kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk
morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den
doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best
mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen,
zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder."
"Maar waarnaar toe?"
"Naar Eagle-tail."
"O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij
dus in den steek moeten laten."
"Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen,
en...."
Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van
verwondering, die de anderen niet begrepen.
"Wat is het? Wat scheelt u?" vroeg er een. "Spreek verder!"
De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek
gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet
meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër
de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een
geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender
werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef
niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door
het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun
kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige
voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd
uit de biezen omhoogstak.
"Niet zien laten!" fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen
achteruit.
Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom
had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan,
om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met
groote sluwheid, want hij zei: "Ik herinner mij daar, dat ik bij de
paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!"
Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en
linkerzijde gezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde
hij hun toe: "Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt
een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb,
dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook
gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed
vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus
vooruit maar!"
Bij deze woorden "vooruit maar!", die hij zoo luid mogelijk uitsprak,
draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar
de plek, waar hij het hoofd gezien had.
De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en
scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen
fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging
achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook
was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij
stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe:
"Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!"
Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop
schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat
alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij
achter zich reeds het "vooruit maar!" van den kornel, en omkijkende
zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee
andere tramps dadelijk volgden.
De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid
van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn
lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps
sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn
mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond,
dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij
kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren
zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook
zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening
weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.
Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de
kornel legde hun het zwijgen op. "Stil!" gebood hij; "wij weten niet of
er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken."
Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn
geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te
brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te
worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou
moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden,
daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde
ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig
gauw weggegaan, om hulp te halen.
Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel
over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen,
scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij:
"Kerel! ik ken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je
vroeger al eens gezien hebben?"
De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval
was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat
kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer
onverschillig gezicht te zetten.
"Ja, ik moet je ergens gezien hebben," herhaalde de kornel. "Wie zijt
gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?"
"Ja," antwoordde de gevraagde.
"Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?"
"Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de
menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der
noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed,
voor wie men zich in acht dient te nemen."
"Rekent gij ook ons daaronder?"
"Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten
blijken. Want ik ken u niet."
"Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet
dus zeer goed wie en wat wij zijn."
"Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons
bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om
te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om
te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist
op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt."
Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis
gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij
vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde:
"Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij
de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik
je. Wilt gij dat bekennen?"
"Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet
mij voor een ander aan."
"Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?"
"Ja."
"En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord
hebt?"
"Ja, geen woord!"
"Hoe is uw naam?"
"Adams--ik heet Adams," loog de Missouriër, die alle reden meende te
hebben, om zijn waren naam niet te noemen.
"Adams," zei de kornel hem peinzend na. "Adams! ... Ik heb nooit
een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd
houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet
gij hoe ik heet?"
"Neen," verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid. "Maar
laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijke
Westmannen zijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten."
"Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen," lachte de
roodbaard. "Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken,
en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om
bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is
gedaan met u!"
"Wat? Wilt gij mij vermoorden?"
"Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog
beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult
sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel
morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden." En zich tot de
zijnen wendende: "Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid
van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond;
hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij
hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte."
Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte.
"Verzuipen dus!" zeide de kornel. "Bindt zijn armen en zijn beenen
stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het
water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!"
Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij
door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst
een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk
reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt
niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan
zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten,
en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver
weg, in de doodsche stilte van den nacht.
"_All lightnings_!" vloekte de roodbaard. "Laat hem toch niet zoo
hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt,
zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!"
Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de
hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren,
want....
Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp
in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk
Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor
liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar
het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over
een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn
paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter
opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken
nauwlettend bekeken had, zeide hij: "De kerels zijn ons ongeveer een
Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur
oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen."
"Waarom dat?" vroeg Tom.
"Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij
ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben."
"Is dat niet gevaarlijk voor ons?"
"Voor zoover ik weet volstrekt niet."
"Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordt
hun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen
precies in den mond loopen."
"Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden
juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker
valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de
gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters,
die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de
plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij
spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht,
waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij
dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?"
Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn
plat-Duitsch: "Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als
wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen
langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen
dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen
redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen,
dat de boomen er van beginnen te waggelen."
Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit
voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps
hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht,
en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door
de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd,
maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan
zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen,
die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren.
Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet
meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die
nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: "Wij hebben ruim een mijl
afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij
ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te
voet, en de paarden bij den toom leiden."
Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden
afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling,
zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het
viertal hield dus halt.
"Wat nu?" vroeg Tom. "Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren."
"Neen," antwoordde Droll. "Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes
door, totdat wij hen vinden."
"Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!"
"Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren,
en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee,
mijnheer Firehand?"
"Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen," luidde zijn
antwoord. "Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting
van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben;
dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat
meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen
ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij
ons gewaarworden."
"En als zij geen vuur hebben?" wierp Tom tegen.
"Dan ruiken wij hun paarden," zeide Droll. "In het bosch ruikt men
de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft
mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren
naar rechts."
Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de
overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de
rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg
daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old
Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond
in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg
was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere
bosch slechts zeer langzaam kon gaan.
Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden
ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier
terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps
heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat
kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old
Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich
te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof
Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: "Dat is rook;
die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat
ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar
lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur."
Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp
gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en
tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den
teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn
fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In
de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog
van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps
een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old
Firehand greep toe, met beide handen.
"Halt!" gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver
gehoord te worden. "Wie zijt gij?"
"Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia (= ik weet niet, niemand)," antwoordde
de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen.
Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des
nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke
handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal
iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig
van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand
vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: "Dat
is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt
toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt."
De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde
schielijk in zijn gebroken Engelsch: "ik Nientropan-hawi; gij Old
Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?"
"Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja,
ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben
paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht
in de nabijheid; neem u dus in acht!"
"Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen
doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand
mij vasthouden."
"Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar
zijn zij?"
"Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden."
"Is de roodharige kornel bij hen?"
"Ja, hij daar zijn."
"Waar hebben zij hun paarden?"
"Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan
vuur komen."
"En waar zijn de rafters?"
"Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken."
Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand
antwoordde: "Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak
den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd
te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden
is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons
naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar
de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel
niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter,
dat de houtvlotters onverwijld hier komen."
De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun
paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het
bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter
voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen,
de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de
paarden staan.
Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien
of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen,
en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old
Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij
meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder
der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te
ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen,
toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die
door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp,
van den ouden Missouriër.
"Zij vermoorden hem!" zeide Old Firehand nog altijd
fluisterend. "Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade
voor wien zich verweert!"
Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps
op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist
den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had
geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag
neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden
en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks
onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer
weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij
sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit
te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven.
Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had
zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en
stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten
gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen
naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer
op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver
begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn
macht, om hun schrik te verhoogen.
Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende
fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager
schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen
waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid
eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er
was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik
over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het
eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot
bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden
dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam
hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen,
zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen,
wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte,
veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn
eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps,
was er geen volle minuut verloopen.
"Hen achterna!" riep Old Firehand. "Ik blijf hier. Laat hen niet aan
de paarden komen."
Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar
de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps,
die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen
er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder
het bosch in.
Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op,
op de terugkomst van hun twee verspieders--den Missouriër en den
Tonkawa-hoofdman--gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier
hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen
zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis,
en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van
waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo
hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee
bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die
met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van
tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te
houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór
hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer.
"Gauw komen, gauw!" riep hij. "Old Firehand daar zijn, en op de tramps
schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!"
Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten
had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het
geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps
zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven,
om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder
gehaast. Menig hunner liep tegen een boom, en liep zoodoende een
kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan.
VIERDE HOOFDSTUK.
AAN DE VERGELDING ONTKOMEN.
Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old
Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig
en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets
buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken
der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en
gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel.
"Verduiveld!" riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. "Wij
dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham's
schoot."
"Ben ook in levensgevaar geweest," antwoordde de oude; "op het punt
geweest om overgekolfd te worden in Abraham's schoot, namelijk door de
kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd,
toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping
hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt
nog iets van hen kunnen leeren, _boys_ (= jongens)!"
"En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?"