een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel,
en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek
van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten,
breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut
door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen
riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was
lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel
over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige,
kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor
zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid
spreekwoordelijk is geworden.
Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk
konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de
hoogte, en groette: "_Good day_, kameraad! Waar komt gij vandaan?"
"Van Kinsley daarbeneden," antwoordde de gevraagde, met de hand
rugwaarts wijzende. "En gij?"
"Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter
mij ligt."
"En waar wilt gij naar toe?"
"Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar
vóór ons ligt."
"Ligt daar dan een boerderij?"
"Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen
hebben eer wij daar zijn."
"God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen
uithouden."
Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij
naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien,
want hij stond te waggelen op zijn beenen.
"Niet langer uithouden? Waarom niet?"
"Van den honger."
"Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal
ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u
dadelijk wel iets te verorberen geven."
Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den
hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok
twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing,
een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei:
"Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den
honger zijn ze probatum!"
De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig
van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch
eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: "Gij zijt wel goed,
sir! Maar deze dingen zijn voor _u_ bestemd; en als _ik_ die nu opeet,
zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?"
"Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij
zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil."
"Zijt gij dan daar bekend?"
"Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar
niet langer--eet liever."
De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee
ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande
en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen
verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij:
"Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel
eenigszins bijgekomen zijn?"
"Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen
onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen
gekomen."
"Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets
gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis
meegenomen?"
"Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij
mijn vertrek."
"Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een
maal eten kunnen aankloppen."
"Ik heb de boerderijen moeten mijden."
"O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier
of daar een stuk wild kunnen schieten."
"Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan
raken, dan een hond die vlak voor mij zat."
"Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?"
"Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken."
De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: "Hoor eens
master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij
schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken
sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?'
"Naar Sheridan, aan den spoorweg."
"Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een,
man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in
nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de
schoen wringt. Misschien kan _ik_ u wel helpen."
"Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou
ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet
Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land
over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij
kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles
geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden
schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley
aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou
kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal
eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en
dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik
had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een
duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen
voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken;
het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij
kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend
mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De
gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden,
maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik,
toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den
haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar
mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het
geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette
het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten
minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had
een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het
Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en
gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om
mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad,
om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief
mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen,
om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel."
Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan
den Yankee. Deze las:
"_Waarde Charoy!_
"Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij
geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar
heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoor
zijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen
tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem
op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras
over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!
Uw
Bent Norton."
Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het
stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief
weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een
half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde:
"Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien
brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij
iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen
mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen
groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook
geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar
zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest
zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild."
"O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij."
"Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?"
"O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden,
opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was."
"En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden,
en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden."
"O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan,
zijn boezemvrienden."
"En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?"
"Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat
Mr. Charoy mij dat ook zal betalen."
"Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt,
dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken."
"Wat? Is het tòch waar?" riep de klerk zichtbaar blij verrast. "Zestien
dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!"
"Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen
sparen."
"En waar is die betrekking? Bij wien?"
"Bij mij."
"Bij ... u?" klonk het op een toon van teleurstelling.
"Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is."
"Hum! Ik ken u niet."
"Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley,
geneesheer en veearts van mijn beroep."
"Dus, arts voor menschen en voor paarden?"
"Ja, arts voor menschen en dieren," knikte de Yankee. "Hebt gij er
zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld,
dat ik gezegd heb."
"Maar ik versta niets van dat vak," zeide Haller bescheiden.
"Ik ook niet," bekende de dokter.
"Niet?" vroeg de andere verwonderd. "Gij moet toch in de medicijnen
gestudeerd hebben?"
"Dat is nooit in mij opgekomen."
"Maar, als gij arts zijt, en dokter...."
"Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best,
want ik heb die zelf aan mij verleend."
"Gij ... gij zelf?"
"Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn
voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik
kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor
jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica
ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar
dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven
en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze,
dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen
bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij
zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen
verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke
en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en
ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er
op na houd."
Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van
binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die
met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd
waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de
eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling
van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen.
"Dit is dus uw apotheek!" zei Haller. "Waar haalt gij al die
medicamenten?"
"Die maak ik zelf."
"Och kom! Gij verstaat er immers niets van?"
