Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de

plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk

waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden

bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden

van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps

dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander

om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen;

want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door

een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den

tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden

zonder berijder op den oever rond.

Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de

verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen

gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers

was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op

schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte

precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde

weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende

stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters

hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever

terug te keeren.

"Afgeslagen!" zei de oude Blenter. "Ik ben benieuwd wat zij nu zullen

probeeren."

"Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen," antwoordde Old

Firehand. "Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten

het bereik van onze kogels ligt."

"En dan?"

"Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim

aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen."

"En wat noemt gij slim?"

"Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten

zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten

tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken,

dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan,

want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te

verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen,

dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen."

"Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht

uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt

tegenover hen staan."

"_Pshaw!_ Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar

zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug

te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is,

en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt

niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij

schijnen te beraadslagen."

De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden

afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten

niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten,

was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen

zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden,

totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij

kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren,

vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was

regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de

verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand

met luider stemme: "Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij

willen de poort bestormen!"

"Maar die kunnen zij toch niet openloopen!" merkte Blenter aan.

"Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel

stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze

ons hier op het erf letterlijk dooddrukken."

"Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!"

"Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het

commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo's uit de

geweren met dubbelen loop, midden in den troep!"

De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste

zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen

die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over

den muur heen konden schieten.

Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien

had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort

aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen

van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te

vuren. Twee salvo's knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid

uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De

uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand's verwachting. Het

was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw

tegengehouden werden. Zij vormden een onbeschrijfelijken warklomp,

die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee

geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk

opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in

salvo, maar _ad libitum_, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der

aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle

richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het

uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De

paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct

op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen

te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden,

om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd,

aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de

gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep

boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden.

Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en

drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men

dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder

de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen.

"Zouden zij aftrekken?" vroeg Humply-Bill. "Ze hebben een duchtige

les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen."

"Daar hebben zij volstrekt geen idee op," antwoordde Tante Droll. "Als

zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten

wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op

de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven,

op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die

vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando

van hem vernemen zullen."

"Een commando?"

"Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen."

Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps

waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon;

maar Old Firehand had hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van

boven af roepen: "Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar

het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten."

In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen

eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de

poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand

voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek

van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar

eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld,

waarop hier en daar een plokje boschgroei.

Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar

Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen

gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te

blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier

gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden

halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman

aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens

de daarbij gestelde gewapende bewakers.

Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over

de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke

hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij

met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats

grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding

verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de

tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier

schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en

hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren

nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen

zouden worden, met het bloote oog te zien.

De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke

menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe

kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten

getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden

zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met

geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden

een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit

de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze

niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de

verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder

den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder

een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan.

Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn

taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht

bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven,

zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat

begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel

der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te

rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal

zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop,

en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde

geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar

nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering

gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten

kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon,

zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem

het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die

beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens

het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich

nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de

Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps

zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid,

waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich

in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich

daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe,

blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de

Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk

vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten,

en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit;

er vielen verscheiden dooden, nog veel meer gekwetsten, niet alleen

onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden,

zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was

een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken.

"Nu vuren!" commandeerde hij. "Maar schiet enkel op de kerels, niet

op de paarden!"

Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn;

zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien

werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps

doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het

tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik.

"Voort! voort!" brulde een stem uit hun midden. "Wij zijn

omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!"

Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en

zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in,

die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen

een zegevierend geschreeuw aanhieven.

"Daar rukken zij uit!" lachte de oude Blenter. "Die komen niet

terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?"

"Natuurlijk," antwoordde Zwarte Tom. "De stem kent men eens voor

al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit

voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet

achternazetten, sir?"

Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde:

"Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen

te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den

beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn

aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is

het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden,

om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus

zoo gauw mogelijk terug."

"En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden

gebeuren?"

"Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd

meer verliezen, gauw naar onze paarden!"

De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend

hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf

kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat,

terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te

zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen

hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak

van het huis, om overal eens goed rond te zien.

Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd

had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk

verijdeld was.

"Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?" vroeg zij, terwijl zij

een diepen zucht loosde. "Nu die tramps zulke zware verliezen geleden

hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden

voort te zetten, vergaan zal zijn."

"Misschien," antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was.

"Hoe? Misschien maar?"

"Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden

wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts

door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt

worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen

wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis

ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons

in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen

wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden."

"Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?"

"O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor

zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar

zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit

dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen."

Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds

na verloop van een korte poos vervolgde hij: "Ha, ha, daar zijn ze

al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden

terug. Het is te vooronderstellen, dat..."

Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien

meer naar het noorden gericht.

"Wat is het?" vroeg de vrouw des huizes. "Waarom spreekt gij niet uit,

sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?"

Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en

antwoordde: "Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet

geschikt is om onzen toestand te verbeteren."

"Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?" vroeg zij op angstigen toon.

Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of

niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt,

doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de

tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te

antwoorden: "Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid

kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden,

die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken."

Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg;

doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord,

die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: "Ik had reden om de vrouw

des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en

tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?"

De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen:

"De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen."

"Komen zij werkelijk?"

"Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?"

"Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat

die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?"

"Neen, zij houden halt."

"Met hun gezichten naar welken kant?"

"Naar het noorden."

"Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel,

waarom de kerels halt gehouden hebben."

"_Well_, sir! Ik zal kijken!" En een oogenblik later vervolgde hij:

"Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken."

"Ruiters? Hebt gij dat wel?"

"Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is

een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier."

"En weet gij, wie die drie zijn?"

"Neen. Hoe zou ik dat weten.... _heighho_, het zullen toch niet....?"

"Ja, precies!" knikte Old Firehand ernstig. "Zij zijn het; de

landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien

wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen

misgereden te zijn."

De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: "Dan moeten wij terstond

te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in

handen van de tramps!"

Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast,

en zei: "Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets

daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen,

want het is reeds te laat. Zie, zie maar!"

De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich

in beweging stelden en in galop op de drie aanreden.

"_All devils_!" riep hij uit. "Ze zullen hen vermoorden!"

"Dat komt niet in hen op!" zei Old Firehand. "Die kerels kennen hun

voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat

kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd

niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog

krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen

als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen,

die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is

de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld. Wij hebben er niets

tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn

wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps."

"_Well_, dat wil ik u toestemmen, sir!" sprak de lord. "Maar wee den

schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En

.... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten

afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met

zulk gespuis in onderhandeling trad!"

Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op,

en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een

soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij:

"Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover

ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun

duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u

zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar

hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin

verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er

gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste

oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij

het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderen ten

goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen

kunnen belemmeren."

"Mag ook geen mensch anders het weten?"

"Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen:

dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij,

mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun;

maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden

verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn

maatregelen nemen."

De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was

aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde

al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun

midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde

plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en

legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking

of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat

daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich

tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen,

gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord,

die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg:

"Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren

Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?"

"Ja, zoo is het!" knikte Old Firehand.

"Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen

de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op

hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat

zullen wij daarop antwoorden?"

"Nu, wat zoudt gij denken?" vroeg Old Firehand, terwijl hij een

schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp.

"Kunt gij dat nog vragen!" was het antwoord. "Geen duit, geen roode

duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld

te betalen?"

"Zijn wij daartoe niet gedwongen?"

"Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten,

niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat

zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze

wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze

misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!"

"Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben

wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen

gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven

ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze

hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen,

zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen."

"Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten

welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat

zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die

ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij

in het werk wezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit

de verknijping te halen."

"Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij

misschien al een plan?"

"Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten

wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij

handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet

wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste

oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij

wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten

waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen,

en halen de gevangenen een voor een er uit."

"Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke

partij wezen."

De schat in het Zilvermeer · 第 16 / 51 段