gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen
was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: "Het
geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het
is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan."
"Dat geloof ik ook," knikte de Engelschman. "Ik heb die twee geweren
extra voor de prairie besteld."
"Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd
bevervellen voor."
"Het is niet te koop."
"Dan geef ik er hem honderd en vijftig."
"Dan ook nog niet."
"Voor tweehonderd ook niet?"
"Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden."
"Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden:
ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil."
Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was,
nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord
schudde zijn hoofd, en antwoordde: "Lord Castlepool ruilt nooit en
verkoopt ook nooit. Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers
op zijn minst even voortreffelijk als het uwe."
"Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik
mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen,
zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij
zich, dan ik noodig heb."
Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking
der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden
alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken
onderzocht, zei Bill: "Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij
niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet
toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de
anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den
dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel
schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun
dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken,
en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen,
die wij willen gaan bevrijden."
"Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?" vroeg de Engelschman.
"Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond
den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop
afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen,
dat achter hen ligt."
"En deze lijken?"
"Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die
schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven
worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!"
Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd;
maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid;
in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de
mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te
zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen
brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven,
om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een
tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven,
en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen
verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander,
steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan,
doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan.
De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps
kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen
spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon
zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een
donkere streep, en de Osage verklaarde: "Dat is de achterzijde van
het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts,
en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de
graven van onze omgebrachte broeders."
"Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien
hoek bereikt?" vroeg de lord.
"Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier
gaans, om aan het bivak der tramps te komen," verklaarde de Roodhuid.
Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een
woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden
dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman
steeg nu insgelijks af, doch zei: "Mij dunkt, dat wij geen oogenblik
te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier
met de handen in den schoot gaan zitten?"
"Dat is geen goed doordachte vraag, sir!" antwoordde de
bultenaar. "Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden,
als wij ons dood laten schieten?"
"Dood laten schieten? Hoe dat?"
"Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?"
"Dat nu zoozeer niet....."
"Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te
krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En
dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans
breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die
ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker
is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en
wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?"
"_Well_," knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. "Ik had
niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn."
"Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en
dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen
dollar te ontvangen."
"Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?"
"Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben."
"Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt
ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf
tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan
reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur."
"Ook weer voor vijftig dollars?"
"Yes!" knikte de lord.
"Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken," zei Bill lachende. "Als
gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult
gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult
weten waar het vandaan te halen."
De lord glimlachte eens, en antwoordde: "Er zal wel genoeg zijn. Ik zal
wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan
te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?"
"Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden,
zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij
den neef van mijn uncle geen denken aan!"
De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door
de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook
over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun
sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster
liet zich zien.
Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan
den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het
open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den
teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd
bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het,
achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan.
De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat
het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord,
die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen
ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen,
niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen
der boomen.
Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde
hem toe: "Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die
volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij,
zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten."
Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts
schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De
lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden
schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan,
en fluisterde: "Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen
der tramps vernomen."
Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet
vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand,
dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen
gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor
het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden.
"Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom," zei de Osage.
Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende
oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze
hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees
eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond.
"Wel?" vroeg Bill. "Wat nieuws brengt gij ons?"
"Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer."
"Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een
meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen,
die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er
gesproken werd?"
"Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De
tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een
bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een
toespraak hield."
"Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?"
"Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik
wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken,
zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak."
"Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?"
"Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten
nadeele van de armen, zoodat men van de rijken behoort af te nemen
alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen
van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken
van al het geld, dat in de staatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al
de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden,
als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen."
"Wat nog meer? Vertel verder!"
"Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim
voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar
verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats
in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn."
"Waar is dat?"
"Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij,
elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp,
die hem bewaakte."
"Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen."
"O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter,
dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij
behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben
ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem
toegefluisterd, dat zij gered zullen worden."
"Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat
zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde
verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is
een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden
nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden
door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren,
regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om,
terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen
los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!"
De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het
mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo
naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden
tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer
dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman
gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den
drie blanken toe: "Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit
vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er
bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet
gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen
gebonden?"
