heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen
zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen,
maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen
te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen
hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt
gij u iets kranigers voorstellen?"
Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven
eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de
reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om
dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide
Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij
tegen hen zeide: "Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de
tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk
is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen
paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps
te doen kreegt."
"De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik
verdien," antwoordde de Oude Beer bescheiden. "De tramps hebben maken
een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien
dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?'
"Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts
bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu
hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij."
Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa
ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: "Als hij niet gestorven
van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen
zijn bloed!"
"Halt!" riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes
gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. "Die kerel
behoort niet aan u, hij is mijn!"
De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen,
en vroeg toen: "Gij ook verlangen wraak tegen hem?"
"Ja, en welke!"
"Bloed?"
"Bloed en leven!"
"Sedert wanneer?"
"Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten
doodranselen."
"Gij u niet vergissen?" vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging
te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der
prairie verplicht was.
"Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk
herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten."
"Gij hem dus dooden?"
"Ja, zonder genade of medelijden."
"Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed,
en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf;
ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?"
"Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?"
"Dan Tonkawa hem doodschieten terstond."
"Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel
christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet
doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die
houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer,
die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid
te betrachten."
"Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?" vroeg de Indiaan,
daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht
nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch
ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: "Nu, dan ooren
mijn, en ik die nemen terstond."
Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te
geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: "Wat
gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan,
dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?"
"Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks
spreken," antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst.
"En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk
laten zien," voegde Old Firehand er bij. "Wij hebben uw zakken nog
niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit."
Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den
gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de
brieventasch van den kornel.
Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten
aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had.
"Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!" lachte Old
Firehand. "Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij
zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient
geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt."
De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman
stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn
voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide
oorvleugels af, die hij in de rivier smeet.
"Ziezoo!" zei hij. "Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden."
"Nu?" vroeg Old Firehand. "Wilt gij niet met mij rijden, niet althans
nog dezen nacht bij ons blijven?"
"Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen
goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te
vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te
bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder
van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel
vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!"
Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed
eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in.
"Waar hebben zij hun paarden?" vroeg Old Firehand.
"Hooger op, bij ons blokhuis," antwoordde de Missouriër. "Natuurlijk
gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht
den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel."
"Maak u daarover volstrekt niet ongerust," zei de jager. "Zij kennen
den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft,
zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij
moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het
is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij
zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen
zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?"
"De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de
anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen
wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te
duchten hebben."
"O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te
vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden
dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn,
eenige wachten uitzetten."
De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn;
doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de
rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige
wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner
drie metgezellen halen, en toen kon het "Savannen-gerecht" beginnen.
Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs
tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der
aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild
gevoerd hadden werden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies
van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt. Vannacht
zouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten
gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden.
Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij
had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur
gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of
de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over
hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde,
en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: "Hij is het,
hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!"
Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: "Vergist gij u
niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn."
"O ja, hij is het, hij is het stellig!" hield de jongeling vol. "Zie
maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst
voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu
alle hoop kan opgeven."
"Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot
herkend hebben."
"Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel
gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten,
dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen."
"Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt
mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar,
en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is."
De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn
voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad
een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel:
"Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders."
"Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die
sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden."
"Dat wel niet," mengde de oude Missouriër zich in het gesprek;
"maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode
pruik opzetten."
"Och kom? zou dat hier....?" vroeg Droll, zonder zijn volzin te
voltooien.
"Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten
bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van
mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft
een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is,
dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik."
"Onmogelijk!" zei Droll. "Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan
hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren
afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het
hoofd afgetrokken zijn!"
"_Pshaw!_ Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn
hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen."
De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij
was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze
moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen
hij onverschillig. Al zijn aandacht was op de woorden van de beide
sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos,
als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking
van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop,
zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn
triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de
kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding,
vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik
af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar
hield vast; het was werkelijk eigen haar.
"_All devils_, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!" riep
hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht,
dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de
toestand zoo hoog ernstig geweest.
Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach,
en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: "Nu, leugenaar en
lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat
hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs
eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!"
De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en
zei radeloos tegen laatstgenoemde: "Zeg mij nu toch, sir! wat gij
daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar;
maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch
wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen
kunnen mij onmogelijk bedriegen."
"En toch zoudt gij u kunnen vergissen," antwoordde de jager. "Naar
het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op
uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht."
"Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen."
"Doe ze dan beter open!" snauwde de kornel hoonend. "De duivel mag mij
halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord
of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!"
"Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!"
"Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom
de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig
abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde
als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongen _boy_
niet, en...."
Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt
of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk
herstellende, vervolgde hij: "....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij
beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij
mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende,
veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig
moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden
Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel."
Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor
bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen;
hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem
optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk,
waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt,
die niemand bevreemden kon, daar het door het gaan-opzitten van den
roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem,
en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man
nu--dat zoogenaamde lijk--was volstrekt niet dood; hij was niet eens
gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van
zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn
gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij
zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam,
zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken
te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen
zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden
telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk
reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot
hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes,
en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan,
of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem
voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel
bevond, en sleepte hem naar de plaats waar de lijken moesten liggen.
Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende
oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een
gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen
men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte
bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten
later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee,
zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op
den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen
aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw,
en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel
los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte,
opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou
kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het
hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen
van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes
in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en
ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor,
en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen
ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van
den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid
van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: "Waar _ik_
iets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig
staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid
van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!"
"Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen
verven?!"
"O, dat is zoo onmogelijk niet," gaf de jager op veelbeteekenenden
toon ten bescheid.
"Misschien met _ruddle_ (= roodsteen)?" vroeg de kornel met een half
spottenden lach. "Dat zou immers erg afgeven!"
"Lach maar zoo hard als gij wilt," hernam Old Firehand ernstig;
"lang zult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen
draaien, mij evenwel niet!"
Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden
afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den
gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: "Zoodra men
u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat,
en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het
gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent
een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen."
Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en
een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors
nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus,
en vroeg hem: "Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die
bij u?"
Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was;
maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die
zeker is van zijn zaak: "Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand
zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had
ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament;
het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje
hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er
in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?"
Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig
uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze
antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: "Ja,
ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn
gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet
zulk een klein ding: een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen
doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en
het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit,
een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (_Celtis occidentalis
L._). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van
dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven;
bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?"
"Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen
woord heb verstaan, veel minder begrepen," antwoordde de kornel
allesbehalve gepolijst. "Ik zou wel eens iemand willen zien, met
een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat
haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis,
want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben."
"Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier
alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad
hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn
haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven,
als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de
man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is,
zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken."
"Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten," merkte Fred
aan. "Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen
is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met
het mes in de kuiten, aan de eene zijde er in en aan de andere zijde
er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man,
waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens
nog te zien zijn."
Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd
dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien
los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: "_Well_, beste
boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den
persoon vergist." Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred
de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg
eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide
voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En
meteen sprong de kornel overeind.
"_Good bye_, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken," riep
hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee
rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte
over op het geboomte aan.
Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had
gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht,
dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee
uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde
bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen
verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd
hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere
eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle
vergelijking onmogelijk was.
Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en
het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem
te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht
beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor
hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den
kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou
het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het
vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde
oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong
over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen
te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo,
dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het
werk van een paar seconden.
"Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!" riep hij, en wendde
zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den
tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer,
en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen.
Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer
te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat
hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan,
onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen
zou hebben.
De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll
rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig
reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen
"nachtjapon" aangehad had, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen
zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet
vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers
achternazette.
"Staan blijven, Droll!" riep hij dezen daarbij toe.
Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door,
in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was
nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de
duisternis, die onder het geboomte heerschte.
"Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!" schreeuwde
Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog
slechts vier passen van hem af.
"Moet hem hebben, moet hem hebben!" antwoordde hijgend de in een
staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem,
en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in.