hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun
geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij
natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken
op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit
begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar
hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te
verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou
weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat
hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit
de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden
was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter
geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn,
en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet
toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de
rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk
verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman,
om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen,
dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van
mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest
was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar
aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij
mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest
hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand,
daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien
eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven,
en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn
gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik
al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij
was de rafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord,
dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan
hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen
hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het
overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden."
"Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden
ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is
Winnetou niet met u meegegaan?"
"Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had
hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik
niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de
zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den
ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij
was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom
ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best
in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En
nu...._behold_ (= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?"
Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist
waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis
van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren
Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend
zijn hand omhoog, en zei: "Niet vrees hebben, want wij niet vijanden
zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?"
"Ja, dien kennen wij," antwoordde de oude Blenter.
"Hij voor u weg, om te halen geld?"
"Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder
bij ons zijn."
"Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die
wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten,
anders wijd gehoord worden."
Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende
hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken
brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan
was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei:
"Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen
honger hebben."
Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der
rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te
zeggen: "Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken,
zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet
precies alsof deze plaats aan u toebehoort."
"Wij niets wagen," luidde het antwoord. "Roode man moet niet
zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat
ondervinden."
"Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot
een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen,
vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een
Pueblo zijt."
"Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn
Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon."
"Wat, de Groote Beer," riepen verscheiden rafters verwonderd, en de
Missouriër voegde er bij: "Is die jongen dan de Jonge Beer?"
"Juist geraden!" zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.
"Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal
welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons
zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?"
"Wij komen, om rafters waarschuwen."
"Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?"
"Groot gevaar."
"Welk gevaar dan? Spreek!"
"Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken."
Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen
een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen
zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen
wigwam.
"Hebt gij paarden bij u?" vroeg de oude Blenter. "En dat in den
nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden
ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!'
"Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan
het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden,
dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig,
want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden."
"Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze
streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden
te verweren.'
"Missouri-Blenter zich vergissen."
"He, weet gij mijn naam?"
"Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht
praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch
komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs
door weinig vijanden."
Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee
paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel,
en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn
portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: "Nu Tonkawa
spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom
hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld."
"Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis
hebben."
"Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen."
Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de
stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed
een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste
aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd
was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever
van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den
dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet
volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest
en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en
den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer
noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de
tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden
te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee
Tonkawa rondzwervende Choktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee
paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke
formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de
tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij
den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de
Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht
op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open
plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk
geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en
ander mededeeling te doen.
"Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?" vroeg de oude
Missouriër.
"Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen."
"Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch
den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig
gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?"
"Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is."
"Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht."
"Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk
doorrijden om rafters waarschuwen, want..."
Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel
zachter fluisterend: "Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van
huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken."
Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop
hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel
tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil,
dien iedere Westman kent--den doodsgil van een mensch. Kort daarop
kwam de Tonkawa-hoofdman terug.
"Een spion van de tramps," zei hij. "Tonkawa hem gegeven het mes,
van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen
wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal
terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen
misschien beluisteren tramps."
"Dat is waar," fluisterde de Missouriër. "Ik zal meegaan en gij zult
mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben
nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen
zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in
hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht
te weten wat zij van plan zijn te doen."
"Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier
dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen,
maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn."
"En wat doen onderwijl de anderen hier?"
"In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen."
Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het
blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop
met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort;
toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te
gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.
De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat
eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven van
_Rolling-Prairie_ (= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan
berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen
gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien,
die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche
oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan
boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op
elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende
golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit
men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras-
of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de
wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat
haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal
steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid
is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland,
want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze
dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.
Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de
hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer,
hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde
sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de
rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning
naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van
kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker
te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van
veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den
Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel
en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo
behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men
het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid,
want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk
veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.
Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als
rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer
nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de
behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich
voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert
de duisternis van den nacht reeds begonnen was.
Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in
een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht
begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende
beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier
ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen
met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen
en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders
reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van
het bosch bevonden.
"Tramps even onvoorzichtig als rafters," fluisterde de Tonkawa-hoofdman
tegen zijn tochtgenoot. "Branden groot vuur, alsof zij braden wilden
geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken
dan klein vuur. Vlam niet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk
daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien."
"Ja, er komen kunnen wij," zei Blenter. "Maar of wij zoo dicht bij
hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog
de vraag."
"Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij
staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk
bosch in."
Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en
de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen,
de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger
op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden,
dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden
de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo
schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af
te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het
stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen
en weer slaan van hun staarten onderscheiden.
Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader
en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij
van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De
tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht
opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de
tramps zaten.
De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas,
dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij
ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en
dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat
men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het
biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook
mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor
zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude
Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen
met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen
doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich
plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor
den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te
maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in
zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.
Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen
zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan
konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet
gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag
naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte
gaan, en vroeg toen zacht: "Wie is nu die kornel, van wien gij ons
verteld hebt?"
"Kornel niet daar; hij weg!" fluisterde de Indiaan terug.
"Misschien óók wel om naar ons te zoeken."
"Ja; bijna niet anders kunnen zijn."
"Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?"
"Neen, hij dat niet zijn."
"Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?"
"Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met
handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel."
"Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad;
en dien andere zult gij doodgestoken hebben."
"Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen."
De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over
allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars
het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei:
"Ik ben benieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het
zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren."
"Ze zijn er nog, en dichtbij ook," antwoordde een ander. "De
houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch
waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren."
"Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te
dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En
zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken;
wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen."
"En dat zullen wij niet krijgen," merkte een ander op.
"Waarom niet?"
"Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken
kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan
wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij
laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is
onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan."
"Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!"
"Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten
schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft
er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden,
gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien,
om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn
eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans
een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die
ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van
de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand,
Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen
hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld
kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren
rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten
of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den
nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al
even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en...."
Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit
oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur
aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam
den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: "Ik breng
geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad."
"Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?" kwamen de vragen uit aller
mond. "Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?"
"Bruns?" antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. "Die komt in
het geheel niet weerom; die is dood!"
"Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood
kan geen mensch hem gemaakt hebben."
"Wat zijt gij een snuggere piet!" hernam de kornel, zich tot den
laatsten spreker wendende. "Verongelukt is de arme drommel--dat hebt
gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat
een ander hem in zijn hart heeft gestoken."
Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar
het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij
niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte;
en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling:
"Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de
knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij
deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn
neus bracht ons bij de rafters."
"Zijn neus?" vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor
al de anderen.
"Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te
vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer
voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om
die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd
donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij
hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking
maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij
vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen
reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.
"Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk
naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht
als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en
geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur
vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten
de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen
beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en
Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad,
om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen,
geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen,
dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote
en de Jonge Beer van den Dogfish."
De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het
niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid
aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: "Ik zag dat
de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo
zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne
weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik
een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg
en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter
Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerust over hem te maken,
en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast
voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk
lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat
het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug,
die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat
kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn
revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde
ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu
maakte ik mij ijlings uit de voeten."
De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het
lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door
te zeggen: "Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer
daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!'
"Waarom dat?" werd er gevraagd.