een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een
wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft
zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat
hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke
ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik
verbeeld mij, dat .... hola!" viel hij zich zelf in de rede. "Pas nu
op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij
wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze
als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten
worden. Zult gij hen te woord staan?"
"Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van
ons hebben willen. Kom maar eens mee!"
Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan
de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te
houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren,
hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old
Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om
naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg
bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle
moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen
op hun gemak waren.
"Sir! wij komen als afgevaardigden," sprak de een, "om u onze eischen
bekend te maken."
"Zoo!" zei de jager op een toon van ironie. "Sedert wanneer durven
de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?"
De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij
stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen
schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit
deed doen.
"Wij zijn geen hazen, sir!" verstoutte de tramp zich te zeggen.
"Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen
met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt
gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben,
en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan."
"Sir!" vloog de tramp op, "ik wil zulke beleedigingen niet..."
"Zwijg, schobberd!" bulderde Old Firehand hem toe. "Verachtelijke
spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande
voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij
te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel
durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te
kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij
niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?"
"Neen," antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar.
"Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden
hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar
ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag
reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap
hebt gij hier te doen?"
"Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer
en zijn nicht in onze handen gevallen is."
"Dat weet ik al."
"Die drie personen moeten sterven...."
"_Pshaw_!" viel de jager hem in de rede.
"... als gij onze voorwaarden niet aanneemt," voltooide de parlementair
zijn volzin.
"Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst
van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en
zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zou _ik_ de man zijn."
"Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder
voor uw oogen opgeknoopt."
"Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg
voor u allen."
Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men
het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek
verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: "Bedenk het
goed, drie menschenlevens!"
"Dat bedenk ik zeer goed; _slechts_ drie menschenlevens! En daarvoor
zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is
dus geheel aan onze zijde."
"Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen."
"Hoe zoo dan?"
"Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft."
Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op
den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager
antwoordde: "Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?"
"Neen!"
"Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als
krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken."
"Is u dat ernst, sir?"
"Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het
met u gedaan!"
Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het
hazenpad; doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te
blijven staan, en omkijkende te vragen: "Mogen wij nog eens terugkomen
als wij een ander voorstel hebben?"
"Neen!"
"Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?"
"Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord
staan; maar slechts een oogenblik."
"Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?"
"Ja, mits hij mij niet beleedige."
"Wij zullen het hem zeggen."
Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te
vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden
man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de
boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting
als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd,
daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af
te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou.
Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst
waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen
te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben;
maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon.
Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist
had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar
hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden,
maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: "_Good day sir!_ Gij hebt
gewenscht mij te spreken."
"Dat is meer dan ik weet," antwoordde de Westman. "Ik heb eenvoudig
gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u;
en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel
niet hadt laten zien."
"Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!"
"Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt
niet dien toon aan te slaan."
Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst
neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: "Ik verbeeld mij,
dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben."
"Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover
den overwinnaar--vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?"
"Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe
behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het
in onze macht de rollen om te keeren."
"Doe dat dan maar!" zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach.
Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: "wij
behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!"
"Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?"
"Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild
hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen
wij, waren zij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons
bestand geweest."
"Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt,"
antwoordde hij. "Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat
dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste
bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft."
"Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk,
waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat
precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der
onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af
te snijden, dan was u onze gevangene geworden."
"Zoo, zoudt ge dat denken?"
"Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog
sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld
geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt."
"Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste
plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd
zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet
bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij
omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen
moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is
nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben."
"Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te
stellen, het leven van onze gevangenen te redden."
"Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van
die menschen is volstrekt niet in gevaar."
"Niet?" hernam de kornel met een spottend grijnslachje. "Dan vergist
gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt,
worden zij zonder genade opgeknoopt."
"Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen
wordt--allen, tot den laatsten man."
"Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?"
"O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik
daartegenover kan stellen?"
"Ja, dat weet ik precies."
"_Pshaw!_ Gij hebt ons niet kunnen tellen."
"Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders
er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En
daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier
meegebracht hebt."
Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij
verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte
van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij
uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden
juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk
weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: "Tel uw dooden
en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel
afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebt gij mijn Indianen gezien,
en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast.
"De andere blanken?" lachte de tramp. "Er zijn geen anderen geweest
dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld
hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat
heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op
de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot
in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij
ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen,
zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken."
Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze
haalde minachtend de schouders op, en zei: "Wij zullen er verder
geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk
waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog
zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat
voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden,
landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste
jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn
minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met
ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden
wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het
licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als
ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die
drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt."
Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van
zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg;
want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen
wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel
onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen
te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een,
totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die
Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch
de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op,
wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: "Nu,
wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier
staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven."
"Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met
u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar
louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te
prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat
is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer
in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander."
"Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft."
"Mijn antwoord hebt gij al."
"Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk
van het bezetten van de boerderij afzien."
"O, dat is zeer vriendelijk van u, niets anders?"
"Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug;
daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft
gij ons de noodige runderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk
betaalt gij twintig duizend dollars losgeld--zooveel zal er wel op
de boerderij aanwezig zijn."
"Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons
daarvoor?"
"Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij
ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle
vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en
verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd."
Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan
zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet
driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden
glimlach: "Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin,
dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak
oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel
door den kop!"
"Wat? Is dat...."
"Marsch! Oogenblikkelijk!" viel de jager hem met stemverheffing in
de rede, meteen op hem aanleggende: "Een.... twee...."
De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord "drie" niet af
te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een
dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand
gezien, dat die bij het woord "drie" vuur zou geven. De jager bleef
hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van
achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde
terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog
had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er
een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord.
"Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!" verklaarde de lord. "Met zulke
schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen
zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij,
dat zij nu beginnen zullen?"
"Hum!" antwoordde de gevraagde. "De zon is reeds aan het ondergaan. Ik
vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog
eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat
hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien
of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen."
"Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?"
"Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd
veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op
tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het
oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op
uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken,
bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als
vrijwilliger aan?"
Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en
Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe
beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle:
deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast
te worden.
Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep
der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat
was hen allen man voor man te onderscheiden, bleek het, dat zij
geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te
bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren
deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich
thans bevonden, niet dachten te blijven.
Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen,
alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden
gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk
eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden,
werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij,
ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het
openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden
plaatsen van den muur sterke lasso's stevig vastgemaakt en over den
muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren
om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in
petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar
buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop
was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in
volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens
den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering
van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al
kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd
door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij
men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen.
Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging
zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat
ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn
eigenaardige manier: "De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,--In
massa elders heengetogen."
"Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?" vroeg de jager, glimlachende
over het rijmpje.
De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde
met het ernstigste gezicht van de wereld: "In 't kreupelhout, niet
ver van hier,--Daarginds aan d'oever der rivier."
"Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden
wij hun paarden toch moeten hooren?"
"Hun paarden, ja, zij dreven die--Uit voorzorg eerst op de prairie,--Om
hun bekomst aan gras te vreten,--Maar waar, dat kwam ik niet te weten."
"En waar zijn Bill en Droll?"
"Die zijn de schobberds achterna,--En slaan dus al hun gangen ga."
"Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees
zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun
nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij
denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij
zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten."
De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had,
vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: "De vijand
bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water,
en vóór zich den muur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere
zijden versperren, hebben wij hen in de val."
"Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?"
"Daartoe zal ik de Indianen halen, die hen aan de zuidzijde aanpakken
moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit,
en tasten hen aan de noordzijde aan."
"Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?"
"Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij
zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op
den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik
ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te
kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als
onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden
zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige
daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben
wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen
wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend
inhalen en voorgoed onschadelijk maken."
"_Well_, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet
erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft."
Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de
paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed
kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige
instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er
niets ondernomen worden.
Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet
zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen
gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden
passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om
bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen.
Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle.
"Alle drie?" vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. "Minstens
een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij."
"Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is," antwoordde Droll,
weer in zijn gewonen spreektrant vervallende.
"Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk."
"Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren;
ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen
hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze
vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen
zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij
verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad
wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig
niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen
aan het dansen gaan."
"Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd
om de val toe te doen."
"Welke val?"
Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was.
"Dat is overheerlijk, hihihihi!" lachte Droll binnensmonds, zooals hij
gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. "Dat zal
en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden,
dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben
daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is."
"En dat is?"
"Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen
maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen."
"Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb? Gelukkigerwijze
maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben
ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden
moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun
geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid,
en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij
de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn
zij gekneveld?"
"Ja, maar niet heel straf."
"Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en
dan ..."
"En dan met hen in het water," viel Droll hem in de rede.
"In het water?" vroeg Old Firehand verwonderd.
"Natuurlijk."
"Ik geloof dat gij schertst, lieve tante."
"Schertsen? Dat komt niet in mij op!" En toen hij de verwonderde
gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij
gichelend. "Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste
goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare
gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!"
"Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen
inslaan."
"Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later."
"Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?"
"Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog
voordat de aanval begint."
"Houdt gij dat voor mogelijk?"