat met een brief, dien hij bij zich had."

"Een brief? Hebben zij dien gehouden?

"Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven."

"Waar heeft hij dien geborgen?"

"In den borstzak van zijn jas."

"Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht,

maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen;

en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden,

omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben."

"Dat kan ik bezwaarlijk denken," zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De

Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch,

en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk

uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met

messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig;

en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen.

De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij

op een toon van innige overtuiging: "Uw kameraad wilde naar Sheridan

gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen

ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat

zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom

hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om

hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij

mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor

Haller wil uitgeven."

"Maar met welk doel?"

"Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen."

"Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?"

"Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver

daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten

omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat

zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk

daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?"

"Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm

tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever

naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd

hebben, nog wel terug."

"Dus wilt gij met mij meerijden?

"En mijn gekwetsten arm dan?"

"Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder

wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald

heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van

het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen

doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat

mij uw arm maar eens zien."

De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat

het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou

onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was

als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke

nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd,

maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant

uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen

sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó

volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem,

met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren. Toen

verklaarde hij: "Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts

zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet

voordat hij hoog en droog in Sheridan is."

"Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde

moordenaar doet?" vroeg Hartley.

"Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren

en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij

nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan

te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de

Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het

is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de

tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen

tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken

daar te waarschuwen."

"Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor

vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij

dan geen argwaan krijgen?"

"Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en

heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg."

"En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?"

"Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt."

"Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig

in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet."

"Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door

bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen

nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming

bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren,

en dus later aankomen dan wij."

"En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?"

"Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op

het graf."

De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men

geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil

had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin

gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop

zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij

werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig

in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het

westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij,

hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan.

"Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen," zei de roodhuid. "Het heeft

een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik

neem het andere."

Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en

toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden

stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug

en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren.

De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den

horizon; de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd

het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang.

"Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?"

"Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij

is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt,

en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht

al de kamers van zijn huis kent."

"Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan."

"Winnetou's oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht

opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn

broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard

geen enkele misstap doen."

Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid

paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den

draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en

het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren

moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam

boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond,

geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag "waar

zijn wij nu?" Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die

zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid,

dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het

geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over

het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen

keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden

te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na

middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley

moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen

de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij

zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten.

In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de

omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een

dikke mist over de aarde hing.

"Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier," verklaarde de

hoofdman. "Die zullen wij spoedig bereiken."

Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij

liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van

waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag

zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan,

en vloog voorbij, _ventre à terre_, pijlsnel als een bliksemflits. De

twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere

breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist

zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later

was zelfs de hoefslag niet meer te hooren.

"Oef!" riep Winnetou verrast. "Een bleekgezicht! Zooals die man

reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand,

maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het

Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in

Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?"

"Old Firehand?" zeide de Yankee. "Dat is een hoogberoemde naam."

"Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest

in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou

kent. Hij is hun vriend."

"De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar

toe willen?"

"Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail,

en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier

te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen

we wel te weten komen wie die ruiter geweest is."

De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind

uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich

liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den

Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare

plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik

der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk

was, die rivier over te steken.

Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch,

dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door

een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in

het oog kregen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

LIST EN TEGENLIST.

Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan

een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte

van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen

van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste

opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het

beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen

wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig

samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere

plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen

stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam

"Charles Charoy, Ingenieur." Daarheen reden de twee; zij stegen

af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard

vastgebonden stond.

"Oef!" zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een

kenner bekeek. "Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig

het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden."

Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen

mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen

zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend

geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk

weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge

neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij

op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam

daar een nog jeugdig uitziende blanke te voorschijn, die den Apache

aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de

ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar

deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk

Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie.

"Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?" vroeg hij, terwijl hij

voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte.

"Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend

Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak.

"_Well_, dat ben _ik_. Weest zoo goed, en komt binnen."

Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden

volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen

liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den

ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen

met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee

ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend

staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon:

"Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ..."

"Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend," viel de ingenieur hem in

de rede.

"Is dat u reeds bekend, sir?" vroeg de Roodhuid. "Hebt gij mij dan

al meer gezien?"

"Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam

zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden

Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan

ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast

te willen zijn."

De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: "Kent gij een

bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?"

"Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden," was het

antwoord.

"En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?"

"Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet

bezocht."

"Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een

aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw

kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar

als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen."

"Hoe zoo dat?"

"Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee

bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt,

zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij

in hun schild voeren."

"Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?" zei Charoy schertsend,

met een lachje.

"Misschien ook dat wel," antwoordde Winnetou ernstig. "En niet alleen

u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps."

"Voor tramps?" vroeg de ingenieur schielijk. "O, dat verandert. Ik

heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail

en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze

kas gemunt."

"Van wien hebt gij dat vernomen?"

"Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik

hem aan u voorstel in persoon."

Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den

Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur

van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als

de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten

in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de

gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in

tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen,

zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van

den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op

den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede

borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde

aandoening: "Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was

mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In

hoe lang hebben wij elkander niet gezien!"

"Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak," antwoordde de

Indiaan, "toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen

zijt in een zee van mist!"

"En gij hebt mij niet aangeroepen!"

"De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een

stormwind over de vlakte waart gij voorbij."

"Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest

ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht,

dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de

tweehonderd tramps in aantocht."

"Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders,

die door hen vooruit zijn gezonden."

"Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den

steel zit?"

"De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de

daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal."

Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te

voren beleefd had.

Daarna deelde Old Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met

den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters,

en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een

beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil

zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee

anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk

nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager:

"Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn

haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk

toch in mijn handen zal krijgen."

"Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden," zei de ingenieur

wrevelig. "Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en

brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze

redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig

op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige

gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de

uitbetaling doe aan mijn collega's. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij

komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen."

"Waan u maar niet al te veilig!" waarschuwde Old Firehand. "Tweehonderd

desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen."

"Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote

duizend baanwerkers bijeen hebben."

"Die goed gewapend zijn?"

"Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen

messen en spaden óók nog dienst doen."

"Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een

bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording

zou nemen."

"Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal

soldaten, om ons te helpen."

"Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan

geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom

zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?"

"Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij

aanraadt. Gij zijt een heel ander man, dan _ik_ ben; en als gij wilt

ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn

ondergeschikten aan u af te staan."

"Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats

moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd

zijt. Zij moeten dus niet weten dat _wij_ ons hier bevinden. Ook onze

paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens

te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?"

"Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!"

"Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?"

"Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier

aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen

de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en

stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid

brengen en goed verzorgen."

"Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van

dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem

noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is,

geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een

dokter hier?"

"O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen."

Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos

rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd

terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd

waren, zeide Old Firehand: "Ik heb alle beraadslaging in bijzijn

van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er

is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien

armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten

einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te

maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons

op elkaar kunnen verlaten."

"Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?" vroeg de ingenieur met

merkbare belangstelling.

De schat in het Zilvermeer · 第 21 / 51 段