"O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo
gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets
anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water,
dat _aqua_ heet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de
andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd:
een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij
hier opschriften als: _Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua
chimborassolaria, Aqua invocabulataria_ en zoo al meer. Gij kunt u
niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht
heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf
niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament
niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de
voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd
heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen
cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten
kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor
de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester
voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt
gij mijn famulus zijn?"
"Hm!" mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. "Het ding komt
mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik."
"Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn
patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor
worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar
eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik
naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen."
"Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik
ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken."
"Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig
eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is:
mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet
het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek
op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij
oprukken. Vooruit maar!"
Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen
op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben,
zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te
zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden
de waardigheid van een arts was.
Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar
naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De
overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden
op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie
paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar
bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de
landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw
des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in
den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen.
"_Thunderstorm!_" riep een hunner. "Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat
ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley,
de muzikant met de harmonica!"
"Een kennis van u?" vroeg de tweede. "Hebt gij iets met hem aan de
hand gehad?"
"O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol
dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat
ik óók goede zaken gemaakt heb."
"Weet hij, dat gij dat geweest zijt?"
"Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode
haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en
ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen."
Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was.
De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit
oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee
vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij
hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar
dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om
binnen te komen.
"Messieurs!" riep zij den binnenzittenden toe, "daar komt een
hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap
van die heeren u wel aangenaam zal wezen."
"Hooggeleerde arts!" mompelde de kornel half binnensmonds. "De
onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe
ik over hem denk!"
De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan
de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley
hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei
dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te
gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes
bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel,
waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor
de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was,
op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen.
Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de
landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven
aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende
vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats,
om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door
een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die
tegen de _smartness_ (= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt
niet opgewassen waren.
Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu
en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak
hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen
Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt
te ontvangen: "Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu
hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel
gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?"
"Welk een zonderlinge vraag!" antwoordde de kwakzalver. "Ik ben arts
en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen
en dieren."
"_Well_, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer
goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter
rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven,
maar nooit gestudeerd hebben."
"Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige
beunhaas!" hernam Hartley, een hooge borst zettende. "Hoe zou ik
mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet
gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u
wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen--van dieren die
legio zijn, spreek ik niet eens--aan mij hun leven en hun gezondheid
te danken hebben."
"Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den
hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel
weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij
zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en
laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven."
"_Pshaw!_ Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven
is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel
vertellen of er nog iets aan te doen is."
Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw
te nemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig
gezicht, en zei: "Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier
zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft
bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif;
morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng
mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje
met _Aqua sylvestropolia_ eens aan."
Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje
op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan
men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu
kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het
begin van een wen, en kreeg _Aqua sumatralia_. De landbouwer leed
aan rheumatiek, en moest _Aqua sensationis_ innemen. De dochter,
een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten
om _Aqua furonia_ te nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht,
die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de
gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen door _Aqua
ministerialia_. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of
hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd
en antwoordde: "Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend
als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld,
kan kureer ik mij op de Zweedsche manier."
"Hoe zoo?"
"Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje
voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij
langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?"
Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend
knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde
zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen
te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste
boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een
vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij
zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de
landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf
dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen
vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het
kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de
boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: "Wij zijn in westelijke
richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het
is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij
zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor
tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat
gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden."
"In die hoop vergist gij u, sir!" antwoordde Haller. "Wat gij mij
biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten
bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet
kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn
geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen."
Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat
alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl
hij medelijdend zijn hoofd schudde: "Ik heb het goed met u gemeend,
maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is."
"Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw
kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen
gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk."
"_Well!_ Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus
niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet
dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver
tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij
ten minste nog bij elkander blijven."
Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen,
waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den
klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast
elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit,
totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij
keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij
aan tafel hadden gezeten.
"_Woe to me!_" zuchtte Hartley onwillekeurig. "Dat schijnt op mij
gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom
rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben
meer weg van landloopers, dan van trappers."
Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die
vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de
twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon
tot den kwakzalver: "Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu
zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden."
"Mij vinden?" vroeg de Yankee.
"Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met
uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk
achterna gegaan, om zijn geld terug te halen."
"Onzin, sir!"
"Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij
gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn
oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te
volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen."
"Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken."
"Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen
u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor
vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden,
en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en
billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben
dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet,
wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen
willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan."