"Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst

noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk

gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus

reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat is volstrekt

niet moeilijk."

"Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos

zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak

een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos

verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien

ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?"

"Dat zou ik haast wel denken."

"Welnu, laat eens hooren!"

"Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij,

dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan

dat kanaal, dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier

loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd,

en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen

tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats

gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan

de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een

kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het

kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar

aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel,

binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich,

dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om

te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de

mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen."

"O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen," zei Old Firehand. "Gij

wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?"

"Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor

iederen gevangene is er één noodig."

"Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te

vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is."

Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en

vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en

van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon,

en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie

man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat

het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden.

Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste

bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll,

Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen

men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een

grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet

gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van

de boerderij af te brengen.

Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den

muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen,

dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had

en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun

bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn

meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst

reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen,

revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange

Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den

ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn

manschappen op.

De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide

er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open

zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te

trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om

die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De

overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde

gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan.

De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het

besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven

zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het

vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden,

keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat

zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der

tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder,

totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven

cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op

welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn

medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten,

dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken.

Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar

het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad

hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het

bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen

er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan

den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven

wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het

terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam.

"Wel?" vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld.

"Het was geen gemakkelijke taak," antwoordde de Tante. "Het water

hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan

in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de

boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er

letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten

voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen

duisternis onze beste bondgenoot."

"Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed

kunnen zien."

"Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu,

de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn

vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten

de gevangenen...."

"Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de

heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden

worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te

bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water;

want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!"

"Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend

het oog op hen houdt."

"Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?"

"Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op

zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd."

"Hebt gij dan al een plan?"

"Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje

eenvoudig aan den walkant."

"Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het

bootje telkens in de hoogte gaan."

"Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren

is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen

aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij

brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast;

gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den

bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te

snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij

veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is,

op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij

dan het sein geven--den gierenschreeuw--gaan de poppen dadelijk aan

het dansen. Begrepen?"

"_Well_, het is niet beter te bedenken."

"En gij, Uncle?"

"Juist zoo, als gij 't hebt uitgedacht--wordt heel 't fameuze werk

volbracht," antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier.

"Mooi zoo, nu vooruit maar!"

Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in

de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor

gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam

en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond.

"Wij zijn waar wij wezen moeten," fluisterde hij hun toe; "nu wacht

gij maar tot ik terugkom."

De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen

op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den

muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen,

ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden

kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier

personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag

de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen

van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij

zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den

grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te

kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen

eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij

de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes

zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden

sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich

op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de

gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop

van eenige seconden zei het meisje: "He, vader! onze bewaker is weg!"

"He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het

is misschien om ons op de proef te stellen."

"Suut, suut!" fluisterde Droll hun toe. "Ze moeten u niet hooren. De

bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u

te redden."

"Redden? _Heavens!_ Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!"

"Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas;

Droll, dien ze Tante noemen."

"Groote Genade! Is het tòch waar?"

"Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog

vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar

wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu

ben ik met twee ferme _boys_ naar hier geslopen, om u uit hun handen

te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht

niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen,

door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!"

Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije

gebruik van hun ledematen.

"Ja, nu gelooven wij u, sir!" fluisterde de landbouwer, die tot nu

gezwegen had. "Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?"

"Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en

hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleine _Miss_

(= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent;

en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is."

"De dans? Welke dans?"

"Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben

de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de

boerderij--twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts

van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links

de Osagen-hoofdman de 'Goede Zon' met een troep Roodhuiden--zij wachten

slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat

sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan

zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast,

en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet

totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij

er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten."

"O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in

veiligheid brengen?"

"Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten,

korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u

eerst uit hun handen te halen."

"Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van

onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat

wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in

den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons

waagt? Neen sir! dan vergist gij u."

"Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man

meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss

kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in

veiligheid gebracht te worden."

"Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal

te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons

afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een

mes afstaan?

"Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig;

maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt,

is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal

ik ook wel gauw maken dat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een

van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig

een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt

wordt. Laat mij maar eens begaan!"

In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die

de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij

kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg:

"Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?"

"Neen!" antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield.

"_Well!_ Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost

het u uw kop. Begrepen?"

"_Yes_. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!"

Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit

met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man

over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een

schrede nader, boog voorover, en zei: "Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt

gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik...."

Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen

om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo

geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er

volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles

stil, totdat Droll zachtkens zeide: "Ziezoo! die heeft u zijn wapen

gebracht; wel vriendelijk van hem."

"Hebt gij hem dan beet?" vroeg de landbouwer.

"Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij

geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer

maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen

de kleine Miss naar het bootje brengen."

Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand,

en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van

den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het

meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen

terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen

hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van

tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: "Nu zal het er toe

komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich

van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk

kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen,

dan hebben wij geen nood."

Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij

een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en

ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij

bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk

genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu

bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras

hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit

den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt,

kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op,

in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nog een oogenblik

heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand's

wijd in het rond klinkend commando: "Geeft acht! Vuurt!"

Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij

geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop

klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil

der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden

regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen.

"Nu de beurt ook aan ons!" commandeerde Droll. "Eerst de kogels,

en dan met de kolven er op los!"

Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De

tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge

overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die

de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij

aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar

toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het

werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen,

toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en

boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in

staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren,

dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden

zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die

werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander

redmiddel, dan in de vlucht.

"Voort, voort, naar de paarden!" hoorde men een stem roepen, of

juister gezegd brullen. "Dat is de kornel!" riep Droll. "Laat die

toch den dans niet ontspringen!"

Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en

anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo

slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van

daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den

eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den

donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars

gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als

het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het

hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op

te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En

toen vluchtten zij in noordelijke richting.

"Hen zoolang mogelijk achternazetten!" commandeerde Old Firehand. "Zij

moeten niet op verademing kunnen komen!"

Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat

bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij

verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren;

en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis,

dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand

zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde

eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren

de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel,

vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen

kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting

nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend

hoongehuil van de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende

paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn.

"Omkeeren!" gebood Old Firehand. "Het eenige, dat wij nu nog te doen

hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen

om vervolgens te ontkomen."

Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen

deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter

gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch

tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en

te scalpeeren.

Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de

lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag

gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen--een

ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog

zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen.

Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het

jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik

der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit

vernam, verklaarde hij aan haar vader: "Tot nu toe heb ik het voor

zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar

nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons

geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken."

Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te

koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige

gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde

overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en

verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van

het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig

der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd

aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste

ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen

gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs-

en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak

kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en

gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden,

in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap.

Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen,

wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra

het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te

weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond

te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door

de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen,

dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar

aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die

nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar

aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren

toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende,

dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan,

om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat

Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN DRAMA OP DE PRAIRIE.

Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een

zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit,

daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die

man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van

een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van

een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange

geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder

een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek

en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee

een langdurende voetreis gepaard gaat.

Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop

om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide

voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens

opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk

zijn gezicht eensklaps opklaarde--hij had daarginds aan den verren

horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van

de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit

gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden

tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag

al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef

stilstaan om hem dichterbij te laten komen.

De schat in het Zilvermeer · 第 18 / 51 段