maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook
Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier
wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij
daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij
het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa
vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden, en zoodra de dag aan
den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en
zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?"
"Ja," antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.
"O ja," gaf ook Droll ten bescheid. "De kornel moet in onze handen
vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken,
dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!"
DERDE HOOFDSTUK.
NACHTELIJKE GEVECHTEN.
Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel
stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat,
om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen,
waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou
hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis,
dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar
op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een
regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd,
en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit
laatste bestond uit zoogenaamde _clapboards_, planken die men ruw
uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het
voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter
weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde
het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig
woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen
tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren
geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten
door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk
gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich;
misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.
Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel,
waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee
uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of
mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker
vol vleeschnat uit den kokenden ketel.
Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen
zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de
moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een
vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche
wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die
op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van
het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en
velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een
gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.
Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der
achterbosschen.
Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen de _farmers_ (= landbouwers)
en de _trappers_ (= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst
nabij de beschaving staat en tot de lieden behoort, die een vaste
woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde,
volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje
gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij
trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eene _county_
(= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen,
zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent,
eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout
velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op,
er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden
boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid,
dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de
plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan
een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en
bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit,
maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het
buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.
De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist
vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij
vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het
bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij
kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en
kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen
die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken
en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen
geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.
En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want
hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis,
ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te
lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er
verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam
zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter
aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want
met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun
leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar
een twist aanvangen.
Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en
ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim
betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij
goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er
twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met
de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den
ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om
"vleesch te maken". In streken waar overvloed van wild is, valt hun
dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een
moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere
versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch
eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden
optrekken--zelfs ingewand.
Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was,
scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij
waren dan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte
zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde
elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men
indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die
men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden,
geschikt om den lachlust gaande te maken.
"Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara,"
zei een oude grijsaard, "dien hadt ge moeten zien! Het was een man,
natuurlijk, en toch werd hij door iedereen _tante_ genoemd."
"Was dat misschien Tante Droll?" vroeg er een.
"Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens
ontmoet?"
"Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn
verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over
hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet,
totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam
uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen."
"Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft
er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere
perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder,
die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken,
de hersens inslaan."
"He, Blenter! gij? Waarom dat?"
"Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen
geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig
en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben
er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te
kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra
het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was
er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die
Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft
de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden
zien. Wij zijn den dans ontsprongen?"
"Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens."
"Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover
houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen,
waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door
de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit
zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed
kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll."
"Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg
geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als
een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de
klem te komen."
"Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond
reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden."
"Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet
veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die
martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel."
"Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat,
die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de
Roodhuiden al hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand
kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?"
"Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn
leven kosten."
"En is deze plaats dan uw eigendom?"
"Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste
niets voor betaald."
"Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij
hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen
verzetten, veroordeelt gij hen."
"Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten
uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders."
"Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat
zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten
verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel
uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand
genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden
eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij een _boy_
(= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag
als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met
de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te
maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als
onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om
maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij
en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna
afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven--aan
de Roodhuiden of aan de Blanken?"
"Dat kan _ik_ toch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken."
"Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste
begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar
één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige
van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!"
De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk
leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij
kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets
te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop
met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als
iemand, die bij zich zelf spreekt: "Doodgeschoten of doodgestoken heb
ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend
moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als
zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er
waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een
korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen
gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt
is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen
vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger,
en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven
te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen."
Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets
zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner
de vraag:
"Zeg Blenter, wie was die kerel?"
De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: "Wie hij was? Het
was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder
de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen--ik
wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig
zelf ben: een rafter!"
"Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?"
"Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch
te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden
zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven
en spitsboeven."
Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar
zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: "Deze rivier,
waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen
om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons
wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren
toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar,
overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen
diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?"
Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet
dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: "En met zulke roovers kreeg
ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten
met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren
bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een
grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen,
moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij
hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig
genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een
korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland
af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste
ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde
ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die
bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden
zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens,
messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart
geweest?"
"Ik had de kerels overhoop geschoten," antwoordde er een. "En daartoe
zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het
Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund
de doodstraf."
"Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel
vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond
te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel
van hen gevergd, geloof ik?"
"Neen, allesbehalve?" riepen verscheiden stem men. "En deden zij
dat niet?"
"O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter
niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier
of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik
vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden
die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen,
dat zij mij uitlachten. Toen ik hen den volgenden morgen opzocht,
hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen
om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu
natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord
met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en
anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn
geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder
scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem
dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn
vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen,
ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis,
om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang
voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu
was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie
dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons
blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en
ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij
waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een
spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken
onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen
van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter
een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk
zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten,
zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig
niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn
zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong
dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en
het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die
zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor
zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog
vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette
het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen."
"Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten,"
riep er een. "Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later
gewroken heeft."
"Ja, hij heeft hem gewroken," knikte de oude, meteen opstaande
om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn
gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: "Wij waren gelukkig
op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging
ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het
was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde,
doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons
woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op
den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook
op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van
mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw
en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen
mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op
hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil,
dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet
beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en
schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveld was, eer ik aan
tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik
weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten."
"Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger
geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner
een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel
op zijn hoede wezen."
"Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later
heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot
ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar
luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met
geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat
ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik
den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester
gemaakt van mijn _brandy_ (= brandewijn); ze dronken zich zóó zat,
dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar
letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten
sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van
mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden,
hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe,
de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning
kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn
vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden
haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen
meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een
soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel
door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee
zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik
lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste
zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid
is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn
gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en
razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een
woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet
bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik
werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving,
heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand,
waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet
ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk,
en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een
schot viel. Ik was bewusteloos geworden."
"O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!"
"Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de
omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd,
die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt
had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien,
dat mijn leven geen _penny_(= stuiver) meer waard was. Daarom had
hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een
schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten,
niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens
ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die
verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zij
kunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen,
daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een
loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te
ontkomen naar het bosch."
"Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn."
"Westman? _Pshaw!_ Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is
de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!"
"Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op
den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!"
"Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij
een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten
om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou."
"Winnetou, de Apache? _Good lack!_ Ja, dàn willen wij het wel
gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?"
"Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene
rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem
stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen
trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien,
ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk
zijn verschijning alleen reeds maakt."
"Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?"