"Ja," antwoordde de bultenaar. "De toespraak, die de kerel met het
roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd
van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot
belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een
aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig
staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar
toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben."
"Dat moest mijn broeder liever niet doen!" waarschuwde de hoofdman.
"Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?"
"Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het
bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden."
"Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!"
"Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig
den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk
worden, de Osagen te bevrijden!"
"Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant
gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch
door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien,
die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik
opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan
ons niets. Hier is mijn geweer uncle!"
Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in
zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen,
en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek
veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps
spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen,
en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon.
In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps
de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet
vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel
Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen
heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en
Humply-Bill hoorde hem zeggen: "Ik kan u dus een goeden buit beloven,
want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?"
"Ja, ja, ja!" antwoordden de anderen.
"En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók
meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk
of tien vrijwilligers werven?"
"Neen, neen, wij doen natuurlijk mee," zei een der drie. "Ik zie niet
in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is:
is het geld er al?"
"Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl
ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij
kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder
dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg,
en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de
schobberds, die hun aanvoerders zijn!"
"Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?"
"Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een
ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds
daar is."
"Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?"
"Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan
zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u
later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen
zal zijn."
"Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand
liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen."
"Zijt gij bang?" vroeg de roodharige spottend.
"Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer
van die soort van menschen."
"Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken"? Bedenk toch, dat wij hier over
de vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche
familie niet in hun schulp zouden kruipen.'
"Gaan die allen mee naar Butler's boerderij?"
"Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat
wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?"
"Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?"
"Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij
aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan
wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden."
Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden,
en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen
moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de
hoofdman viel hem in de rede, en zei: "Ik heb mijn blanke broeders
enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij
onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te
bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen,
maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij
eerst dan helpen, als ik bemerkt word."
"Wat gaat hij nu doen?" vroeg de Engelschman zacht.
"Een meesterstuk," antwoordde Bill. "Wees zoo goed en ga weer liggen,
en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er
een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen
niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar
onze paarden te loopen."
De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier
aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van
den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de
gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten
vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende
schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de
weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef
onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers,
die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij
eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een,
een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun
hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de
wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste
geluid of geritsel deed hooren.
Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps
tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. "Is het
klaar?" vroeg Bill. "Ja," antwoordde de Roodhuid.
"Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?" fluisterde
de lord hem toe.
"Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn
mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en
toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip
ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te
gaan, waar ook die van ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan
is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen."
"Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?" waarschuwde Bill.
"Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra
gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan
zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw
der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de
plaats, waar wij afgestegen zijn. _Howgh!_"
Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven,
dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps
verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen,
die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens
waren zij weg, als verzonken in den grond.
"_Wonderful!_" fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde
toe. "Precies zooals men dat in romans leest."
"Hum!" antwoordde de kleine "Gij zult bij ons nog menigen roman
beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken."
"Moeten wij nu weg?"
"Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels
zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje."
Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats
een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden
schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van
Indianen kwamen--en toen een snuiven en stampen, en hinniken en
dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde.
De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg
wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel:
"De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen...."
Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op
de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om
hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en
haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde
in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend:
"Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?"
"Indianen, Indianen!" werd er op dat oogenblik geroepen van den kant,
waar de paarden gestaan hadden.
"Te wapen! naar de paarden!" brulde de kornel. "Wij zijn
overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!"
Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles
draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken;
en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen,
bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu
eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet,
en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men
iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog
andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat
die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbij
hadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich
vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de
tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier
bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij
verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man
was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht.
Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten
sprak de kornel: "Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor
ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te
veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken."
"Waarom?" werd er gevraagd.
"Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een
groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail
van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel
vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij
van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij."
"En denkt gij dat zij dat verraden zullen?"
"Natuurlijk!"
"Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?"
"Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons
te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden."
"Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam
wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf
man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!"
"Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch
gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te
vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen,
en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben."
"Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door
den nacht overvallen en verdwaald zijn--of zij hebben, om niet verdoold
te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg
wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen,
want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan."