aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon
sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij
mocht zijn zoo goedkoop van hen af te komen. Daarom haalde hij drie
dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei:
"Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik
in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn
eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een
grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop
gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken."
"Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?" hernam de kornel
lachende. "Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite
zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling
was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij
moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij
reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig
sommetje bij u zult hebben."
"O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet," zei Hartley ontsteld.
"Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik
vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet
u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen
kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen
pijp tabak waard."
Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon
alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden,
doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht,
dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar
hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij
had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich.
Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken
doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden
zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen,
dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit
onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het
gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist
moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden.
De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: "Hum! Die
fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre
na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen
bodem in die kist is."
Hartley's gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den
spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele
fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den
echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op
elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld
waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag.
"Ha, ha!" lachte de kornel: "nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik
wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er
moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn."
Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht
den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld
te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig
doodelijk getroffen hebben, indien hij niet in zulk een snelle beweging
geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn
schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer.
"Goed zoo, schobbejak!" riep de kornel. "Gij moogt weer opstaan;
maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel
zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus
onder handen nemen."
Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller
aan.
"Ik ben zijn famulus niet," zei deze angstig. "Ik heb hem aangetroffen
pas kort eer wij op de boerderij aankwamen."
"Zoo? Wie en wat zijt gij dan?"
Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den
kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen
hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel:
"Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen
dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden
heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken." En
zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: "Ik heb gesproken
van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens
te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar
afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij
u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen."
Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon
dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee
mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld
terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte,
was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed
met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende
naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was,
en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar
het gebergte te begeven.
Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat
zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun
drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen
zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar
zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord
en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden
buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een
der twee anderen tramps tegen den kornel: "Het is eigenlijk jammer,
dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij
verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft."
"_Pshaw!_ Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn
hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet."
"Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk
maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft
laten lezen?"
"Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan."
"Wat zegt gij? Is het toch waar?" riep de kerel uit. "En dien brief
hebt gij hem teruggegeven?"
"Natuurlijk. Wat had _ik_ aan dat vod?"
"Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo
iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief
ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen
maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee
gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst
goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein
verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der
kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten
houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van
ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou
hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid
gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden
dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen."
"Verduiveld," riep de kornel. "Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel
kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen
zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn."
"En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle
moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn
om dat verzuim te herstellen?"
"O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De
weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij
hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen."
"Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den
brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor
ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten."
"Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder
een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan
zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige
te weten te komen en deelt dat mee aan ons."
"Maar waar en hoe?"
"Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult
ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail
loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik
zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult
gij stellig aantreffen, dat kan niet missen."
"Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft."
"Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor
te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij
vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt,
dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg."
"Uitmuntend!" merkte de tweede tramp, die Faller heette, op. "Werk
zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet,
zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap
naar Eagle-tail te brengen."
Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen,
het ten uitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den
kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die
twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun
oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met
de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het
besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen.
Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd
werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was,
door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en
het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een
plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon
laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven
wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren,
gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging:
"Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij
dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet
ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun
bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn
geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog
achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken."
"Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden," zei
Haller. "Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?"
"Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig
wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In
elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen
gevonden hebben."
"Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven
liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting
verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers
gaan wij nu uit?"
"Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De
horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans
boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden,
waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen."
Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het
vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd
bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een
stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd
werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en
vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te
kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht.
Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte,
dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een
ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het
't spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van
een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer
donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek
naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte
achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er
waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging, dat de
tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun
leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam
gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo;
hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze;
en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te
maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede
munt kon aannemen.
Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers;
en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard,
dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet
door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde
hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten
eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij
beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige
kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en
die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht
worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg
de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi
liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken--zoo
redeneerde hij--want een kind des doods was de man anders toch.
Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij
het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de
hooge toppen van enkele hickory's, eiken-, noteboomen en water-olmen
uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote
lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan
de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei:
"Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot
niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil
hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de
richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden,
en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen
achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig
middel om u al die moeite te besparen."
"Zoo? waarin bestaat dat middel dan?" vroeg Haller argeloos.
"Gij vervolgt in 's hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar
de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb."
"Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u."
"Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u
regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien
hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te
loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden."
"Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik
heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou."
"Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in
gevaar brengen."
"In gevaar?"
"Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het
gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff
van Kinsley. Wordt gij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen
één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus
regelrecht in den mond loopen."
"Daar zal ik wel zalig op passen," zeide Haller verschrikt. "Wilt
gij werkelijk daar naar toe?"
"Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u."
Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en
met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk
eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand,
uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander
af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na,
en mompelde bij zich zelf: "Het spijt mij voor den man; maar het kan
niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet
ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen
oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen,
zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw
dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind
waar ik mij schuilhouden kan!"
Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat
hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook
wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te
maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit,
waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te
nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte
hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter
veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet
achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit:
doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken,
waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk
in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te
werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks
had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en
den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken,
dat het spoor van daar af slechts van één persoon was.
De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo,
dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De
tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden
in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij
keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem
bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke
richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting
naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot,
en Haller stortte op den grond neer.
"Het is afgeloopen," mompelde Hartley. "Wacht maar,
schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik
u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu
zullen doen."
Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den
doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende
bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den
vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing
van den Yankee kwam die terug, terwijl zijn beide metgezellen niet
met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel
het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin
doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo,
dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid
van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en
reed toen weg--waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den
hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil.
Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna
berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was
ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk
als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om
die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij
vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo
verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot
hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij
nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar,
dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was.
Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede
paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al
spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om
af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen,
toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep
hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor
terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij
weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een
geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend
op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks
vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet
een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het
kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans
dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar
het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht
insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het
minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld,
en kwam nu ook naderbij.
Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid
droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd,
op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine
voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar
was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met
een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van
beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak.
In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk
beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat
lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm
van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende
kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het
Amerikaansche ras.
Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den
Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te
vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek,
des te meer begon hij tot de overtuiging te komen, dat hij van dien
man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens
nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog
verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den
ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op,
om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren,
en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den
Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in
een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met
hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien.
Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een
half onderdrukte uitroep zijn oor trof. "Oef!" dat was de klank,
dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar
dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen,
voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en
oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en
er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen
werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem,
die vroeg: "Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt
hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te
laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars
van het bleekgezicht getogen zijn?"
Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blanke
bowie-mes in de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden
bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor
den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: "Ik
heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de
derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden,
omdat ik niet weet of hij weg is of niet."
"Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten."
"Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij
wel zeker dat hij niet meer hier is?"
"O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de
eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het
bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is."