Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen,

van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden,

ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: "Old

Firehand zal toch niet verkeerd rijden?"

"O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs,

dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat."

"Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?"

"Die vrouw? O, die dame is een man."

"Voor wie het gelooven wil."

"Geloof het maar op mijn woord."

"En ze noemen haar Tante!"

"Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft

en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer

goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche

vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij

schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen

tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals

we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee

bezig te houden."

En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen

deden--zoo goed en kwaad als het ging--hun best om hem bij te

houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds

dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had

hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis,

zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er

te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden

beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn

zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen

enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies

het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was

nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch

rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was.

Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur,

met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er

viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze

geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van

voren roepen: "Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door

een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik

der paarden."

Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en,

in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende

oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld

door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog

een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord

hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was

alles nog even donker.

"Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?" vroeg hij

aan Humply-Bill.

"Aan de poort van Butler's boerderij," was het antwoord.

"Ziet _gij_ dan iets van die boerderij?"

"Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den

muur voelen."

Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken,

dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. "Wie

belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?"

"Is master Butler al terug?" vroeg de jager.

"Neen."

"Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg

haar, dat Old Firehand hier is."

"Old Firehand? _Well_, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma'am

(= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage

is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd,

dat gij op de komst zijt."

"Wat voor menschen zijn dat hier!" dacht de lord. "De hoofdman heeft

dus nog harder, veel harder gereden dan wij!"

Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden

geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot,

houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en

nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel

echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder

maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters

aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis

binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij

ma'am te komen. Voor de anderen werd op de gelijkvloers-verdieping

een groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een

zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken

en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels

stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in

gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld,

dat de troep in aantocht was.

De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en

tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet

gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich

als vanzelf zoo geschikt, dat de voornameren van het gezelschap aan

een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had

eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot

zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte

Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër.

Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te

zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen

met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle

lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet

slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat.

Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten

vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een

afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte

daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden

met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was

dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen,

dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen.

Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de

been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen,

ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te

kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren,

met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken.

Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk,

en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen

huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats

dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van

de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl

tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke

slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

IN DEN STRIJD OM BUTLER'S BOERDERIJ.

Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij

weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden

en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber

vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners

ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit

de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De

ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen

kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in

een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige

Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid,

als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen

achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd

moest worden.

Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een

hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten

waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan,

als het noodig bleek om over den muur heen te schieten.

Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker

waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af

zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien

nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk

gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid

had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien

nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten

brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort

Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht

reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen

van de tramps zouden vallen.

Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis,

van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op

de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte,

goed bebouwde maïs- en andere akkers.

"Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?" vroeg Droll.

"Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft,

kunnen zij nu wel spoedig hier zijn," antwoordde Firehand.

"Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en

verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht,

zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi

wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen

ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die

Sjeyennes en Arapahoes."

"Ik ook niet," merkte Bill aan. "Die twee stammen zijn zeer klein,

en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen

gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn

hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering

kunnen voorbereiden."

"Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de

kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien," zei Old Firehand.

"Maar water," merkte Droll aan, "dat is toch een der voornaamste

behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet

uit de rivier gaan scheppen."

"Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron,

met zeer goed drinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd

door het kanaal."

"Is hier dan een kanaal?"

"Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de

mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een

houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van

eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal,

dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier."

"Is het diep?"

"Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u

bijna tot aan de borst."

"En is de gemeenschap met de rivier open?"

"O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte

van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten."

Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg,

geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden

te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter

kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas.

De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen

nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige

maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen

de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de

gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat

hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend

hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het

ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen

en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en

behoorlijk in orde was.

Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het

huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht

wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd

na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden

in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de

verwachte hulptroepen, en de "Groote Zon" reed te paard aan het hoofd

van den troep.

Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de

tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner

goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens

een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee

te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten,

dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor

de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig.

Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval

gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij

blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman

der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur,

op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten

de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze

troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor

hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken

tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder

zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post.

Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote

honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde

jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker

niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen

verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis

opleverden, almede niet gering waren te schatten. Bijzondere bevelen

konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke

wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen.

Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst

afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler

het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam

niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar

en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij

zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen,

een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten,

die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand

zich verlaten kon.

Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw

des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den

reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar

dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten

komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd

te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog

onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren

stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie

gestalten af, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij,

niet te paard, maar te voet.

"Aha! ze zenden verspieders vooruit," zei Old Firehand. "Die hebben

misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier

binnen mogen komen."

"Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik," merkte de lord aan.

"Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand

hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar

steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat

ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den

verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het

dak zien."

De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het

huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich

verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen,

moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk

zoogoed als onbewaakt was.

Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander

optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij

gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde

zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam,

werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat

men verlangde.

"Is de landbouwer thuis?" vroeg een stem.

"Neen, die is op reis," antwoordde hij.

"Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?"

"Neen."

"Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben

een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen

wij niet een oogenblik binnenkomen?"

Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in

het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger

heeft, eenig voedsel weigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle

landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die

behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en

zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid

jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor

de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen,

een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen.

Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer

dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis

aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon

zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik,

waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en

alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op

een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: "Wij zijn arme

geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat

wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw

hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen."

Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was,

want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten

te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen

werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk

eten voorgezet.

Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen

zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden.

De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het

scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën

en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door

hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de

boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop

van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote

nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er

eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat

men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst

van de tramps spoedig verwachtten.

Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den

verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun

verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken,

zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze

weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men

uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen.

Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke

gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare

plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd

vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old

Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden,

naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende

naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat

hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten.

"Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?" vroeg

Old Firehand hem met een barsche stem.

De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde:

"Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen

gaan."

"Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier,

naar de menschen, die zich daar bevinden."

"Welke menschen bedoelt gij, sir?" vroeg de man met een goed

gehuichelde onnoozelheid. "Ik heb daar niemand gezien."

"Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind

geweest."

"Welke ruiters? Ik heb er geen gezien."

"Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps

van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen

uitgezonden als spionnen."

Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd

voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: "Wij? Wij

tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk

zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den

omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten

te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij

ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor

ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over

nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u

hier te komen overvallen, en dat _wij_ daartoe behoorden, met welk

doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn,

dat ons zeer slecht bekomen kon?"

"Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn

hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar

werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor

uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij

blijven zitten."

"Wat?" viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in

zijn zak.

Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei

dreigend: "Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets

van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd

spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording

roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd

zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder

die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn

wij klaar, dus opgerukt, marsch!"

Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen

zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar

toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was,

begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden:

"Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens

goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers

korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!"

"En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten

gelooven!" riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken

sein, waarop de tot nu toe achter het huis verscholen verdedigers te

voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf

nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den

vijand het oog te kunnen houden.

De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt,

en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet

verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de

rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven

hun paarden althans met dat doel er in.

"Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening,

zooals ik u gezegd heb", sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten

Tom. "En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij

schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze

op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er

geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle

noodeloos verbruik van ammunitie."

"Goed zoo!" antwoordde Humply-Bill. "Ik zal stipt die volgorde in

acht nemen."

En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn

manier: "Zij worden, als ze uit water komen,--Door één schot onder

mik genomen--Op rij af, en gaan een voor een,--Gezwinden pas naar

Satan heen!"

De schat in het Zilvermeer · 第 15 / 51 段