Terwijl de lord dit woordje "zoo" meer minachtend uitstiet dan

duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring

over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren

van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot,

alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer

zitten, greep naar den reebout, om er zich nog een stuk van af te

snijden, en vroeg: "Nu, was hij te raken of niet?"

Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste

verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook,

want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende

slakkenlijn naar beneden.

"_Wonderful!_" riep Humply vol geestdrift uit. "Als dat geen toeval

is, mylord!...."

Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij

dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend,

in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was

toch bijna niet te gelooven.

"Maar, mylord!" vervolgde de bultenaar, "kijk toch eens even om! Gij

hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!"

"Dat weet ik!" antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken,

een stuk vleesch in zijn mond stekende.

"Maar gij hebt hem immers nog niet gezien."

"Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel

mist nooit!"

"Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft,

volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen,

die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?"

De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en

antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: "Dat schot is raak

geweest,--Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren..."

"Hou nu maar op met leutren!" viel de Engelschman hem in de rede. "Al

die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen

zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten,

en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee,

en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?"

De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden

toen met een bevredigend ja.

"_Well!_ En hoeveel verlangt gij?"

"Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben

nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling

kan bij _scouts_ (= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen

zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen."

"_All right!_ Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt

mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een

honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal

ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen

gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en

doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur,

dat wij beleven, vijftig dollars."

"Sir!" lachte Humply, "dan worden wij rijke menschen, want aan

avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij

die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het

niet liggen; maar voor een vreemdeling is het raadzamer, de avonturen

te ontwijken, in plaats van die op te zoeken."

"Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde

jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen

genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen

thans in het Westen?"

"Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde

personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen,

dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de

vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal,

zich met een onbekende in te laten."

"Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en

wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij

aantreffen, betaal ik u honderd dollars."

"Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?"

"Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld

betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen

daarmee?"

"O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk

niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt."

Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren

naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit.

"Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf," zei hij. "Ik zal

aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven

ieders portret en zijn naam."

"Onze portretten?" vroeg de bultenaar verwonderd.

"Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij

nu zit!"

Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen,

dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het

papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien

wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten,

en hun namen er bij.

"Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig

zal worden," zeide hij nu. "Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit

boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik

u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk

uitbetalen."

"Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!" merkte Humply aan. "Wij

willen echter niet hopen, dat.... _Behold_, uncle! kijk onze paarden

eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er

moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is

gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft

men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en

allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om

te zien of ik iets ontdekken kan."

"Dan ga ik met u mee!" zei de lord.

"Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!"

"_Pshaw!_ Ik bederf niets."

Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen

zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en

kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen

verscholen, en hun hoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als

noodig was om rond te kunnen zien.

"Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting," prees

Humply. "Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet

gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?"

"_Yes!_ Een Indiaan, schijnt het?"

"Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker

van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken."

De lord voldeed daaraan.

De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend

naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd

richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook

dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte,

was dat stellig slechts een vijand.

De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat,

en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor

zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te

herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind,

zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag,

gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider

stemme: "Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn

blanken vriend komen!"

De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en

liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden,

zoodat hij in het golvend dal verdween.

"Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te

boeken hebben," zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer

neerdook.

"Zullen wij een avontuur hebben?"

"Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den

uitkijk naar vijanden."

"Is het een hoofdman?"

"Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen."

"En kent gij hem?"

"Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van

vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde

bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons."

"_Well_, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders,

er hoe meer hoe liever verwacht."

"Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn

gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar

mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn,

dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!"

"Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?"

"In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de

Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien

niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de

volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!"

Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale

houding, Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn

rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten.

Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond

daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren

van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren

kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met

versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen

was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen

was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had

stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit

alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd.

In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat

hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen

tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee

jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in

zeer goed Engelsch: "Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder

en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten."

"Ook wij verheugen ons daarover," antwoordde Humply, "daarvan kunt

gij u verzekerd houden."

De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van

den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde

declameerend uit:

"Wees gegroet, gegroet, mijn waarde!

Telg des hemels op deze aarde!

Groote hoofdman, wees gegroet!

Zet u aan mijn zij met spoed

Eer uw vijand kan genaken,

En .... laat u 't restantje smaken

Van een reebout, dat wij nu,

Vriend een broeder, bieden u!"

Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag,

dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met

ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden

willen zwichten.

"Stil, uncle!" riep Humply, "er is nu waarlijk geen tijd voor uw

gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?"

"O ja,

Gebonden, doch ontkomen,

Heeft de eedle zonder schromen

De vlucht naar hier genomen!"

was declameerende het antwoord.

De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en

zei tegen den Osage: "Dit bleekgezicht is een meester in het schieten,

en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid

van u en uw stam."

Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde:

"Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven,

moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den

tomahawk!"

"Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?" vroeg Humply.

"Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die

mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon

ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten

loopen; maar de voeten van de 'Goede Zon' zijn even vlug en tegen

vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan

inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij

dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op

te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt

op mijn leven."

"Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?"

"Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was

ik reeds uit hun bereik."

"Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd,

de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?"

"Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte

kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden."

"Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze

afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?"

"In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar

dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn

dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar

aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken

eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van

de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in

dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met

hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen,

hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen

vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons

dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren

gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om

vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig

geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het

aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te

dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor

gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer

paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of

wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts

eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing

ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht

der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier

overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij

vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens

levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden,

en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen

zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een

blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij

gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel

sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik

worstelde mij ten minste los; en op een oogenblik, toen de bewaker

zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen."

"En uw vier kameraden?" vroeg Bill.

"Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen

doen om hen op te sporen?"

"O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen."

"Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou

zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl

naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben,

en daar hulp te gaan halen."

Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: "Bijna onmogelijk! Van

Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens

als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe

zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen

uw kameraden afgemaakt worden!"

"Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het

vlugste paard!" antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. "Mijn

vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen

en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp

zou dus nog wel bijtijds kunnen komen."

"Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het

is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet

noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij

zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden."

"Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!" riep de Indiaan op

een toon van blijde verrassing.

"Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de

tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!"

"Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen,

en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!"

"_Pshaw!_ gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben,

om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere

koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen,

ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegt _gij_

daarvan, oude uncle?"

De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in

geestvervoering zijn oogen dicht, en riep:

"Ik ben één van de vier!

En ik zeg 't zonder snoeven,

Ik rij mee met plezier

Naar het bivak der boeven;

En wij halen als buit,

De vier broeders er uit!"

"Mooi zoo! en gij, mylord?"

De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam

van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch,

en antwoordde: "Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?"

"Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!"

"Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als

wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben."

"Hum ja!" hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd

aanzag. "Maar waar moeten wij dat vandaan halen--weet _gij_ dat?"

"Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem

waarschijnlijk dicht op de hielen zitten."

"Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof,

dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze

roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?"

"Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het

gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij

geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking,

om ons zóó te posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen,

geheel door ons omsingeld zullen zijn."

De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe

langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik,

en zei:

"Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft,

sir! Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?"

"O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel,

waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies

zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen

in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en

beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels,

dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben

hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het

licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders

te zien krijgen, dan den rook uit de geweren."

"Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk,

is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?"

"Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en

daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te

passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken."

"_Well!_ Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen

zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik

juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons

eens, uncle!"

De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm,

en antwoordde:

"Ja, ja, zij worden ingesloten,

En tot den laatste doodgeschoten!"

"Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te

staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links,

en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier

krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden,

al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich

gedragen."

"Dood maken niet!" opperde de lord.

"Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen

eigenlijk geen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij

dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen

mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal

zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet

gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat

bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag

er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door

dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik

geloof, dat wij niet langer mogen talmen."

Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek,

waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had,

in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de

dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn

kijker meegenomen.

Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een

levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman

ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting

ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de

wacht hield, den luiden roep hooren: "Opgepast! ze zijn in aantocht."

"Stil!" waarschuwde de gebochelde iets minder luid.

"_Pshaw!"_ antwoordde de Engelschman. "Ze kunnen het onmogelijk

hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af."

"Welken kant uit?"

"Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien,

die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van

den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden."

"Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!"

Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende

paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden

twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed

gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den

hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen

er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra

zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: "_Stop_,

messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!"

Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand,

daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij

zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde:

"Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom

voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!"

"Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen," klonk het

van boven.

"Wij zijn ook jagers!" was het antwoord. "Zijt gij een eerlijk man,

laat u dan zien!"

De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er

allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den

kleine: "Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier

hebt gij mij!"

Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden;

maar hij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste

of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon.

"_Zounds_!" riep een hunner. "Als ik mij niet vergis, is het

Humply-Bill!"

"Ja, zoo word ik genoemd."

"Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn

altijd bij elkander."

"Kent gij ons dan?"

"Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u

te schillen!"

"Maar ik ken u niet!"

"Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien

... _Boys!_ die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij

gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens

daar van boven naar beneden blazen!"

Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte

eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer.

"_Heigh-day_, dat was goed gemikt!" jubelde de man. "Nu nog de

Gun-stick-Un...."

Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet

geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn

beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der

drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van

hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af

naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De

lijken der tramps werden onderzocht.

"Goed gewerkt!" sprak Bill. "Geen een schot heeft gemist! Ze zijn

alle vijf ineens morsdood geweest!"

De schat in het Zilvermeer · 第 12 / 51 段