"Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets

is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel

van af hoe het ding aangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar,

om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn

raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken."

"Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar

niet iets op de mouw gespeld hebben."

"_Pshaw!_ Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu

reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn

waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet

gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te

halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch

wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard

afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal."

Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding

en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren

wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich

zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best

om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde;

de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan,

tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.

De "domme neger" scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als

hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig

teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward

gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon

verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot

uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken

in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een

blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette,

zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend

werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen,

den Ouden en den Jongen Beer.

"Wel," vroeg de kornel met gespannen ongeduld, "hoe hebt gij het

er afgebracht?"

De gevraagde antwoordde mismoedig: "Ik heb mij alle moeite gegeven;

maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van

u zal krijgen dan de bedongen drie dollars."

"Hoe zoo dat?"

"Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u

schromelijk vergist, sir!"

"Waarin dan?"

"Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer,

en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren

gevraagd hebben op zijn boerderij."

"Wel nu nog mooier!" viel de kornel uit, op den toon van iemand,

die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.

"Het is zooals ik u zeg," verzekerde de neger. "De reus is een beroemd

jager en wil ver het gebergte in."

"Waarnaar toe?"

"Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van

het gansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met

den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten."

"Wil hij alleen het gebergte in?"

"Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem

meegaan."

"Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren

hebben?"

"Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen."

"Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan

de knapste ingenieur."

"Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler's broeder, die een

prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk

zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de

ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat

brengen."

De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps

liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige

ontdekking.

"Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers," merkte de kornel aan, op

een onverschilligen toon. "Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig

mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?"

"Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch

heb ik het verstaan."

"Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt

mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij

in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren."

"Neen, neen, want ze zouden het niet vinden."

"Jongen het zijn zulke gewikste kerels."

"Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld

weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken."

"Weet gij dan waar?"

"Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer

geheimzinnig en bedekt, opdat _ik_ het niet zien zou. Zoodra ik

dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe

staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde;

maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk

zag alsof ik er bij zat."

"Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor

staat--dat is algemeen bekend--ziet men zijn rechterzijde links en

zijn linkerzijde rechts."

"Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar

wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk

een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de

banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen

viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes

geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat

ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten

andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet

zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is,

in het Westen een verloren man zou zijn."

"Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan

dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?"

"Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren

zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas."

"O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen

tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood

hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus

vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel,

en draagt ook denzelfden naam."

"Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur

de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak

van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij

verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn."

"Waar zijn die dan?"

"Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier--maar waar

dat is, weet ik niet."

"Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel

rafters zijn daar bijeen?"

"Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje

in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat

óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht

hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men

in de wildernis gaat reizen."

"Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch

behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen,

waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn

die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet

begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk

een jong meisje bij zich heeft."

"Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem,

en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om

een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er

zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar

besloten zijn vrouw en kind mee te nemen."

"Blok_huizen_? Heeft hij dat gezegd?"

"Ja."

"Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn,

dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen

zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen

weten wat eigenlijk hun doel daarmede is."

"Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei

hem, dat hij dat later wel vernemen zou."

"Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien,

dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is,

die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het

onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij

de plaats niet weet, waar zij naar toe willen."

"Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard

en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden

met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien,

naast elkander hebben."

"Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?"

"Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de

ingenieur; nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer

vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred."

"Wie is dat?"

"De jongen, die de Tante meegebracht heeft."

"Is dat een zoon van Droll?"

"Neen, voor zoover ik vermoeden kan."

"Hoe is zijn 'van', en wat is de reden dat hij met Droll meereist?"

"Daar is geen woord over gesproken."

"Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?"

"Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den

ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch

over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor

u natuurlijk van geen belang."

"Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb,

is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd

hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten

stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben

als wij maar verlangen kunnen."

"Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de

raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er

het slechts aan toe zijn, zijn _wij_ natuurlijk. Wij moeten, als wij

's nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,"--hij

wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen

onder het dek--"nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier

ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door

dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het

onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is

het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken."

"Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de

scheepskiel?" vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder

belangstelde.

"Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden."

"Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?"

"Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te

moeielijk."

"Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig

hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter."

"Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog

even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje

te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar

hoe staat het nu met mijn dollars?"

"Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal

betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing,

en dáárvoor wil ik _u_ niet laten boeten. Hier zijn dus de drie

dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons

volstrekt niet gebaat heeft."

"Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel

brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een

nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan

asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen."

Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder

in de schaduw van een groote baal liggen.

De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten

zij waaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige

zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.

"Gij kijkt mij nu aan om opheldering," zei hij, terwijl er over zijn

tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. "Negenduizend dollars

aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes)

of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar

kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer

welkom zal zijn."

"Als wij het hebben," zei degeen, die gewoon was voor de anderen het

woord te doen.

"Wij hebben het!"

"Vooreerst nog in lang niet!"

"Tut, tut! Als _ik_ zeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!"

"Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig

worden?"

"Ik zal het gaan halen."

"Uit de slaapkajuit?"

"Ja."

"Gij zelf?"

"Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan

een ander over."

"En als gij gesnapt wordt?"

"Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken."

"Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur

wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen

aan het dansen."

"Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben

wij de plaat gepoetst."

"Hoe dat?"

"Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk."

"Moeten wij dan naar den wal zwemmen?"

"Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik

ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik

het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever

bijna niet zien kan."

"O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee

booten? Is dat de bedoeling?"

"Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat

het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden,

die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht

kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk

zouden maken."

"Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal

ontdekt is."

"Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb

ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het

scheepskiel-ruim?"

"Dat kan ik niet weten."

"Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw

oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?"

"Dat schijnt een gereedschapskist te zijn."

"Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en

verscheidene boren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer

een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee--de boor

en het scheepskiel-ruim--eens met elkaar in verband?'

"_Thunder-storm!_ Gij zult toch het schip niet lek willen boren?" riep

de andere verbaasd.

"Ja dat is juist wat ik van plan ben."

"En maken, dat wij allen verzuipen!"

"_Pshaw!_ Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij

hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan

wal aan te leggen."

"O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?"

"Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en

als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken,

en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert."

"Maar als men het te laat pas ontdekt?"

"Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen

zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet

door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet

blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen,

dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben

om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijn _wij_

al lang geblazen."

"Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de

kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men

dient op alles bedacht te zijn."

"Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange

lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere

einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt,

zou alwetend zijn.'

"Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip

af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren."

"Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen

kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim

vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze

beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of

een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen,

zonder die te betalen."

"Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?"

"Allereerst naar de Blackbear-rivier!"

"Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?"

"Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich

ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op

den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is

dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te

kunnen uitrusten."

"Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?"

"Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te

tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het

zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien

tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden

hebt. Van avond is er werk aan den winkel, en aan slapen valt niet

te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond

weer frisch en in staat om goed te marcheeren!"

Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte

heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en

rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat

de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den

tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling,

die het midden houdt tusschen slapen en waken, en die noch aan het

lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.

Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen,

kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden,

en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De

ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om

die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich

onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van

haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was

bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide

dames hen nog niet bedankt hadden.

De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche

rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds

zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook

nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.

"He--el bakh sjaj--bakh mateloe makiek (= nu zullen ze ons geld

geven)," zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij

hen aan zag komen.

Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid

is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand,

met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen

snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn

vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op

het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem

toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk,

en zei: "Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij

niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben."

Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde:

"Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren;

hij weten, dat ze waar zijn."

"Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij

herinnert. Mag ik dat doen?"

Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af,

en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek

naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed,

maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een

klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst,

met ettelijke teekens er op.

"Ik u ook geven aandenken," zeide hij. "Het is totem van

Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar

komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten

eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem,

en gehoorzamen zijn totem."

Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde

dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat

hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar

zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te

fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben

kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig

geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij

de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en

antwoordde: "Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets

van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die

geschenken elkaar niet vergeten zouden." Nu bedankte hem ook de moeder

van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader:

"Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm;

maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen

hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar

ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven,

waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij

mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen

aannemen? Ik verzoek hem dat."

Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan

de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die

aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij

doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als

een kaars, en zeide: "De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote,

zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik

die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede

menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!"

Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu

kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht

zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij

zei tegen Butler:

"Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of

menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij

nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens

squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het

zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!"

Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de

hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.

"Toea enokh (= goede menschen)!" zeide de vader.

"Toea-toea enokh (= zeer goede menschen)!" bevestigde de zoon. Dat

waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid

hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door

vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij

zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.

Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen,

zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij

was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend,

dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval

gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die

had hem de noodige voorlichting verstrekt. Nu keerde hij terug naar

zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem

mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag

maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis

van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem:

"Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?"

"O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij

ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende

verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen

bestaan."

De schat in het Zilvermeer · 第 4 / 51 段