"Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan

mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben

daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend

dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds

daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone

daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang

van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter

ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als

bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons

blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die

het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen,

naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee,

die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien."

Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.

"Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?" vroeg Butler.

"O ja," knikte Old Firehand. "Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de

meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten

spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de

hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in

de Tonkawa-taal geschreven, en luidt aldus: Sjakhe-i-kauvan-eelatan,

hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el,

ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en

zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden

'oudere broeder' zijn nog vereerender dan 'broeder'. Het totem

bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie

den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te

verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun

vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur

der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u

bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is

door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan

het leven van verscheidene menschen afhangen."

De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren

voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den

Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat

men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar

hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen

in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst

aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich

weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te

Fort Gibson tot aan den morgenstond wel wakker zou blijven. Van het

dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er

slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het

een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon

zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die

daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat

zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met

een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet

belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll

nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag,

hoe Droll aan den zonderlingen naam "Tante" gekomen was. De gevraagde

antwoordde: "Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om

aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere

bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik

zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij

komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar

ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor

heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte

heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken

met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid,

hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll."

"Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?"

"O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu

en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs,

en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit 'drool'), zooals

ge weet. Vandaar die naam."

"En uw ware naam--is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom

heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers

zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister

gehuld te willen houden?"

"Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik

mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen,

die meer..... hoogere belangen raken."

"Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?"

"Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen

weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op

dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een

tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat,

een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch."

"Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo

heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag."

Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in

de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden:

"Ik heet.... Pampel."

"Wat, Pampel?" lachte Old Firehand. "Poëtisch klinkt het woord

natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel

om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine

noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die

naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend,

die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch;

zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?"

"Ja."

"En in de Vereenigde Staten geboren?"

Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde:

"Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch

echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!"

"Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?" riep Old Firehand. "Wie

zou dàt gedacht hebben!"

"Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen

dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van

de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn

eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?"

"Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij."

"Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want

juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen

later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus,

zeg mij dan eens waar ik geboren ben?"

"In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas

(=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt."

"Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat

gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers

genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij,

ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd,

dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in

ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen

kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken,

dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds

zoo lang hier in het land ben."

Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek

zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want

eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe

geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen

aan een fermen _smoke_(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen

in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons

drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het

eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old

Firehand met de woorden: "Het speet mij geweldig, dat wij niet verder

konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij

ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te

rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort

na middernacht moeten wij weer op!"

Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten

uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven

lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere

achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo

ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier

en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er

voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer

wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te

zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk

niet meegerekend).

Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand

van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks

boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom

het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand

daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep

spreekt vanzelf.

"Een verduivelde geschiedenis!" fluisterde hij tegen dengene, die

naast hem lag. "Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een

man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat

ons in den weg."

"Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot

aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den

hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien,

zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?".

"Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort

Gibson komen moeten we klaar zijn."

"Eerst haalt gij het geld natuurlijk."

"Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en

ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles

mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb,

is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan

den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede

verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht

gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik

wel hooren."

Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en

zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De

tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte

hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog

verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af,

die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen,

stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk

te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers

verbranden.

De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot

bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden,

was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene

zijde naar de andere. Eenige kleine colli's vrachtgoed lagen ordeloos

hier en daar.

Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk

onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van

zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper

in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand--het blik,

waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed

was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water

sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te

worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het

eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam

hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg

daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het

blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand

nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok,

ontving hij een fermen waterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde

moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen

onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik

door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich

toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die

pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die

eerst nog medenemen naar boven!

Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend

of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat

hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.

Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan

weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend

eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande,

waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu

slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde

en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang,

ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.

Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de

kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die

lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts

vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier

niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel

van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw

lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler

nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?

Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten

licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd

juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt,

terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij

trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder

het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit

te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over

hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.

Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van

onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder

lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand

gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand

stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs

en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen,

als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er

naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het

mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet

zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.

"Verduiveld!" dacht de dief: "dat is veel gemakkelijker gegaan,

dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar

binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen."

Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij,

uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord,

stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om

naar de zijnen terug te kruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden

luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan;

daar verbeeldde hij zich twee flauw phosphoresceerende stippen te zien,

die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met

inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken,

schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om

uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En

ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een

plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet

om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende

officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.

"Wie is daar?" riep hij.

"Ik, Nientropan-hawi!" luidde het antwoord.

"O, de Indiaan! Ga toch slapen!"

"Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij

te gauw weg!"

"Waarheen?"

"Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest."

"_Pshaw!_ Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen

hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!"

"Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is."

De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste

geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over

maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.

Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man,

die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.

"Sir!" zeide deze, "ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water

komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt."

"Onzin!" lachte de officier.

"Kom dan even hier, en overtuig u."

De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond

naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij

met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken

bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De

luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar

beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer

rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging

met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.

"Hij wil geen alarm slaan," fluisterde de kornel tegen de zijnen. "Maar

kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden

om aan te leggen."

Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in

alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en

ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige

beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van,

en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar

boven, om te zien wat er gaande was.

"Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!" riep de kapitein

hun toe. "Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat

er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan

wal gaan."

Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een

tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om

redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles

draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn

op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever

parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen

bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en

de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan

bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis

van den nacht verdwenen.

Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old

Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden

in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter-

en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den

kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog

hield: "Waar is de plaats van deze boor, sir?"

"Daar in de gereedschapskist," antwoordde een matroos. "En van middag

lag die er nog in."

"Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk

op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is."

Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden

teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl

vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan

boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit

zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: "Ik ben

bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door

midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!"

En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: "Ik weten, kornel heeft

gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet

gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan

in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer

drinken; en alles vertellen moeten."

Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en

de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles

nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een

eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.

"Dat zijn Jonge Beer," riep de Indiaan. "Ik hem achterna gestuurd

kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn."

En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over,

en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord

ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: "Daar wegroeien

zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot,

die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien

naar overzijde."

Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk

genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps

jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning

en een groot deel der passagiers antwoordden hen woedend. In de

algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen

waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen,

eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens

een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk:

"De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te

wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot

vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote

Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!"--Beiden hadden

de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De

kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.

Terwijl nu de _deckhands_ (= de manschap op het dek) een begin

maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker

in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo

in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er

gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief,

en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd,

met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn

verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden,

opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal

slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke

vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.

Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig

werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een

kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers

kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten

het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men

zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens

iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de

lange reis was onderbroken.

Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had

hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest

vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: "Er bestaat nog

hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in 's hemelsnaam met vrouw

en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien."

"Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?"

"Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen."

"Maar dat is immers gevaarlijk!"

"_Pshaw!_ Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor

die tramps--want dat zijn ze stellig."

"En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever

die som voorgoed kwijt zijn."

De schat in het Zilvermeer · 第 5 / 51 段