"Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij

die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde

meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar

begraven heeft."

Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat

niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden

in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde

den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met

zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller

zweeg, riep Fred: "Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft

aan mijn vader toebehoord!"

Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem

met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan,

door te zeggen: "Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult

later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de

hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan,

dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta."

"Ik ook!" verklaarde de oude Missouriër op een toon vol

geestdrift. "Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld,

en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch

allen ook mee, kameraden?"

"Ja, ja, natuurlijk ja," klonk het uit den mond van al de rafters.

"_Well!_" zei Old Firehand, "dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij

behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren,

daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt

gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het

wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen

leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!"

VIJFDE HOOFDSTUK.

INDIAANSCH MEESTERSTUK.

De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel

aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een

zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van

smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot

stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof

op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere

kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets,

zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende

heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand

der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine

boot verdwalen zal in volle zee.

In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen

te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee

zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in

beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn,

die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed

zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der

golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer

zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte,

niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun,

maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest

en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een

waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de

achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking,

zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn

te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins.

De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn

gezicht--ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De

uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet

uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan

de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van

een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als

gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw

kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks

lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die

baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende

punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaam van "vadermoorder"

placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag,

verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de

prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen.

Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer,

van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de

schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange

blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen,

was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van

middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk

uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder,

en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken,

waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden

revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die

bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen.

Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te

slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er

niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak,

een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had.

De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer

prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken,

dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier

goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen

tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen

met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den

draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man

met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald

doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd.

Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de

ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem--van waar eigenlijk

kon hij niet zien--deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren:

"Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?"

De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar

links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht,

nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór

hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan

hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang

werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn

rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig

en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren:

"Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op

de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien

is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen

aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!"

De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker

weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig

dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen

met de hand achter zich, en antwoordde: "Daar vandaan!"

"Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!"

"Dien weg," antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor

zich uit.

"Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!" lachte de nog altijd

onzichtbare vrager. "Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde

prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende

gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een

eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige

omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle

pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het

mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord

staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder

draaierij: Waar komt gij vandaan?"

"Van het kasteel Castlepool," antwoordde de man, op den toon van

een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den

schoolmeester.

"Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?"

"Op de landkaart van Schotland," hernam de ruiter, terwijl zijn

gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was.

"God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En

waar is de reis naar toe?"

"Naar Calcutta."

"Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?"

"In Voor-Indië."

"_Lack-a-day!_ Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit

Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?"

"Ja, maar niet geheel en al."

"O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt

waarschijnlijk een Engelschman?"

"_Yes._"

"Wat is uw beroep?"

"Lord."

"Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn

hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom, _uncle_ (=

oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben

volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van

Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meter _spleen_

(= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal."

Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee

gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer

lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed,

geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met

breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf

als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug,

en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een

scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel--oude, zeer

lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne

met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog

een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor

beiden te wezen; want terwijl de lange nog geen woord gesproken had,

vervolgde hij nu: "Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want

anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander."

"Willen wij eens wedden?" vroeg de Engelschman nu.

"Wat wedden?"

"Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar

wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij."

"Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?"

"Denkt gij dat? _Well_, laat ons dan wedden om honderd dollars!"

Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren,

maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die

boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan.

"Master!" riep de kleine, "ik begin te gelooven, dat het werkelijk

meenens bij u is!"

"Wat zou het anders zijn?" vroeg de Engelschman verwonderd. "Wedden

is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij

elke gelegenheid."

"En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!"

"Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om

honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?"

"Wij hebben geen geld."

"Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij

betalen kunt."

Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep

ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: "Ons leenen

... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?"

"O ja, dat weet ik zeker."

"Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u

doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen."

"Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner

zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb."

"_Uncle_ (= oom)!" zeide de kleine hoofdschuddend tegen den

lange. "Zulk een _boy_ heb ik van mijn leven nog niet gezien of

gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te

bekijken."

Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange

volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een

boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de

bultenaar: "Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan

niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand

die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben,

het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet,

wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis,

hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de

proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!"

Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den

teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers,

en op een korten strengen toon riep deze: "Hand weg of ik schiet!"

De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen.

"Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!"

De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een

volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele

wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid

en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan.

"Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd

ben?" vervolgde hij. "En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien

gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan

vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u

geantwoord. Maar nu verlang _ik_ te weten wie ik vóór mij heb. Hoe

heet gij, en wat zijt gij?"

Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens

goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen

indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen:

"Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men

kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco [1] als eerlijke

jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte,

om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen

aan te sluiten."

"_Well!_ En uw namen!"

"Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt

men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover

ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn

kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle,

omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt

heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten;

en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen,

zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten."

De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij

hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen

zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier

uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende

antwoordde hij: "Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave

en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien."

De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond;

toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange

met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de

kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: "Werkelijk een lord,

lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw

leven..."

"_Pshaw!_" viel de lord hem in de rede. "Wat ik zoek? Ik wil de

prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De

geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de

Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan

elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat

ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij

paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb."

"Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel,

waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten."

"Volg mij dan!"

Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij

nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan

hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot

achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen,

die men veilig met de gemeenzame benaming van "oude knollen" had

kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een

hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte

gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden.

"Wat een venijnig kreng!" zei Humply-Bill. "Schijnt zeer ongezellig

te zijn."

"O neen," antwoordde de lord. "Maar hij weet, dat ik nog niet op een

vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw

paarden ook nog geen kennis maken."

"Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar

uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn."

"Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte

Koerdische _hoezaan_ (= hengst), als gij het niet kwalijk neemt."

"He! Waar ligt dat land?"

"Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee

naar huis genomen."

Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even

gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar

naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het

Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander

een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras

zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden,

gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed

er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet

aan de anderen, maar aan hem toebehoorde.

"Zoo gaat het goed!" zei de Bultenaar. "In de prairie moet men geen

complimenten maken."

"Die maak ik ook niet," antwoordde hij. "Gij hebt gisteren uw vleesch

geschoten; vandaag of morgen schiet _ik_ wat op mijn beurt natuurlijk

voor u meteen."

"Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen

zijn?"

"O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien

dollars, of om meer, als gij wilt."

Meteen greep hij naar zijn geldtasch.

"Laat uw banknoten maar rusten," zei Humply. "Wedden doen wij niet!"

"Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren."

Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog

eens op met een scherpen blik, en zei toen: "Ik ben den Arkansas

komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids

aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal

uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht,

dat echte prairie-mannen nergens beter te vinden zouden zijn, dan

in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij

met mij meegaan?"

"Waar naar toe?"

"Naar Frisco, aan gene zijde."

"Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is."

"Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een

rond jaar duurt, dat doet er niets toe."

"Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren

kan?"

"Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel

te ondervinden."

"Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u

meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven

van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden

noodig zijn, naar Frisco maken."

"Ik zal er u natuurlijk voor betalen."

"O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan

te doen."

"Kunt gij schieten?" vroeg de Engelschman.

Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan,

toen hij antwoordde: "Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna

nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten

kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult."

"Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die

gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden

halen?"

Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven

in de lucht, en antwoordde: "Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar

of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen

betwijfel ik sterk."

Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen

nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen

als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is.

"Schiet dan eens!" gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden

van den bultenaar te ergeren.

Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen

los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg

fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden,

doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens

sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel

als een baksteen loodrecht neer op den grond.

"Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?" vroeg de kleine schutter.

"Niet kwaad!" luidde het leuke antwoord.

"Wat? Noemt gij dat leuk weg _niet kwaad_? Bedenk eens welk een hoogte,

en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen,

want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een

meesterlijk schot genoemd hebben!"

"_Well_, de tweede!" knikte de lord den langen jager toe, zonder op

de gemelijkheid van den kleine te letten.

Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de

linkerhand op zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als

een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel,

en sprak toen op pathetischen toon: "De roofgier zweeft in hooger

sfeer.--En blikt van daar op de aarde neer,--En hoopt op lekker aas

alweer,--Maar....'k schiet, en 't ondier leeft niet meer!"

Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en

hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord

gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk

stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm

zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid

van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al

lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat

trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil.

"Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is

een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest,

en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als

hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete

klanken, dat wil zeggen op rijm."

"_Well!_" knikte de Engelschman. "Of zijn mond van honigzoetheid houdt,

of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan

hij schieten?"

De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering,

de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van

verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer

in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den

grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn

dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood

van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed

eind verder af.

"Hij is met geen mogelijkheid meer te raken," zei Humply. "Vindt gij

dat óók niet, uncle?"

De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de

gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden

uit hun graf doen verrijzen: "Door zijn vleuglen weggedragen,--Zweeft

hij over berg en dal!--Ik behoef geen schot te wagen,--Daar hij toch

ontkomen zal.--Wie hem nu nog wenscht te kriegen,--Dient hem achterna

te vliegen!"

"Onzin!" riep de lord. "Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer

te raken is?"

"Ja, sir!" antwoordde Humply. "Geen Old Firehand, geen Winnetou en

geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te

halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen."

"Zoo!"

De schat in het Zilvermeer · 第 11 / 51 段