Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat

in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn

vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf

zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het

vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in

de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te

zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen.

"He, komt gij alleen terug?" riep de oude Missouriër reeds van verre

Old Firehand toe.

"Dat ziet gij," antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard.

"Was hij dan niet te pakken te krijgen?"

"Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo

onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp."

"Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is."

"Nu, oude Blenter! ik geloof niet dat _gij_ de man zijt, die het

recht heeft om het hardst daarover te klagen."

"Hoe zoo dat?"

"Wel omdat het eigenlijk gezegd _uw_ schuld is."

"_Mijn_ schuld?" vroeg de oude verwonderd. "Dat vat ik niet. Gij

moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom

gij dat aan mij wijt?"

"O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend

geworden is?"

"Dat heb _ik_, natuurlijk."

"En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets

overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En

wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?"

"Ook dat heb _ik_."

"Maar zijn mes hebt gij hem laten houden."

"Hij had in het geheel geen mes."

"O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende

alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen

losgesneden, waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar

hem tevens het mes gegeven."

"Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?" vroeg Blenter verlegen.

"Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers."

Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door

bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij,

dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen

greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin

als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als

waanzinnig uit: "Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een

oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles

is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd,

dat hij degene was, waarvoor ik hem hield."

"Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen

wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden

geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden;

want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij

hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene

niet hier tegenwoordig is."

Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte

terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij

onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling

achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen

onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was

blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch

of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den

terugtocht aangenomen.

Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat,

en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams

zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: "Maar hebt gij dan niet

gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te

blijven staan?"

"Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord," was het antwoord.

"En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?"

"Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten."

"En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?"

"Wat had ik dan moeten doen? Had hij _mij_ misschien moeten naloopen?"

"Neen, dat niet," hernam Old Firehand lachende. "Maar om iemand

in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of

althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt,

worden de voetstappen van anderen onhoorbaar--begrepen?"

"Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven

staan?"

"Juist."

"Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik

stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik

er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig

terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!"

"Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden,

dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij

zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij

te laten loopen."

"Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom

moeten zijn om langer alleen te loopen."

"En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde

malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra

wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen

gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij

zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting

die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend

of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een

heksenmeester, dat weet ik reeds."

"Dat wil ik gelooven," antwoordde Droll, door die lofspraak

gestreeld. "Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen,

dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar

misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge

dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?"

"Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar

of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten

in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor

opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij

hem inhalen."

Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude

Missouriër verklaarde: "Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel

paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode

kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor

vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik

hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas

sedert kort aan het werk."

"Dat doet mij plezier," zei Old Firehand. "Ik heb onderweg reeds

besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop,

wel zult aannemen."

"En wat is dat?"

"Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat

noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen,

maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis."

"Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?"

"Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij

bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden,

en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te

gaan nemen."

"_Zounds!_ Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap,

en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en

patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij

wegkomen."

"Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen

bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen,

om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit

het vuur meenemen."

De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn

oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was,

verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen,

en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar

Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het

natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met

zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen, liep hij met zijn handen

vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de

gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij

was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond

zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou

zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden,

zooveel als de duisternis dat slechts toeliet.

Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het

was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier

was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis,

bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen

op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen

hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij

eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden

mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf.

"Nu hebben wij er ten minste reeds een," zei een dier mannen,

"en die zal boeten voor al de anderen."

De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van

een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij

te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen:

"Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!"

Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem

van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei:

"Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij

hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden."

"Dat hadden ze ook," hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind

kwam; "maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen

zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd."

"Wij hielden u voor een rafter."

"Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn

slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen,

dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee,

ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven."

"Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeft _mij_ hier gebracht. Ik

zou graag dit blokhuis in brand steken--dan zijn zij hun logies kwijt."

"Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken,

of daar niets van onze gading te vinden is."

"Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij

alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij

den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden."

"Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben

ze niet uitgeplunderd."

"Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?"

"Ja, alles!"

"En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen

vallen?"

"Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel

is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan,

toen u overslag kwam."

"Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen,

om weer naar hier te komen."

"Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat

wij weg waren?"

"Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben."

Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij

de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in

de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op

welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf

gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan,

en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht.

Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere

bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch

en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen

werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de

slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie

vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij

lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur

aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets

anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van

den wind door de toppen der boomen.

"Zij komen nog niet," zei Woodward. "Wat nu?"

"Maken dat wij wegkomen, natuurlijk," antwoordde de kornel.

"Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend."

"Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons

achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten."

"Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water."

"Welnu, dan zullen wij varen!"

"Waarmee? Waarin?"

"In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een

of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed,

dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats."

"Waar dat is weten wij niet."

"Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan

al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen."

Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis,

en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den

waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps

spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had

gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs

den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon

vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden.

Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in

de verte het geschreeuw van drie stemmen--dat waren die van den ouden

Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren

naar het blokhuis.

"Zij zijn op de komst," zei de kornel. "Laat ons maar gauw maken,

dat wij een boot vinden."

Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden,

lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch

van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano's,

ieder met plaats voor vier personen.

"Hangt de twee andere achteraan," gebood de roodbaard. "Wij moeten

die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die

kapot slaan."

Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot;

ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den

oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed

een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde.

"Dat's verkeerd!" zei de aanvoerder tegen hem. "Wij moeten voor

stroom af."

"Maar wij moeten immers verder Kansas in," antwoordde de man, "naar

de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps)."

"Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen;

die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus

morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts,

om hem van ons spoor af te brengen."

"Dan maken wij een ijselijken omweg!"

"Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij

morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de

noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind

naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl

de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het

spoor te komen."

De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het

schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen

vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers,

en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik

toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis

bereikten.

Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat

zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken

en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen

gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. "Het

is juist zooals ik gedacht heb," zeide hij; "ik begreep, dat de kornel

zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te

laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een

voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan

ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden."

"Hoe dat?" vroeg de Missouriër.

"Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er

niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is."

De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets

verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij

Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts

gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd.

"Eer ik begin messieurs!" sprak de jager, "moet ik u verzoeken mij

uw woord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen,

aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn

voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt,

op wier woord ik mij verlaten kan."

Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij:

"Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte,

dat men het Zilvermeer noemt?"

"Ik wel," antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. "Ieder

onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is

geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze

gentlemen opmaken mag."

"_Well!_ Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude

mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet

uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen

zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een

uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een

groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische

kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet

zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen

noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten,

en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen."

"Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!" riep de oude Missouriër,

geheel in verrukking gebracht. "Dat Old Firehand goed en eerlijk

betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja

duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik,

ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet:

ik moet eerst den kornel hebben."

"En ik ook," zei Droll, "ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet

zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven

zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot

het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet,

want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen."

Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje,

terwijl hij antwoordde: "Ik hoor daar van u beiden een verlangen,

dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij

bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar

waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft

hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn

geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar

één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden

verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk

de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen,

in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van

hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem

speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om

zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn

plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden;

en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als

de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik

meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van

de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleen uit een

gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening,

er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?"

De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp

te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig,

met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem

de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De

andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd,

lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet

kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen

en den kornel verraden had.

"Nu," richtte Old Firehand het woord tot hem, "gij ziet, dat ik niet

ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder

overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf

mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap,

en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet

ge eigenlijk?"

"Ik heet Nolley, sir!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met

tranen in de oogen de hand gaf. "Ik wil u niet lastig vallen met mijn

levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen;

maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang

dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen."

"En die zijn?"

"Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij

aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij,

morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal

die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden

worden door de visschen."

"Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u

vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen;

draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij

mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij

hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?"

"Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons

alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting,

die binnenkort gehouden zal worden."

"_Heigh-day_ (= Ei ei)!" riep Droll nu. "Dan ben ik toch zoo kwaad

niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden

ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken

over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen

brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?"

"Ja," antwoordde Nolley. "Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk

achter Harper, en de naam is Osage-nook."

"He! Dien _nook_ (= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat

is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien

den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk

met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen

inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen

wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?"

"Ja," knikte de oude. "Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir

Firehand kunnen blijven."

"Wel," hernam de jager, "ik zie volstrekt niet in, waarom wij van

elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in

de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den

ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot

zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?"

"O ja," antwoordde de bekeerde tramp. "Na afloop van de meeting

wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen,

en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn."

"Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting

vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail."

"En mocht hij ook daar ontsnappen," hernam Nolley, "dan kunt gij hem

later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer."

Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old

Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg:

"Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?"

"Daar wil hij een schat gaan halen."

"Een schat? Zal die daar te vinden zijn?"

"Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen

van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige

plattegrond-teekening waar men die zoeken moet."

"Hebt gij die teekening gezien?"

"Neen, die wil hij aan niemand laten zien."

"Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles

afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een

teekening geleek."

De schat in het Zilvermeer · 第 10 / 51 段